| |
 |
Hendrik V, 1311-1350
Heer van Borculo
|
 |
Voogdijbestuur
Hendrik V is de oudste zoon van Hendrik
IV en Jutta van Wisch en is
voorbestemd om in de voetsporen van zijn voorvaderen te treden. Hij is
volgens De
Groot na 1283 geboren, omdat in dat jaar zijn zuster Lisa "domicella"
wordt genoemd. Hij verstaat onder domicella in dit geval blijkbaar 'gebiedster' en niet 'edelvrij persoon'. Het is echter mogelijk om Hendrik V's geboortedatum nog iets preciezer
vast te stellen.
Engelbert Eschikinc belooft in 1310 de
schepenen van Groenlo de door hem gebouwde molen twee jaar in
bedrijf te houden, tenzij jonker Hendrik anders beschikt. Tot de ondertekenaars
behoren Godfried
en Ludolf van Borculo. De
Groot neemt aan dat die jonker Hendrik V is en Godfried
als diens voogd ziet. Godfried en Ludolf zijn in dat geval ooms van Hendrik
V.
In ieder geval is Hendrik V vanaf 1311 eigen baas. Hij komt in dat jaar
voor als "dominus" (heer) van Borculo, wanneer
hij de ministeriale vrouw Aleydis voor vijf Brabantse
marken vrijlaat. Uit deze jaartallen valt af te leiden dat Hendrik V in of rond 1295 is
geboren. Bij die handeling is zijn echtgenote Beatrix
getuige. Haar achtergrond is onbekend.
Vaart der volkeren
Hendrik V bemoeit zich in tegenstelling tot zijn vader meer met de wereld
om zich heen. Hij is in 1315 getuige bij de beslechting van een geschil
tussen Reinald II van Coeverden en de
abdij in Assen. Hendrik V's oom Godfried treedt hierbij als scheidsrechter
op. Kennelijk acht men het leerzaam voor de nog jonge Hendrik V om hierbij
aanwezig te zijn.
In 1318 treden Hendrik V en Godfried als getuigen op bij een geschil tussen
Hendrik van Vreden en diens tante Hadwig,
wanneer zij een meningsverschil hebben over de erfenis van Hendriks vader
Gerlacus van Vreden in het kerspel Bathmen.
Hieruit blijkt dat Hendrik V een publieke functie bekleedt als schepen
van Deventer. In hetzelfde jaar staat Hendrik V borg voor Steven
I van Wisch en diens zoon Hendrik
I, wanneer deze leengoed ruilen met de bisschop van Utrecht.
Hendrik V is ook meer betrokken bij Gelderse staatszaken dan zijn vader.
Hij blijkt in 1324 tot de raad van graaf Reinald
II van Gelre te behoren, wanneer Zutphen in haar rechten wordt bevestigd.
In 1329 is Hendrik V opnieuw in Zutphen te vinden. Hij is dan zelf een
van de scheidsrechters die een conflict tussen graaf Reinald II en de
schepenen moeten beslechten. Het conflict behelst de schepenverkiezing
en het rechtsgebied van de schepenen, in het bijzonder de rechtspraak
over vreemdelingen en het grafelijke gevolg. Blijkbaar vindt Reinald II
dat de Zutphense schepenen zich teveel rechten toe-eigenen. Mogelijk beslissen
de scheidsrechters dat Reinald II de rechten beter moet vastleggen, want
in 1330 legt Reinald II nieuwe bepalingen
vast.
Hendrik V getuigt ook bij zaken die de grafelijke familie aangaan. Zo
is hij in 1331 aanwezig wanneer Reinald II's echtgenote Eleonora
het vruchtgebruik van o.a. de Veluwe krijgt toegewezen. In 1333 is hij
aanwezig bij het vaststellen van de huwelijkse voorwaarden tussen Gerard
van Gulik en Margaretha
van Gelre en in 1337 is hij getuige bij de wilsbeschikking van Reinald
II. Uit dit alles moge blijken dat Hendrik V in de Gelderse vaart der
volkeren is opgenomen.
Strijd om Diepenheim
 Hendrik V heeft niet alleen oog voor zaken van Gelders belang. Privé
verzeild hij in een weinig profijtelijke strijd met de bisschop van Utrecht
en diens borgmannen te Diepenheim. De oorzaak van deze oorlog is niet
overgeleverd. Mogelijk vindt Hendrik V dat de bisschop te veel in zijn
rechten in Diepenheim treedt. Het is bekend dat de Borculose heren nauw
betrokken zijn bij de Diepenheimse
zaken.
Op 31 oktober 1332 doet graaf Reinald
II van Gelre uitspraak in het uit de hand gelopen geschil, ten nadele
van Hendrik V. Uit de uitspraak valt op te maken waaraan Hendrik V zich
heeft beschuldigd. Alle gevangen moeten worden uitgewisseld en Hendrik
V moet Diederic Sobben en Evert
de Rode van Heekeren tachtig mark betalen, die hij hen al heel lang
schuldig is. Alle leenmannen moeten in het bezit van hun leen hersteld
worden en alle schade ontstaan door roof en brandstichting moet vergoed
worden. Hendrik V krijgt dus alle blaam. Over de eis tot schadevergoeding waarop
Hendrik V recht meent te hebben doet graaf Reinald
II geen uitspraak. De graaf wenst voor 22 februari bewijsstukken te
zien. Hoe deze zaak afloopt is ongewis, maar op 14 december blijkt dat
de bisschop toestemming van de paus krijgt om belasting onder zijn geestelijken
te heffen "om de rust en de veiligheid in het Sticht te waarborgen".
