| |
 |
Heren van Lathum
Anno 1227
|
 |
Oorsprong van Lathum
Vlakbij het kasteel van de bannerheren van Baer
ligt aan de IJssel het kasteel van de
heren van Lathum. Waarschijnlijk zijn de heren van Lathum en Baer
loten aan dezelfde stam: de familie Van Rheden. Het goed Rheden ligt oorspronkelijk
in de Frankische gouw Felua, maar als de IJssel zijn
loop tussen 800 en 1000 verlegt, worden Baer en Lathum van Rheden afgesneden
en komen deze in De Graafschap te liggen.
Het is ook goed mogelijk dat Lathum pas later afgesplitst wordt van de
heerlijkheid Baer en aan een jongere tak van dit geslacht wordt meegegeven.
Het goed komt onder verschillende namen voor; Lathum, Lathem, Laten en
Latem.
De eerste heren van Lathum
De eerste heer van Lathum wordt genoemd in 1227 wanneer Eyle
van Lathum als getuige wordt genoemd als graaf Gerard
IV van Gelre enkele voorrechten verleent aan de Veluwe. De volgende
heer van Lathum is waarschijnlijk de zoon van Eyle: Wenemar
van Lathum.
Wenemar treedt in 1243 op als getuige bij het heimaal op de Uchelerberg.
Misschien hebben de heren van Lathum ook nog relaties met de heren van
Didam, want de voornaam Wenemar komt daar eveneens veel voor.
Hendrik van Lathum, 1295-1311
Hendrik
van Lathum is de eerste heer waarover meer bekend is. Waarschijnlijk is
hij geen zoon van Wenemar, omdat er ruim vijftig jaren zijn verstreken
als Hendrik voor het eerst wordt genoemd. In 1295 treedt Hendrik van Lathum
voor het voetlicht als hij als borg van graaf Reinald
I van Gelre optreedt. In 1295 staat hij ook als borg te boek wanneer
Hendrik van Ochten goederen opdraagt aan de
bisschop van Utrecht.
Het wapen dat Hendrik voert is een schuinbalk met een barensteel met vijf
hangers. Hetgeen verdacht veel lijkt op het wapen van de heren
van Baer, met wie de verwantschap reeds geschetst is. Ook zij voeren
nu een schuinbalk met een barensteel.
In 1302 getuigt hij te Didam als Bernard van Duven
afstand doet van zijn goederen ten behoeve van Adam
van Bergh. In deze oorkonde wordt hij als edelman als eerste genoemd.
In 1310 treedt hij als judex (rechter) en tutor (soort leraar) op voor
Adam van Bergh bij het gericht te Etten.
Op latere leeftijd lijkt hij als broeder te zijn toegetreden tot het Duitse
huis. Rond 1330 heeft hij als Duitse broeder geld geleend ten behoeve
van het Duitse huis te Koblenz.
Frederik van Lathum, 1311-1338
In 1326 wordt Frederik van Lathum beleend met goederen te Didam en met
de Nijenhoef te Heerde. Onzeker is of Frederik
een zoon is van Hendrik van Lathum. Frederik heeft
een zus die met Hendrik van Baer is getrouwd.
Mogelijk heeft Frederik een jongere broer, Arnd geheten,
die in 1330 in het leenregister van Bergh wordt genoemd als hij Valenakker
in leen ontvangt. Arnd wordt in ieder geval "Henrixsoon"
genoemd, dus hij is zeker een zoon van Hendrik. Waarschijnlijk overlijdt
Arnd al voor zijn broer in 1338.
In 1338 blijkt Frederik zonder nakomelingen overleden te zijn, evenals
zijn onbekend gebleven zuster. Zo sterft het geslacht Lathum in mannelijke
linie uit en blijkt de erfenis met schulden bezwaard als Hendrik
van Baer het goed via zijn vrouw erft.
Hendrik van Baer, heer van Lathum, 1338-1356
De vrouw van Hendrik van Baer is verwant aan Frederik
van Lathum en dat is voldoende reden voor de graaf
van Gelre om Hendrik met Lathum te belenen. Hendrik van Baer, zoon
van Frederik IV van Baer, neemt de
met schulden belaste nalatenschap wel onder bepaalde voorwaarden over.
Daarmee komt Lathum wederom terecht in een jongere tak van het geslacht
Baer.
Als
wapen voert Hendrik een schuinbalk met een "H" op de balk. In 1342 treedt
Hendrik van Baer van Lathum als getuige op als zijn neef Frederik
V van Baer de (halve) gerichten van Velp en Oosterbeek verkoopt aan
de hertog van Gelre.
