 |
Heren van Schuilenburg
Anno 1326
|
 |
Herkomst
De geschiedenis van de heren van
Schuilenburg is er een met gaten en hiaten. De eerste bouwwerk met
de naam Schuilenburg die in de bronnen voorkomt is de motte
in de buurt van Almelo. Op deze site wordt aangenomen dat de eerste heren
van Almelo nauw verwant of identiek zijn met de graven van Altena. De
naam Schuilenburg komt mogelijk via Altena en Oldenburg bij Christina
van Ulft terecht.
Met enige moeite kan een plausibele
stamboom van de heren van Schuilenburg worden vastgesteld. De problemen
worden veroorzaakt, doordat de heren van Schuilenburg zich naar het belangrijkere
goed Ulft noemen. Gestaafd door feitelijke
documenten wordt deze aanname niet, maar de chronologie van namen komt
wonderwel overeen met die van het huis Ulft.
Middels heraldische ondersteuning en combinaties van bijzondere voornamen
kan een voorlopige
stamboom geconstrueerd worden.
Op deze site wordt ook aangenomen dat het goed Schuilenburg aanvankelijk
tot de erfenis van Christina
van Ulft behoort. Van het dan nog onverdeelde goed is Evert
III van Heekeren de eerste heer. Evert
IV van Ulft zal zijn vader opvolgen, maar moet de Swanenburg
aan zijn broer Willem I
laten. Na Evert IV's dood in 1348 wordt de boedel nogmaals verdeeld. Evert
IV's zoon Evert krijgt dan de Schuilenburg
als zelfstandig goed toebedeeld.

Evert van der Sculenborg, 1348-1359
Evert is de eerste die met de toevoeging
Schuilenburg wordt genoemd. Hier wordt voorlopig aangenomen dat Evert
een zoon is uit het tweede huwelijk van Evert
IV van Ulft met Herburgis van Wisch.
Evert trouwt met Frederica van Bevervoorde
en het huwelijk wordt gezegend met drie zonen: Sweder
(I) , Simon I en Johan.
Evert komt in de bronnen enkele keren voor. Hij is op 27 maart 1351 getuige
bij een verzoening tussen zijn neef Serijs
Janszoon van Baeck en de graaf
van Gelre. Bij die gelegenheid draagt Serijs enkele goederen in het
gebied van Bredevoort over
aan de graaf. In 1359 is Evert met vele anderen aanwezig bij de landvrede
tussen Gelre en Kleef.
Mogelijk is Evert kort na het sluiten van de landvrede overleden, want
na 1359 wordt niets meer van hem vernomen. Zijn zoon Sweder
(I) volgt hem op.
Sweder (I) van Sculenborg, 1359-1362
De
volgende heer van Schuilenburg die dan in de bronnen voorkomt, is Sweder
van Sculenborg. De naam Sweder komt voor in het geslacht Wisch
en ondersteunt de hypothese dat Sweder's
grootmoeder uit het geslacht Wisch stamt.
Dit
vermoeden wordt versterkt door het wapen dat Sweder voert; drie zilveren
gaande leeuwen op een veld van keel. Het wapen van Wisch ziet er bijna
eender uit, maar dan met een leeuw minder. Het is bekend dat jongere takken
van een geslacht de gevoerde kleuren wijzigen en/of de stukken op het
wapen vermeerderen of verminderen.
Mogelijk overlijdt Sweder niet lang na zijn vader, waarna zijn broer Simon
I de nieuwe heer van Schuilenburg wordt.
Simon I van Sculenburg, 1362-1381
Simon roert zich flink in De Graafschap. Hij is de strijdmakker van zijn
neef Evert V van Ulft. In
de partijenstrijd blaast
Simon I een partijtje mee.
Mogelijk leidt de deelname aan de strijd, gelijk als bij
huis Ulft, tot grote schulden en moet Simon I om zijn schulden te
lossen zijn goed in pand aan Hendrik
II van Wisch geven, die mogelijk de honneurs waarneemt voor de minderjarige
Dirk IV van Wisch.
Aangenomen wordt dat Simon I de vader is van Sweder
(II) van Schuilenburg. Simon I komt tot 1380 in de bronnen voor. Vanaf
1381 wordt Sweder (II) als heer van Schuilenburg
genoemd, zodat aangenomen kan worden dat Simon I rond 1380/1 is overleden.
