| |
De landsheer
Het bestuur van Gelre - deel 1
Graven in De Graafschap
De Graafschap ontleent zijn naam aan de graven van Zutphen. Zij weten
in de Middeleeuwen de machtigste personen in de Achterhoek te worden.
Naast graaf van Zutphen zijn zij ook graaf (vanaf
1339 hertog) van Gelre. Zij zijn echter niet de enige graven die actief
zijn in dit gebied. De graven van Hamaland,
Lohn, Meurs,
Van Dalen, Kleef en (de latere graaf) Bergh zijn zowel concurrenten als
bondgenoten met (grote) bezittingen in de Achterhoek. Dan zijn er nog
andere landsheren actief, bijvoorbeeld de bannerheren.
Wat maakt iemand tot een graaf en wat betekent hij voor zijn graafschap?
De graaf
Het land dat de Frankische hofmeiers
uit naam van hun koning veroveren, delen zij in in gouwen. Voor het bestuur
van en rechtspraak in de gouw wordt een plaatsvervanger van de koning
of keizer aangesteld: de graaf (Latijn: comes, Oudgermaans: grafio).
Het ambstgebied van een graaf heet graafschap, terwijl een gouw meer
een landschap aanduidt.
De hertog
De hertog (Oudduits: herizogo) heeft oorspronkelijk een andere functie
in het Frankische Rijk. Hij is de aanvoerder van de heerban (het leger
van leenmannen) in een gewest van het rijk. Later is hij eveneens net
als de graaf een burgerlijke bestuurder met vrijwel onafhankelijk gezag.
Onder de Germaanse stammen is de hertog de opperbevelhebber en is hij
in die positie gekozen, mede door gebrek aan een koning, vanwege zijn
militaire capaciteiten.
In de Merovingische tijd is de hertog (dux)
hoger in rang dan een graaf. Hij staat aan het hoofd van een tijdelijk
leger of groep graafschappen. Tijdens de Karolingische
tijd is hij de opperbevelhebber over een (grens)streek, die door een
bijzonder gevaar wordt bedreigd. Bij verzwakking van het centrale gezag
kunnen vooral de grenshertogen zich gemakkelijk onafhankelijk maken, door
de gebrekkigheid van de communicatiemiddelen aan de grens, maar vooral
door de vele volmachten en troepen die zij in oorlogstijd hebben.
In de landsheerlijke periode van de Middeleeuwen
(1000-1500) heeft een hertog nog altijd meer bevoegdheden dan een graaf
en staat hij derhalve in een hoger aanzien.
Het leenstelsel
Om in hun onderhoud te voorzien wordt de landsheer beleend met land.
Vaak met alles erop en eraan, inclusief de mensen die er wonen. Uit naam
van de vorst moet de landsheer in zijn graafschap het bestuur uitoefenen,
recht spreken, boeten vorderen (en deze voor 2/3 afstaan aan de koninklijke
kas), de domeinen en de koninklijke bezittingen beheren en de heerban
oproepen en aanvoeren, wanneer de koning dat wenst. De graven worden door
de koning zowel aangesteld als ontslagen.
De heerban roepen ze op door op hun beurt vertrouwelingen aan te stellen
die in ruil voor land in militair tenue moeten verschijnen. Dit systeem
van landuitleen van hoog naar laag staat bekend als het leenstelsel. De
landsheer leent zijn land uit aan iemand die daardoor in zijn behoeftes
kan voorzien, maar daarvoor bepaalde diensten moet leveren. Hiervoor legt
de leenman een eed af.
De landsheer wordt onafhankelijker
In
het begin zullen de ambtelijke graven in De Graafschap nauwlettend gevolgd
zijn door de keizer, omdat het keizerlijk hof in Nijmegen dichtbij is.
Later als de keizers zich verder in Duitsland
terugtrekken zal het toezicht afnemen.
De landsheer verenigt dus in een afgebakend territoriaal gebied de taken
van burgemeester, rechter, notaris en belastinginspecteur. Daarnaast dient
hij zorg te dragen voor de verdediging van het land. Dit doet hij niet
alleen. Hij wordt vanaf het ontstaan van zijn functie bijgestaan door
de raadskring en later door de stendenvergadering.
Als de macht van de Duitse keizer door de eeuwen heen afneemt, is de positie
van de aangestelde landsheer zo machtig dat deze zelf als de bezitter
van het hem toegewezen land optreedt, of vice versa. Hij wordt dan landsheer
en is niet langer gebonden aan een hoger gezag. Op zich valt hem dat niet
kwalijk te nemen, want vaak weet men niet eens beter dan dat het goed
al eeuwen in eigendom van de familie is. Bovendien kan de landsheer bij
problemen niet meer op de hulp van de keizerlijke troepen rekenen, zodat
hij zelf voor zijn hachje en die van de leenmannen en horigen moet zorgen.