In 1355 wordt tijdens de twist
tussen de Bronckhorsten en de Heekerens het kasteel
te Lathum door Frederik V van Baer aangevallen, want Eduard belooft
Frederik V van Baer schadeloos te stellen voor de aldaar aangerichte schade.
Blijkbaar ondersteunt Hendrik van Baer van Lathum het kamp van de Heekerens.
Hoe dan ook, de schade is enorm, want het hele huis schijnt verbrand te
zijn. Het moge duidelijk zijn dat Hendrik van Baer van Lathum in deze
situatie niet als getuige voorkomt bij het huwelijk van Frederik
V van Baer met Cunegont van Meurs.
Rond 1360 komt Hendrik van Baer van Lathum voor als leenman van Bylandt.
Op 21 april geeft Hendrik van Baer van Lathum vier mark aan het stift
Oberndorf waarvoor zijn memorie op 21 april wordt
gevierd. Hendrik krijgt twee zonen: Walraven en Rycout.
Walraven van Baer, heer van Lathum, 1356-1385
In
1356 wordt Walraven, een zoon van Hendrik van Baer,
heer van Lathum, met het goed Lathum beleend. Walraven is getrouwd met
Aleid. Zij schenkt hem waarschijnlijk een zoon Frederick
en een dochter Catharina. Catharina zal non worden
in het klooster Gravendaal.
In 1368 getuigt hij bij de verloving van hertog Eduard
van Gelre. Hij voert een wapen met een schuinbalk bij deze gelegenheid.
In 1377 moet Walraven van Baer van Lathum bij de landvrede met Jan
van Blois en hertogin Machteld drie gewapenden
te paard leveren. In 1385 maakt hij huis en heerlijkheid samen met andere
goederen die zijn vader Hendrik heeft gekocht tot lijftocht voor zijn
vrouw Aleid. In 1393/4 komt Walraven te overlijden.
Aleid, vrouwe van Lathum, 1385-1386
Doordat het goed tot lijftocht voor Aleid gemaakt is, verdwijnt het
goed Lathum weer uit het geslacht Baer. Uit een eerder huwelijk heeft
Aleid een zoon, genaamd Johan Vullinck. In
1386 geven zij en haar zoon van een onbekend gebleven goed het recht van
wederkoop aan graaf Frederik II van
Meurs, heer van Baer.
Frederick van Baer, heer van Lathum, 1386-1410
Frederick van Baer, heer van Lathum, is vrijwel zeker een zoon van Walraven
van Baer, heer van Lathum. Bij zijn onbekende echtgenote verwekt hij
drie dochters: Catharina, Elisabeth
en Jutte. Jutte trouwt met Hendrik
Mom van Didam. Van Elisabeth is geen huwelijkskandidaat bekend.
In 1378 wordt Frederick beleend met het goed Dymmingdael
in Zelhem. In 1393 groeit zijn bezit met goederen bij Rhenen. Ook treedt
hij op als borgman in Diepenheim. In 1395 treedt in een verbond samen
met Dirk IV van Wisch en Frederik
van Bronckhorst tegen de stad Deventer.
Voor of in 1410 komt hij te overlijden. De oudste van zijn drie dochters,
Catharina, erft Lathum. Lathum komt nu in het geslacht Montfoort terecht.

Willem van Montfoort, heer van Lathum,
1413-1434
Catharina van Baer, vrouwe van Lathum,
trouwt met Willem van Montfoort, zodat het goed in dit geslacht komt.
Willem van Montfoort is een zoon van Hendrik,
burggraaf van Montfoort, en Oda van Polanen
(van der Lecke).
In 1432 overlijdt Catharina van Baer. Haar oudste van drie dochters: Oda
van Montfoort volgt haar op.
Tussen 1462-1468 overlijdt Willem van Montfoort.
Oda van Montfoort, vrouwe van Lathum, 1434-
1461
Tegen de zin van haar vader Willem van Montfoort
trouwt Oda van Montfoort met Dirk van Petershem,
heer van Obbicht en Haren. Uit dit huwelijk komen twee dochters; Katherina
en Oda. Na de dood van Diederick hertrouwt ze, eveneens
tegen de zin van haar vader, met jonker Jan van der Aa.
Ook uit dit huwelijk komen twee dochters voort, te weten Jehanna
en Agnes.
Waarschijnlijk overlijdt ze in 1461, in ieder geval overleeft ze haar
vader niet.
De strijd om de erfenis begint. De oudste dochter, Katharina, is getrouwd
met Willem I Dobbelsteyn
en hij zal definitief met Lathum worden beleend, zodat het goed in het
geslacht Dobbelsteyn terecht komt.
|
|