Sweder (II) van Sculenburg, 1381-1394
Een voordelig huwelijk
Over
Sweder II is gelukkig meer bekend. Hij komt van 1378 tot 1406 in de bronnen
voor.
In 1378 blijkt hij getrouwd te zijn met Hadewig
van Almelo, dochter van Albert van Almelo
en Jutte. Hadewig is de erfgename van Ter
Molen (bij Hellendoorn). Dit strategisch gelegen kasteel aan de Regge
neemt in de bronnen de naam Schuilenburg over, hetgeen voor verwarring
zorgt.
Het paar krijgt een zoon Symon (II)
en een dochter Grete en nog een onbekende
zoon en dochter. Grete trouwt voor 1424 met Johan
van Asbeke, want in 1424 treden ze samen in een akte op.
Schuilenburg
wordt verwoest
Sweder II heeft niet lang plezier van zijn nieuw verworven kasteel.
In 1381 eist hij genoegdoening van de Utrechtse bisschop Floris
van Wevelinkhoven (1378-1393) voor het ophangen van twee van zijn
dienaren. De bisschop neemt geen halve maatregelen tegen de opstandige
edelman en bijgestaan door Deventer en Zwolle wordt Ter Molen met de grond
gelijk gemaakt.
In 1394 gebeurt er iets merkwaardigs, want Sweder II's achterneef Dirk
IV van Wisch verwoest het kasteel Schuilenburg. Vermoedelijk steunt
Sweder de partij der Heekerens, terwijl van Dirk
IV van Wisch bekend is dat hij tot de partij der Bronckhorsten
hoort. Deze partijenstrijd
snijdt vaker dwars door families. Mogelijk is de ontrouw van Sweder II
Dirk IV een doorn in het oog.
Zo gaan beide huizen in korte tijd na elkaar in vlammen op en rest Sweder
II niets dan as.
Evert V van Ulft, 1394-1410
Het verlies van beide huizen heeft mogelijk gevolgen voor de bezittingen
van Sweder II. Mogelijk is hij na het geweld van Dirk
IV het Achterhoekse deel van zijn goed definitief aan Wisch kwijtgeraakt.
Sweder II verhuist dan noodgedwongen naar Ter Molen.
Waarschijnlijk heeft Dirk IV na de verwoesting Evert
V van Ulft als naaste verwant van Sweder (II) als leenman op de Schuilenburg
geïnstalleerd. Aangenomen kan worden dat dat met een opdracht van
herstel geschiedt.
Op 24 juli 1407 belooft Evert V onder de naam Schuilenburg een goed in
de buurschap Oer binnen vijf jaar terug te kopen van Bernt
"Onkruyt" van Wisch, een bastaardzoon uit het huis Wisch. Deze transactie
zal verband houden met de schuldenlast
van Evert V.

Symon II's handelingen in De Graafschap
Tussen 1406 en 1412 volgt Symon II zijn vader in Salland op. In 1412
doet hij afstand van zijn eigen en zijn vaders aanspraken op het goed
Veldhunten (nabij Ulft). Dit goed hebben de Schuilenburgs
in leen van Luysse van Hönnepel en
der Empel. Symon II verzoekt Luysse om Henrick
van Aerde ermee te belenen. Voor wat hoort wat. Uit deze actie blijkt
in ieder geval dat Symon II op het stamgoed actief is.
Symon II richt zich volledig op het Oversticht en maakt daar carrière.
Hij is maarschalk en kapelaan van de bisschop van Utrecht geworden.
Overigens dient hij op 4 juli 1392 als opperleenheer met al zijn leenmannen
en andere mannen aan te treden op verzoek van Johan
van Aeswijn. Symon II heeft het goed Kilder (ten
zuidwesten van Doetinchem) gekocht
van Steven van Helbergen en diens zoon Willem.
Steven wordt hiervoor door Johan van Aeswijn vrijgemaakt van de leenband
die op dit goed rust. Blijkbaar is Johan van Aeswijn hier leenheer. Kilder
wordt hierdoor een vrij goed.
Vreemd is deze actie wel, want eigenlijk is zijn vader Sweder
(II) opperleenheer. Maar mogelijk heeft hij rond die tijd zijn rechten
aan zijn zoon moeten overdragen.
Symon II trouwt met Euphemia die hem een zoon Dirk
en een dochter Agnes schenkt. In 1449 zal
Symon II op de terugreis van Palestina overlijden. Zijn nageslacht zal
nooit meer op de Schuilenburg in de Achterhoek terugkeren, al houdt Dirk
er tot 1467 wel aanspraken op.
Johan van Homoet, 1430-1452
Van Wisch naar Raesfeld
Door het overlijden van Dirk IV van Wisch
komt Schuilenburg in 1425 bij diens dochter Stevina
van Wisch terecht. Zij is getrouwd met Henrick
I van Homoet en heeft een zoon Johan.
Op 7 december 1425 erkent dit drietal samen met Bitter
van Raesfeld (Rasefelt) dat wijlen Dirk
IV op 14 november 1424 Schuilenburg in leen heeft gegeven aan Johan
(I) van Raesfeld ( 1452), op voorwaarde dat het een leen blijft
van (dochter) Stevina.
Op 1 januari 1430 wordt Johan van Homoet met kasteel
Schuilenburg beleend en op 26 juni van dat jaar krijgt hij het volledige
bezit van zijn moeder Stevina toebedeeld. Via Johan erft de Schuilenburg
op Henrick II van Homoet.
Hendrik IV van Wisch, 1452-1459
Van Raesfeld naar Middachten
In 1452 erft Jutta van Raesfeld de Schuilenburg
van haar ouders Johan (I) van Raesfeld en Elsebe
van Middachten. Jutta is getrouwd met Hendrik
IV van Wisch. Het merkwaardige is nu dat de oude
lijn van Wisch een goed in leen heeft van de jonge
lijn. Als in 1459 Hendrik IV en Jutta van Raesfeld overlijden op
reis naar het Heilige Land vererft de Schuilenburg op Jutta's moeder Elsebe
van Middachten.
Eigendomsperikelen
Hendrik IV's broer Dirk V van Wisch
erkent de rechten van Elsebe van Middachten niet. Hierop laat het geslacht
Middachten (uit De Steeg bij Arnhem) in 1464 gerechtelijk weten aandelen
te hebben in de Schuilenburg. Op 31 mei laten enkele zonen van Elsebe
van Middachten: Jan, Arend
en nog een Jan weten dat zij via hun moeder
aandelen in Schuilenburg bezitten. Mogelijk is hun moeder in de tussentijd
overleden en wensen zij hun rechten wel erkend te hebben.
Op 1 juli verkopen de kinderen van Middachten hun rechten aan hertog Arnold
van Gelre. Nog drie transacties volgen. Na 1 juli, 24 augustus en
20 december 1464 hebben de kinderen van Middachten afstand gedaan van
alle Schuilenburgse goederen, gelegen op Berghs en Gelders grondgebied.
Henrick II van Homoet, de leenheer van Schuilenburg, heeft zijn rechten
echter verkocht aan hertog Johan I van Kleef.
Die kan het kasteel wel gebruiken om het graafschap Bergh binnen te vallen.
Ruilmiddel tussen Gelre en Kleef
In 1464 krijgt hertog Arnold moeilijkheden met hertog Johan I van Kleef
over het bezit van kasteel Schuilenburg.
Op 4 februari 1467 verzoent hij zich met Johan I door zijn rechten op
de Schuilenburg aan hem over te dragen. De goederen op het Gelderse grondgebied
zijn echter van de ruil uitgesloten.
Ambtmannen van Kleef op de Schuilenburg
Na
deze ruil besluiten de overige eigenaren van de Schuilenburg, te weten
Goossen van Raesfeld, Luitgard
van Raesfeld en Dirk van Sculenborg op
23 februari hun rechten ook op Johan I van Kleef over te dragen.
Dirk keert terug naar Ter Molen, waar hij
het Schuilenburgse bloed doorgeeft aan zijn zonen Simon
en Hendrik en zijn dochter Hadewig.
In 1492 zal Dirk, net als zijn vader, overlijden op de terugreis van Palestina.
Het kasteel is in 1467 zonder bewoners volledig Kleefs bezit geworden
en zijn de oorspronkelijke bewoners van hun stamslot verdwenen. Er verschijnen
nu Kleefse ambtmannen op de Schuilenburg.
|