Een erfelijk ambt
In
1158 maakt de Duitse keizer de
diverse ambten erfelijk, zodat het
ambt met alle toebehoren binnen een familie blijft. In feite is het in
de praktijk al enige decennia zo, maar het is tot dat moment illegaal.
Hierbij krijgen ze enkele koninklijke rechten zoals het recht om de heerban
op te roepen, tollen te heffen, opbrengst van de boeten van het gerecht
te incasseren, rechters aan te stellen, het verkrijgen van onbeheerde
en verbeurd verklaarde goederen, recht op de woeste gronden, de grote
stromen, de beken, de heerbanen (jachtgebieden), de veer- en visrechten,
de windrechten, de tienden van ontgonnen landen, etc., etc., etc. Vooral
de tollen zijn hierbij van belang. In 1340 bijvoorbeeld int de hertog
van Gelre 1/3 van zijn inkomsten van voorbijvarende schepen bij Lobith.
Landsheer wordt iemand dus niet meer door een benoeming, maar uit geboorte.
De grafelijke families kunnen hun bezittingen binnen de familie houden
en een toekomstgericht beleid voeren.
Door de toekenning van al deze rechten worden de graven zo goed als onafhankelijk.
Nu hebben ze de macht om kleinere heren ondergeschikt te maken en op hun
beurt aan hen leenhulde te bewijzen. De keizer is dan niet meer de landsheer,
maar de graaf of hertog.
Voortdurend op pad
De
landsheer is voortdurend op pad. Hij lijkt meer te bivakkeren in legertenten,
te logeren in vreemde herbergen en burchten dan te resideren in een kasteel.
Dit voortdurende reisgedrag is een typisch kenmerk van de middeleeuwse
heer. Zelfs de Duitse keizer is voortdurend op reis. Om zijn gezag te
laten gelden moet de landsheer vaak in persoon ergens aanwezig zijn. Het
gebrek aan een hoofdstad doet zich hier gelden. Van de Gelderse graven
en hertogen zijn itineraria (reisboeken) opgesteld.
Hun reisgedrag bevestigt het beeld dat men heeft van een ridder. Dit wil
echter niet zeggen dat de hele hofhouding met hem meereist. Delen van
zijn hofhouding blijven achter op de grote, vaak centraal gelegen kastelen,
zoals Rosendael of Nijmegen.
Het reisgedrag van de echtgenotes van de landsheren van Gelre is niet
zo avontuurlijk. Ook zij verkassen af en toe, maar gezien het tempo en
de frequentie waarmee dat gebeurt zal in haar geval wel heel wat huisraad
en kostbaarheden zijn meegenomen.
Toename van de macht
Door hun centrale positie in een bepaald gebied weten de landsheren in
de loop van de Middeleeuwen steeds meer macht naar zich toe te trekken
ten koste van de keizer en kerk. Dit doen ze door (rechts)gebieden te
kopen of via een gerichte huwelijkspolitiek aan hun eigen gebied toe te
voegen. Zo ontstaat er een lappendeken van territoriale staatjes. Extra
verwarrend is dat de rechtspraak af en toe apart van de belastinginning
wordt verhandeld. Bovendien ontvangen de graven verschillende gebieden
in leen van bisschoppen, naast die van de keizer. Helemaal ingewikkeld
wordt het als de graven zelf hun gebied in leen uit gaan geven, als zij
de eigenaren van het land zijn.
Ambitieuze toekomstvisie
Soms worden gebieden veroverd, maar dergelijke aanwinsten verdwijnen
weer net zo snel. Bestendiger zijn gebieden die middels huwelijken aan
het territorium worden toegevoegd. De huwelijkspolitiek is uiterst belangrijk
voor een grafelijke familie. Het valt echter niet mee om een aaneengesloten
gebied te krijgen. Daarvoor zijn er te veel machtige families. Het op
het juiste moment aangaan van de goede allianties vergt ook een goede
politieke neus. Het ambt van landsheer is dan wel erfelijk geworden, maar
dat wil nog niet zeggen dat alles vanzelf eigendom van de familie blijft.
Een ambitieuze toekomstvisie is absoluut noodzakelijk. Zo is graaf Otto
II van Gelre (1229-1271) al bewust bezig om voor zijn familie binnen
de Nederrijnse vorsten carrière te maken. Dit krijgt zijn bekroning
pas in 1339 als Reinald II van Gelre
tot hertog wordt benoemd.
De baas van een lappendeken
Het gebied van de graven is door al deze zaken niet aaneengesloten. Al
streven ze daar uiteraard wel naar. Gelre is bijvoorbeeld een samenstelling
van gebieden in Limburg, Noord-Brabant en Duitsland. Vanaf 1350 is er
sprake van vier kwartieren; Nijmegen, Roermond (Overkwartier), Arnhem
en Zutphen.
De
grenzen liggen nooit vast. Voortdurend komen er langs de randen gebieden
bij of gaan weer verloren. Lokaal gezien zijn sommige steden en edelen,
voornamelijk de bannerheren, erg machtig.
De graven moeten voortdurend hun gezag bevestigen. Dit doen ze door middel
van wapens, diplomatie, rechtspraak en - vaak over het hoofd gezien -
cultuur. De landsheer laat letterlijk zien dat hij machtig is door middel
van hofhouding, kunst en kleding. Uiterlijk vertoon is ook in de Middeleeuwen
van belang. Hij sponsort musici en schilders en laat kerken en kastelen
bouwen. Zo verstevigt hij zijn machtsbasis; hij laat zien dat hij superieur
is.
Bij een grote heer hoort uiteraard een grote hofhouding. De landsheer
heeft veel bedienden in dienst. Onder andere koks, jagers, stalmeesters,
bakkers, smeden, zadelmakers, boden en kapelaans, die allemaal hun loon
in levensmiddelen ontvangen.
Rechtspraak en waterstaat
Een van de belangrijkste taken van de landsheer is de rechtspraak. In
eerste instantie gebeurt dit op de hoven en kastelen die de landsheer
bezit. Later worden kleine vergrijpen ook in de steden berecht. Ernstige
misdrijven worden door de landsheer behandeld.
De waterstaat is ook onderwerp van belangstelling voor de landsheer. Hij
vaardigt dijkbrieven uit. Dit zijn uitbreidingen van de dijkplicht die
aanwonenden van een dijk reeds hebben, om een bepaald dijkvak te onderhouden.
De dijkbrief verplicht de bewoners van het achterland om ook bij te dragen
aan het onderhoud van de dijk. Hieruit ontstaan de latere waterschappen
en het woord dijkgraaf herinnert nog aan de oorspronkelijke verantwoordelijke.
In De Graafschap is Reinald II de
eerste die veel dijkrechten uitvaardigt.
Inkomsten van de landsheer
De
kosten van het landsbestuur worden gedragen door de landsheer. Zijn bronnen
van inkomsten bestaan uit landpachten en tienden uit de eigen domeinen,
de land-, markt- en riviertollen, de verpachting van visserijrechten,
banrechten (bijvoorbeeld het verplicht laten malen van het graan bij een
bepaalde molen, of het laten bakken van brood bij een speciale oven),
de muntslag en andere landsheerlijke rechten.
Een directe bijdrage van de onderdanen (belasting) is een uitzondering.
Dit komt alleen maar voor bij speciale gelegenheden. Bij een kruisvaart,
een ridderslag van een jonge graaf, huwelijk van een grafelijke dochter,
losprijs na gevangenneming of inlossing van verpande gebieden. In deze
gevallen kan de landsheer een verzoek om financiële steun uitvaardigen,
een zogenaamde bede. Dit komt echter niet elke dag
voor en de onderdanen zijn niet verplicht om bij te dragen. Dit laatste
wordt er altijd uitdrukkelijk bij vermeld.
Verdeel en heers
De bevolking neemt aan het eind van de Middeleeuwen toe en de landsheer
zou er zelf meer dan een dagtaak aan hebben om zijn functie uit te oefenen.
Hij neemt hiervoor speciale mensen aan, die specifieke taken voor hem
gaan uitvoeren.
In De Graafschap kiezen de Gelderse graven voor deze functies uit een
paar families van ministerialen. Zij zijn door hun leenband al volledig
aan de graven verbonden en vormen zo geen gevaar voor hem als ze door
hun functies te machtig zouden worden. Aan de leden van de adel kunnen
de graven echter niet voorbij; zij krijgen eveneens enkele (lucratieve)
functies toegeschoven. Vaak hebben deze baantjes een tijdelijk karakter,
zodat de vaak machtige adellijke families (bijvoorbeeld de bannerheren)
niet nog meer macht krijgen, zodat ze een bedreiging voor de graven zelf
kunnen worden.
De differentiatie van functies vindt het
eerst plaats in de onmiddellijke omgeving van de landsheer, namelijk aan
het hof. Daar worden in navolging van de keurvorsten
uit het Duitse rijk enkele beambten benoemd. Daar ontstaan in de loop
van de dertiende en veertiende eeuw de ambten drossaard
(dapifer), maarschalk (marscalcus),
kamerling (cameriarius) en schenker
(pincerna).
|
|