|
|
Herman II, 1017-1024
Graaf in de pagus Westfalen
Herman van Emmerik
Een moeilijk te beantwoorden vraag is wie de ouders zijn van graaf Godschalk
(I) van Twente. De status van Godschalk (I)'s echtgenote Adelheid,
een achterkleindochter van keizer Otto II en erfgename van Zutphen, doet
vermoeden dat Godschalk (I) ook van goede komaf is. Het eerste licht in
deze puzzel komt uit een valse oorkonde waarin Godschalk (I) een schenking
van zijn vader bevestigt van goederen in Zevenaar aan de kerk in Emmerik.
Emmerik behoort in die tijd tot het bisdom Utrecht, want de grens tussen
Keulen en Utrecht wordt gevormd door de Rijn en de Löwenberger Landwehr.
De passage luidt: "Ego Godescalcus comes Zuetfanie
notum facimus memorie post(er)orum, quod felicis recordationis Hermannus
comes pater noster...". Hieruit kan opgemaakt worden dat de
goederen ter herinnering aan zijn vader Herman zijn bedoeld. De oorkonde
stamt niet uit de eerste helft van de elfde eeuw, zoals de vervalser wil
laten geloven, maar is mogelijk in de twaalfde eeuw opgesteld om de rechten
van de kerk in Emmerik in Zevenaar te "bewijzen". Dit sluit
niet uit dat de namen en plaatsen die worden genoemd correct zijn.
Godschalk (I)'s vader heet dus Herman en is graaf. Bovendien wordt bisschop
Bernold van Utrecht
(1026/7-1054) in de oorkonde genoemd, zodat Herman in deze periode moet
zijn overleden. Over Godschalk (I)'s moeder is niets overgeleverd.
Herman van Lek
en IJssel?
In 1036 schenkt Koenraad II goed "in pago
Eittheri situm in comitatu Erimanni" aan het klooster in Werden.
Wisplinghof
vermoedt dat deze "Erimanni" dezelfde is als Herman 'van Emmerik',
waarbij hij opmerkt dat Herman niet tot de aanzienlijkste edelen behoort.
Hij plaatst hierbij Eiteren in het graafschap Nifterlake
en niet in het graafschap Lek-en-IJssel. De vereenzelviging
van Herman 'van Lek-en-IJssel' met Herman 'van Emmerik' is waarschijnlijk
onjuist. Zo'n obscure vader geeft Godschalk
(I) niet de edele status die hij nodig heeft om de Ottoonse kleindochter
Adelheid te huwen, tenzij Herman 'van Lek-en-IJssel' niet zo onbekend
is als algemeen gedacht wordt. Mogelijk is hij tegelijkertijd burggraaf
van Utrecht en graaf-voogd in de graafschappen Lek-en-IJssel en Opgooi.
Van
Winter zoekt op haar beurt Herman in Westfalen. Om Herman 'van Emmerik'
beter te duiden dienen enkele excursies over de moderne landsgrenzen gemaakt
te worden, te beginnen in Westfalen.
Een excursie naar pagus Westfalen
Hermans zoon Godschalk (I)
wordt vermeld als graaf in de pagus Westfalen.
Deze pagus bestrijkt een enorm gebied, waar Dortmund, Gemen (bij Borken),
Dülmen, Arnsberg en Lüdenscheid toe behoren. De pagus beslaat
het gebied tussen Ruhr en Lippe tot noordelijk aan Borken toe. De voorganger
van Godschalk (I) in deze pagus heet inderdaad (of toevallig?) Herman,
maar interessanter is vooralsnog diens voorganger.
Herman 'van Emmeriks' voorganger heet Liudger
(of Liutger) en is een zoon van Herman
I, hertog van Saksen. Liudger komt in 1001 voor als graaf in "pago
Westfalon". De pagus Westfalen behoort waarschijnlijk tot
het Billungse erfgoed. Behalve graaf in de pagus Westfalen is Liudger
ook graaf in Engern. Liudger is rond 990 getrouwd
met Emma een dochter van Immed,
graaf van de Veluwe, en Adela van Hamaland.
Over
de gezinssamenstelling van Liudger en Emma is vooralsnog niets concreets
overgeleverd. In de literatuur worden aan Liudger en Emma twee kinderen
toegeschreven: Immed, bisschop van Paderborn
(1051-1076), en een van naam onbekende dochter.
Helemaal onomstreden is dit niet.
Bisschop Immed wordt vermeld als "sororius"
van bisschop Meinwerk van Paderborn,
de broer van Emma. Een kanttekening bij filiatie van Immed is de tijdspanne
waarin Immed optreedt als bisschop. Bij zijn wijding in 1051 moet hij
dertig jaar oud zijn, zodat hij voor 1021 moet zijn geboren. Immed is
dus eigenlijk een tijdgenoot van Godschalk
(I) in plaats van Herman. Liudger overlijdt in 1011, waarna Emma
grote delen van haar bezit aan het bisdom
Bremen vermaakt. Mogelijk is Herman 'van Emmerik' dan nog minderjarig.
Als aanname wordt op deze site Herman 'van
Emmerik' voorlopig als zoon van Liudger
en Emma gezien. Hij is vernoemd zijn
naar opa Herman I van Saksen,
zodat hij op deze site door het leven zal gaan als Herman II.
Met deze aanname krijgt Herman II zijn goed in Zevenaar dan via zijn moeder
uit de Hamalandse erfenis. Zijn relatie met Emmerik is waarschijnlijk
via dezelfde weg te verklaren. Wichman
(IV) van Hamaland bezit in het midden van de tiende eeuw in Emmerik
als een eigen hof.
Herman II heeft behalve een rijksaristocratische Hamalandse afkomst, ook
een Saksisch hertogelijke achtergrond. Herman II's zoon Godschalk
(I) krijgt zo genoeg allure om een keizerlijke achterkleindochter
te kunnen trouwen.

Herman in pagus Westfalen
Er is een ongebroken lijn van Liudger
naar Godschalk (I) aan
het licht gekomen. In de jaren 1017 tot 1019 komt er kortstondelijk een
Herman voor als graaf in pagus Westfalen!
In 1017 schenkt Hendrik II "curtem Gamini
dictam, quam eadem regina predicte ecclesie contulit, sitam in pago Wesualorum
in comitatu Hermanni comitis" aan het nonnenklooster Nordhausen.
Ook in 1017 schenkt de keizer "in comitatu
Herimanni comitis: in Dulmine mansum unum, in Nienhem mansum I, in Situnne
mansum I, in Halostron mansum I, in Berchalostron mansum I, in Lehembeke
mansum I, in Horlon mansum I" aan de kerk in Paderborn. In
1019 schenkt hij "praedium Herbete dictum,
quod nobis Eccehart dedit, in comitatu Heremanni et in pago Westfalo-heriscefse
situm" aan het nonnenklooster Kaufungen.
Daarnaast zijn er nog vermeldingen van een Herman in de aangrenzende Dreingouw
(1019) en in Saksisch Westfalen, waar de hof Drebber aan het, door bisschop
Meinwerk van Paderborn gestichte,
klooster Abdinghof wordt gegeven (1020).
'Onze' Herman II heeft daarmee een achternaam gekregen: 'van Westfalen'.
Opvallend is de vermelding uit 1017; Herman II van Westfalen blijkt de
opvolger van Wichman III van
Vreden te zijn. Op grond hiervan vermoedt Van
Winter een bloedband met Wichman
III van Vreden en Godfried
'de Prefect'.
Kanttekeningen
Een probleem is het om alle Hermannen uit elkaar te houden.Vaak worden
alle vermeldingen aan Herman II van Werl,
de oudste zoon van Herman I van Werl en Gerberga
van Bourgondië toegeschreven. Herman II van Werl wordt in
deze vermeldingen niet met de achternaam 'Werl' vermeld, zodat niet
zeker is dat hij tot dit geslacht behoort.
Bollnow
is één van de eersten die kanttekeningen plaatst bij de
vereenzelviging van Herman II van Werl als graaf in pagus Westfalen. Hij
maakt ook een voorbehoud voor de Dreingouw en Haltern (Stevergouw). Beide
gouwen behoren tot het bisdom Munster. Bollnow ziet hier een andere Herman
optreden. Ook bij Leidinger
blijft voor het huis Werl alleen de vermelding uit 1019 in de Dreingouw
en uit 1020 in Saksisch Westfalen overeind. Vast
staat dat het huis Werl van bovengenoemde oorden alleen de Munsterse Dreingouw
tot hun invloedssfeer mag rekenen.
Jackman gooit
alle vermeldingen van Herman op een hoop. Hij houdt de Herman
uit 1017 voor een broer van Rudolf
van Werl, waarbij zijn omstreden identificatie
van Godfried 'de Gevangene' als Godfried 'de Prefect' zijn leidraad
is. Het enige interressante aan deze potpourri is zijn opmerking dat de
huizen Ravensberg en Cappenberg van deze Herman afstamt. Andere auteurs
merken deze connectie echter ook op.
Connecties met Reinmod
Van
Winter beschouwt Herman, zonder dat zij op de problematiek ingaat,
niet als een Werler graaf. Zij geeft Godschalk (I) er twee broers bij:
Herman (III) en Godfried
(I), die dan respectievelijk stamvaders zijn van de gravenhuizen Calvelage
en Cappenberg.
In de Reinmod-oorkonde schenkt de weduwe
Reinmod (of Reginmod) en haar enige dochter Frederuna
(of Vrederuna) ten overstaan van bisschop Siegfried van Munster zeven
kerken en kapellen in Varlarl (Varlar bij Coesfeld), Oppenhulisa (Appelhülsen),
Buntlagi (Bentlage bij Rheine), Curithi (Coerde bij Münster), Ihtari,
Honthorpa (Handorf) en Unkingthorpa (Untrup an der Lippe). Herman en Godfried
komen in deze oorkonde als getuigen voor.
Van Winter voegt
echter een extra generatie tussen Herman II en Herman
I van Calvelage (1082) in om te verklaren waarom Otto
II 'de Rijke' ondervoogd
van Corvey kan zijn. Strikt noodzakelijk is dit niet.
In haar verwantschapstabel voert zij Reinmod op als dochter van Herman
II. Aangezien de Reinmod-oorkonde wordt gedateerd tussen 1022 en 1030
ligt een andere oplossing voor de hand. Is het niet waarschijnlijker dat
zij weduwe is van Herman II, die waarschijnlijk in of kort na 1024 overlijdt?
Haar oudste kinderen, Frederuna, Godfried en Herman treden dan op als
getuigen.
De gevolgen van een opstand in 1019
Rond 1018 loopt de spanning hoog op tussen Herman
II van Werl en de bisschop van Munster. Zeker wanneer Herman II van
Werl dankzij het rijkskerkensysteem
goed kwijtraakt aan het bisdom Munster. