| |
 |
Heren van Wisch
op Oud-Wisch
Anno 1164
|
 |
Stephanus I de Wisge, 1164-1179
De heren van Wisch zijn afkomstig uit Westfalen en hebben zich mogelijk
vernoemd naar het dorp Wisch bij Billerbeck. Een andere inspiratiebron
voor hun naam (en die van het dorp?) is wellicht de groene weidegronden
aan de Berkel.
De heren zijn dienstmannen van de abdis van Vreden. Hun stamslot
in Heuven ten noordwesten van Terborg krijgt hun familienaam. In de
dertiende eeuw weet de familie vanuit de stand der dienstmannen op te
klimmen tot vrije edelen.
De eerste telg uit het geslacht Wisch waarvan melding wordt gemaakt is
Stephanus (I) de Wisge. In 1164 komt hij
voor onder de ministerialen van bisschop Frederik
van Munster. Hij staat als getuige genoemd tussen Bernardus
de Dulmene en Arnoldus de Billerbeke.
Stephanus (I) komt in een onnauwkeurig (1152-1168) gedateerde oorkonde
nogmaals voor.
Sweder van Wisch, 1179-1207
De mogelijke zonen van Stephanus I zijn
Sweder (Sueterus) en Berend. Zij zijn, evenals
andere grote heren uit de omgeving, betrokken bij de stichting van het
klooster Betlehem bij Gaanderen. Hierbij treden zij niet op als heren
van Wisch, maar als markegenoten in Doetinchem.
Berend is waarschijnlijk de oudste van de twee broers, maar na 1180 wordt
niets meer van hem vernomen, zodat hij in of kort na dit jaar moet zijn
overleden.
Wisch is een van de vier bannerheerlijkheden.
De heren van Wisch zullen in de loop van de Middeleeuwen berucht worden
als roofridders. Deze term is wat merkwaardig, omdat rooftochten
tussen de lokale heren wel vaker voorkomen. Het succes van de heren van
Wisch, niet voor niets de "stoutste" (dapperste) van de vier bannerheren
in het rijmpje, legt de nadruk
op hun militaire prestaties.
In 1188 komt Wisch voor op een lijst van bezittingen van de graaf Van
Dalen; "in parochia Dotinchem prope Wische".
In 1196 komt Sweder van Wisch voor onder de "homines
tam liberi quam ministeriales" van de graaf
van Gelre bij het vredesverdrag
tussen Brabant en Gelre. Sweder staat tussen de "liberi"
en is daarmee een vrij man. Welk leen hij van de graaf heeft blijft onbekend.
In 1200 wordt Sweder in een Betlehemse oorkonde genoemd, nog voor de heren
van Dinden, Bronckhorst en Borculo.
De Groot vermoedt
dat Sweder in of kort na 1207 is overleden. Zijn zoon Stephanus
(II) volgt hem op.
Stephanus II de Wisge, 1207-1234
In 1207 blijkt de "castellanus"
(kasteelheer) van Wisch zich in zijn omgeving als een dwingeland te gedragen.
Mogelijk gaat het om Sweders zoon en opvolger
Stephanus (II) die dan "castellanus" van Wisch is geworden.
In dat jaar belet de castellanus de boeren van het goed Mullinc (bij Hengelo)
hun werk uit te voeren. Het klooster St. Pantaleon in Keulen, de bezitter
van Mullinc, is niet bij machte om de kasteelheer tot de orde te roepen.
Het klooster lost de problemen op door Mullinc aan het meer nabij gelegen
klooster Betlehem te verpachten en zo het probleem van de lastige kasteelheer
af te schuiven.
In 1254 komt Stephanus (II) na zijn dood voor in een oorkonde, waaruit blijkt dat hij het huis Barlo aan zijn dochters heeft gegeven, zodat ze in klooster Asbeck mogen intreden. Stephanus
(II) de Wisge is volgens De
Groot vermoedelijk de vader van Dirk I. Stevens
zuster trouwt in zijn reconstructie met Hendrik
I van Gemen, zodat er een nauwe verwantschap is met de heren van Gemen.
Van Stephanus II zijn twee dochters bekend, die beide in het klooster
van Asbeck intreden. Hij schenkt beide het goed Barlo als intredegift.
In of voor 1234 is Stephanus II overleden, want dan treedt zijn vermoedelijke
zoon Dirk I op als heer van Wisch.
Dirk I van Wisch, 1234-1285
 Dirk
I (Theodericus) wordt als eerste in de reguliere
stamboom van Wisch opgevoerd. Het blijft onbekend of hij een (klein)zoon
is van Sweder of Berend. De
heerlijkheid van Dirk I beslaat slechts een gedeelte van de parochie Etten
en is veel kleiner dan de huidige gemeente Wisch.
Op 1 februari 1234 treedt Dirk I als getuige op voor de bisschop van Utrecht.
Uit zijn huwelijk met Herburgis worden twee zonen
en een dochter geboren: Steven (I), Johan en Jutta (Judith).
Steven I zal zijn vader opvolgen, terwijl voor Johan een
nieuwe burcht gebouwd wordt. In deze tijd wordt al een aanzet gegeven
tot de unieke tweeherigheid van Wisch.
In 1250 komt Dirk I in drie oorkondes als ministeriaal voor en (nog) niet
als edelman.
Dirk
I is rijk genoeg om ridder te zijn en eigen ministerialen in dienst te
hebben. Zijn wapen is het oudst bekende wapen van Wisch. Het in 1274 gevoerde
wapen heeft een effen groenen hartschild op een gouden schild, omzoomd
door acht rode merletten (merels). Dit wapen lijkt op dat van de heren
van Kuyc en in mindere mate op die van de graven van Lohn,
waarin drie merletten voorkomen. De kleuren zijn zoals ze gevoerd worden
tijdens de slag bij Woeringen en zoals ze later zijn opgetekend door de
heraut Gelre. Het groene hartveld zal ingegeven zijn door de naam "Wisch"
(weide), waardoor het een sprekend wapen wordt.
Mogelijk neemt Dirk I dit wapen over van zijn vrouw Herburgis. Lohn
heeft immers in die tijd meer aanzien dan de familie Wisch. Een manier
om de afkomst uit een bepaalde familie te laten zien is het vermeerderen
van de stukken die op het wapen voorkomen. De heren van Wisch zijn heraldisch
gesproken verwant aan de graven van Lohn.
Het wapen is te vinden op een zegel aan een oorkonde uit 1244, waarin
Dirk I samen met Henricus de Monte getuigt.
Steven I van Wisch 1285-1329
Een huwelijkscontract
In 1261 wordt Steven (Stephanus) I op zeer jonge leeftijd gebonden aan
een zeer merkwaardig huwelijkscontract.
Dit contract wordt gesloten door zijn vader Dirk I
met Hendrik III van Borculo.
Deze is een halfbroer van graaf Herman
II van Lohn.
Hier is duidelijke sprake van huwelijkspolitiek voor twee nog niet huwbare
kinderen, waarbij financiële
en politieke belangen voorop staan. Jutta, de dochter van Dirk I zal trouwen met Hendrik IV van Borculo en Steven I zal trouwen met Jutta van Borculo.
Uit het feit dat Otto II van Gelre
als getuige optreedt, blijkt dat de wederzijdse vaders op goede voet met
Gelre staan. Deze goede relatie zien we bevestigd wanneer Dirk
I negen maanden voor dit huwelijkscontract optreedt als getuige bij
een huwelijkscontract tussen Gelre en Kleef.
Een rijk nageslacht
 Op
huwbare leeftijd gekomen trouwen Steven I en Jutte van Borculo
inderdaad met elkaar. Jutte krijgt als huwelijksgift de helft van het
gericht in Eibergen en mogelijk de helft van Juckenberge (Haaksbergen?)
mee. Het paar krijgt vele kinderen, zes zonen: Hendrik
(I), Dirk (II), Sweder,
Steven (II van Roderlo?) (voor
1337 overleden), Bernardus (kanunnik van
Sint Marie in Utrecht) en Johan, waarvan
de eerste de titel heer van Wisch zeker zal dragen, en mogelijk twee dochters:
Agnes en Herburg. Herburg
trouwt waarschijnlijk rond 1320 met Evert
IV van Ulft.
In 1278 staat Steven I als getuige tussen naaste bloedverwanten en vrienden
van de graaf van Lohn. In 1288
vecht hij mee in de slag
bij Woeringen.
In 1295 wordt Steven I voor het eerst heer van Wisch genoemd. Hij zegelt
met een wapen waarop wisselend zes of acht merletten staan. Ook heeft
hij een zegel waarbij in het hartschild een leeuw wordt gevoerd. In 1299
blijkt hij in Gelre carrière te hebben gemaakt als dapifer
(drost) van de graaf van Gelre en
in 1306 is hij diens raad.
In 1317 verdeelt Steven I zijn nalatenschap onder zijn kinderen, waarbij
Hendrik I, de oudste zoon, als opvolger
wordt aangewezen. De nalatenschap bestaat onder andere uit diverse goederen
in Doetinchem, goederen in Silvolde, twee hoven bij Emmerik, goederen
bij Etten met bijbehorend benoemingsrecht van de pastoor van de kerk aldaar
en goederen in Groenlo, Twente, Vreden en Overhagen
in Velp.
Na 13 juni 1329 zal Steven I overlijden. Zijn zoon Hendrik
I van Wisch, die sinds 1323 het nieuwe
kasteel bewoont, volgt hem op als heer van Wisch.
Hendrik II van Wisch, 1369-1387
Hendrik II is waarschijnlijk een zoon van Dirk
III van Wisch. Wanneer Steven II
in 1369 een onmondige zoon achterlaat treedt Hendrik II op als heer van
Wisch. Hij gaat op het stamslot
wonen. In 1372 nemen Hendrik II, Gijsbert
V van Bronckhorst-Borculo en Peter van
Steenbergen Arnhem in voor Willem van Gulik,
die samen met zijn broers Robert
en Dirk tot de Gulikse partij behoort.
Hendrik II is gehuwd met Elisabeth van
Bronckhorst en na haar dood hertrouwt hij met haar zuster Catharina
op 15 juni 1381. Beide zijn dochters van Willem
IV van Bronckhorst en Cunegonde
van Meurs. Bij Elisabeth verwekt Hendrik II een zoon: Hendrik
(III) en bij Catharina twee dochters: Henrica
en Elisabeth. Henrica zal in 1415 trouwen
met graaf Diederik van Limburg-Bruch
en Elisabeth trouwt in 1409 met Johann van
Volmestein. Na de dood van Hendrik II zal Catharina hertrouwen met
Hendrik III van
Gemen.
Beiden zijn zusters van Willem IV
van Bronckhorst. De politieke banden met het geslacht
Bronckhorst worden op deze wijze stevig aangehaald. Rond deze tijd
laat Hendrik II een kapel bij het kasteel bouwen. In 1382 wordt de kapel,
met patroonheilige Sint-Georgius (Sint-Joris), verheven tot parochiekerk.
Het grondgebied van de heer van Wisch wordt nu afgescheiden van het kerspel
Etten. De kapel vormt tegenwoordig het hoge, achterste deel van de Nederlands
Hervormde kerk te Terborg.
Wanneer
neef Dirk IV in 1385 meerderjarig wordt,
is er opnieuw strijd
in Gelre. Een unieke tweeherigheid van
de bannerij is het gevolg; Dirk IV gaat nu samen met zijn oom Hendrik
II de bannerij besturen. De krachtige en eendrachtige regering van Hendrik
II en Dirk IV verloopt bijzonder voorspoedig
voor de bannerheerlijkheid Wisch.
Sommige bronnen beweren dat de tweeherigheid een gevolg is van een bloedige
broedertwist! Niets is minder waar. We hebben hier niet te doen met een
paar koppige broers, maar met een verstandige oom en een volgzame neef.
Hendrik II overlijdt voor 25 februari 1387. Zijn zoon Hendrik
III treedt als heer van Wisch in zijn voetsporen.
Hendrik III van Wisch, 1387-1448
Van 1394 tot 1397 treedt Hendrik III samen met Dirk
IV op als ambtman in de Liemers. In 1416, 1422 en 1433 wordt Hendrik
III genoemd als drost en rentmeester van Gelre. In 1452 behoort hij als
richter tot de ommestand van de stad Arnhem.
In 1425 is Hendrik III als landdrost betrokken bij het nieuwe tracé
van de Hetterse dijk. Als landdrost zorgt hij er voor dat Gelre meebetaald
aan de kosten en verdeeld hij de kosten over het kwartier Zutphen.
In 1419 schenkt Hendrik III samen met Dirk
IV stadsrechten aan Terborg. Ook maken ze samen deel uit van de Raad
van Zestien, wanneer hertog Arnold van Gelre
nog minderjarig is. In 1430 beschikt Hendrik III over een eigen kamer
in kasteel Rosendael, de residentie van de hertog van Gelre. Ook hij geniet
dus veel vertrouwen van de hertog. Hij wordt in 1435 burger van Zutphen,
waarvoor hij moet betalen.
Zijn hertogelijke benoeming tot hertogelijke landdrost wil niet zeggen
dat Hendrik III voortdurend partij voor de hertog kiest. Integendeel,
in 1418 en 1436 is Hendrik III mede-ondertekenaar van het verbond tegen
de hertog.
Hendrik III trouwt met Irmgard van Sayn-Witgenstein.
Zij krijgen vier zonen: Hendrik (IV), Dirk
(V), Johan (II), Gijsbert
en een dochter: Agnes. Agnes trouwt met Gijsbert
II van Bronckhorst-Batenburg. De eerste drie zonen zullen in volgorde
van geboorte als heer van (half) Wisch optreden. Daarnaast is nog een
bastaardzoon van Hendrik III bekend: Bernt
van Ligtenberg. In 1462 krijgt hij een miniatuur heerlijkheid toegewezen.
Bernt 'Onkruyt' maakt ook carrière aan het Gelderse hof, want in
1466 treedt hij op als ambtman van Rosendaal.
Op 10 januari 1448 komt Hendrik III te overlijden.
Hendrik IV van Wisch, 1448-1460
Van 1449 tot 1460 is hij, evenals zijn vader, drost en rentmeester van
Gelre. In 1449 wordt hij beleend met kasteel de Wildenborch, gelegen tussen
Lochem en Vorden.
Hendrik IV trouwt met Jutte, dochter van Johan
(I) van Raesfeld van Schuilenburg en Elsabé
van Middachten. Dit huwelijk brengt geen kinderen voort.
Op 31 mei 1460 komt het echtpaar tijdens de terugreis uit Palestina te
overlijden. Hendrik III's broer Dirk V volgt hem
op.
Dirk V van Wisch, 1460-1464
Dirk V is de broer van Hendrik IV en volgt deze
in 1460 op als heer van Wisch. Dirk V blijft ongehuwd tot zijn dood in
1464.
Johan II van Wisch, 1464-1517
 De
derde broer die vervolgens heer van Wisch wordt is Johan. Uit zijn huwelijk
met Margaretha van Ketteler komen twee
zoons voort: Hendrik (V) en Gijsbert.
Johan vertoeft regelmatig op zijn kasteel Wildenborg bij Vorden. Daar
gedraagt hij zich als een roofridder en stroopt hij geregeld De Graafschap
af. Uitstapjes naar Overijssel komen ook voor. De Wildenborg wordt regelmatig
belegerd om hem tot andere gedachten te dwingen. In 1490 door Zutphen
en Deventer en in 1506-1508 driemaal door hertog Karel
van Gelre en de stad Zutphen. Tevergeefs, want de Wildenborg, midden
in de moerassen gelegen, is vrijwel onneembaar. In 1512 verzoent Johan
van Wisch zich met zijn wettige gezag.
Hendrik V van Wisch, 1517-1519
In 1495 trouwt Hendrik V met Walburga van den Bergh,
de jongste dochter van graaf Oswald I
van den Bergh. Hendrik V hoopt met dit huwelijk de verloren halve heerlijkheid
weer bij het Huis Wisch te voegen. Het jonge paar vestigt zich op het oude
goed Wisch te Heuven. Uit het
huwelijk worden twee kinderen geboren, Joachim en
Ermgard. Graaf Oswald I houdt echter het huis Wisch te Terborg en zijn
zoon Frederik erft het wanneer Oswald I overlijdt.
Ermgard trouwt met graaf Georg van Limburg-Stirum.
Zij erven het kasteel Bronckhorst van graaf Joost
van Bronckhorst-Borculo.
Joachim van Wisch, 1519-1544
Moeilijkheden met Bergh
Joachim is de bekendste telg uit het geslacht Wisch. Hij wordt ook wel
het onrustige kind van Wisch genoemd. Op zeer jeugdige leeftijd onderneemt
hij een reis naar Frankrijk om daar Waals te leren. Hij staat dan op goede
voet met hertog Karel van Gelre. Hertog Karel beschermt Joachims goederen
tijdens zijn afwezigheid. Als Joachim een jaar later terugkeert, ontstaan
de moeilijkheden tussen Wisch en Bergh.
Het begint met een geschil tussen Joachim en zijn moeder Walburga van
den Bergh over de nalatenschap van de jong overleden graaf Frederik van
den Bergh, heer van Hedel. Graaf Frederik van Bergh is een broer van Walburga
van den Bergh, maar hij heeft haar voor zijn dood onterfd. Toch meent
Joachim enige aanspraken via zijn moeder Walburga
te hebben. Hij wil graag het goed Wisch herenigen. Joachim is inmiddels
gehuwd met gravin Margaretha van Salm, die
hem geen kinderen schenkt.
In het jaar 1525 overlijdt een oom van Joachim, Gijsbert
van Wisch. Joachim komt hierdoor in het bezit van Overhagen
bij Velp.
In 1528 ontvangt Joachim een aanstelling tot veldheer en bevelhebber in
het Overkwartier. Om verschillende redenen, zoals het eerder vermelde
testament van Frederik, ontstaan er grote moeilijkheden tussen Joachim
en de graaf Van Den Bergh.
Roofridder op de Wildenborg
 Vanuit
de hem toebehorende Wildenborg terroriseert Joachim de Zutphense en
Deventer kooplieden. In 1523 is de relatie van Joachim met de hertog
zo slecht dat deze een vaste bezetting op de Wildenborg legt en het
gedeeltelijk laat afbreken. De twist met Bergh neemt dan zulke scherpe
vormen aan, dat Joachim in 1528 het 'nieuwe'
kasteel in Terborg laat plunderen en verwoesten. Alleen een ronde
toren blijft staan.
Hertog Karel van Gelre probeert Joachim met brieven en vermaningen tot
rede te brengen. Joachim is hier niet vatbaar voor en de twist escaleert.
Joachim en zijn trawanten blijven het gebied van Bergh brandschatten.
Joachim weet zelfs Johan
I van Raesfeld-Swanenburg, de heer van het slot Swanenburg
bij Gendringen, dat leenroerig is aan Bergh, op zijn hand te krijgen.
Uiteindelijk neemt hertog Karel forse maatregelen. Hij laat in 1531 Terborg
belegeren door zijn beruchte legeraanvoerder Maarten
van Rossum. Het stadje valt op 20 mei in handen van Van Rossem, maar
Joachim slaagt erin te vluchten. Sindsdien zijn de hertog en Joachim vijanden.
De aloude goede verhouding Gelre-Wisch is voorgoed verleden tijd.
Geslacht Wisch sterft uit
Er vinden vele pogingen tot verzoening plaats, maar pas na Karels dood
in 1539 verschijnt Joachim weer in de vergadering van de Geldersche landschapstafel.
Drie jaar later in 1544 overlijdt ook Joachim op 45-jarige leeftijd. Hij
sterft in het huis 'den Rooden Tooren' te Zutphen aan een beroerte. Hij
wordt bij zijn voorvaderen begraven in het klooster Betlehem.
Met het overlijden van de laatste heer valt het doek over het geslacht
Wisch, dat nu definitief uitgestorven is. Na de dood van Joachim krijgt
zijn zuster Ermgard van Wisch het goed, maar zijn
moeder Walburga van den Bergh krijgt na een proces
in 1547 het vruchtgebruik.
|
|