Regionale activiteiten
Op 6 september 1333 gunt Hendrik V zijn naamgenoot Hendrik
Zore de erfpacht van een stuk weidegrond in het kerspel Groenlo. Hierbij
stelt hij als voorwaarde dat er geen eiken omgehakt mogen worden. Blijkbaar
is de hedendaagse spanning tussen natuurbeheer en effectieve exploitatie van landbouwgrond
al eeuwenoud. Al zal Hendrik V mogelijk andere overwegingen dan natuurschoon
alleen voor ogen hebben.
In 1337 verzoeken Hendrik V en zijn vrouw Beatrix hun gift aan de nieuwe
kapel van Borculo te bevestigen, waarbij zij het 'jus
patronatus' voor zichzelf behouden. Hendrik V's broer Johan
(of Jan) is hierbij getuige. De bewoners van Borculo hoeven dus niet meer
naar Geesteren naar de kerk, zoals zij van oudsher altijd gedaan hebben.
In 1338 hangt Hendrik V zijn zegel aan een oorkonde waarin zijn neef Herman
van Ahaus afstand doet van de voogdij van Monekinchof
bij Oldenzaal. Hoe zijn relatie met de heer van Ahaus loopt is vooralsnog
ongewis, maar mogelijk speelt Hermans vrouw Agnes
van Steinfurt hier een rol in.
Ook blijft Hendrik V betrokken bij Drentse familiezaken in Coeverden,
bijvoorbeeld in 1341 wanneer Reinald III
van Coeverden goederen met de abdij in Assen ruilt.
De kapel van Borculo wordt in 1342 begiftigd door Hendrik
Sure (Zore?) en Herman van Bilrebeek
(Billerbeck), waarbij Hendrik V getuigt. In 1344 wordt Hendrik V voor
het laatst genoemd.
Opvolgingsperikelen
Ergens tussen 1347 en 1350 komt Hendrik V te overlijden. Van Hendrik
V en Beatrix is uit de bronnen geen nageslacht bekend. De heerlijkheid
Borculo komt in handen van Reinold III van Coeverden, die zich dan tot
1358 "here van Covorde unde van Borchlo"
noemt. Tussen 28 oktober 1358 en 1 mei 1359 doet Reinold III afstand van
de heerlijkheid, maar het is niet precies bekend ten behoeve van wie.
Het meest voor de hand ligt dat Reinold III Henrica
van Borculo genaamd Dodinkweerd, daarmee van dienst is. De precieze
relatie tussen Henrica en Reinold III is onbekend. Van
Veen beschouwt haar als een dochter van Reinold III, waarbij Borculo
als huwelijksgift dient. De
Groot beschouwt op zijn beurt Henrica als een onbekende dochter van
Hendrik V, waarbij Reinold III dan de rol van voogd vervult.
Er is (uiteraard) nog een scenario mogelijk, want in dit verband is het
opvallend dat Hendrik V's broer Johan
in 1331 zijn geestelijke leven verruilt voor een wereldlijke. Stel dat
de twintigjarige kinderloosheid van Hendrik V en Beatrix aan deze beslissing
ten grondslag ligt. Is Johan de redder van de dynastie geworden? De
Groot meldt dat Johan nog even het bewind over de heerlijkheid voert,
al voert hij hier geen bron voor aan en is ook niet bekend wanneer dat
dan is. Johan heeft wel nageslacht gekregen; een zoon die Gerhard
heet en net als zijn vader geestelijke is geworden. Het is mogelijk
dat Johan ook een dochter heeft verwekt. Voor de eerstgeborene zou de
naam 'Henrica' dan een logische keuze zijn, maar andere alternatieven
zijn mogelijk, want de Borculose zijtakken zijn tot op heden niet helder
in beeld gebracht.
Borculo vererft aan Bronckhorst
Henrica van Borculo trouwt in 1360 met
Gijsbert,
zoon van Gijsbert IV van
Bronckhorst en Catharina
van Leefdael. Tussen 1364 en 1379 wordt Gijsbert door de bisschop
van Utrecht met Borculo beleend. Ook dit paar krijgt geen kinderen, zodat,
na de dood van Henrica, in 1397 de heerlijkheid Borculo vererft aan haar
(achter)neef Godert (Gadert) van Borculo, ook genaamd
Dodinkweerd. Godert is een kleinzoon van Godfried
van Borculo. Deze zijtak van de Borculose familie genaamd Dodinkweerd
is een apart hoofdstuk waard. Het is onbekend of deze zijtak connecties
heeft met het goed Dedingsweerde
bij Lochem.
Niet alle rechten van Hendrik V zijn op Godert vererft, want de heer
van Wisch bezit de helft van Borculo. Het is onduidelijk of Wisch
al voor de dood van Henrica deze helft heeft verkregen. Er zijn twee mogelijkheden. In de eerste mogelijkheid is de
helft via het huwelijk van Jutta
van Borculo met Steven
I van Wisch meegekomen. In de tweede mogelijkheid is na de dood van Henrica, via
de huwelijken van Henrica's nichten Elisabeth
en Catharina van
Bronckhorst met Hendrik
II van Wisch, deze helft vererft.
Godert staat in ieder geval nog in 1397 zijn helft van Borculo met al
zijn toebehoren af aan Gijsbert
van Bronckhorst. Gijsbert laat de heerschap Borculo na zijn dood in
1402 na aan zijn neef Frederik
van Bronckhorst. Na diens dood in 1405 komt de heerlijkheid Borculo
in bezit van Gijsbert
VI van Bronckhorst en zal het goed tot de Bronckhorster bezittingen
blijven behoren.
|
|