| |
De keurvorsten
Een lappendeken van staatjes
Het
Duitse rijk groeit in de Middeleeuwen uit tot een lappendeken van staatjes,
steden en ministaatjes, waarin de keizer die formeel aan het hoofd van
zijn rijk staat het steeds minder voor het zeggen heeft. Vooral in de
dertiende eeuw verbrokkelt het gezag van de keizer door de voortdurende
strijd met de paus, zijn geldingsdrang in Italië en door strijd tussen
de Duitse adel onderling.
Een aantal machtige aartsbisschoppen en hertogen, die formeel gehoorzaamheid
aan de keizer zijn verschuldigd, maken misbruik van de zwakke positie
van de keizer. Zij zorgen ervoor dat keizerlijke beambten het veld moeten
ruimen en dat ze zelf geld kunnen slaan en recht spreken. Een hertog
is oorspronkelijk een militaire aanvoerder van de heerban in een gewest
van het Frankische rijk. Later in het feodale tijdperk is de hertog een
onafhankelijke vorst en is het een hoge adellijke titel.
Zeven keurvorsten
Er zijn na verloop van tijd zeven keurvorsten die grote macht bezitten.
Zij bepalen samen wie de volgende keizer wordt. Een voorgedragen kandidaat
voor de keizerstitel heet dan Rooms-Koning en
wordt uiteindelijk door de paus tot keizer gekroond. Het moge duidelijk
zijn dat de zeven het niet altijd eens zijn over de kandidaat. Vele politieke
spelletjes worden middels stromannen en tegenkandidaten gespeeld. De zeven
keurvorsten zijn de aartsbisschoppen van Keulen,
Mainz, en Trier, de koning van
Bohemen, de hertog van Saksen,
de markgraaf van Brandenburg en de paltsgraaf
van de Rijn.
|
|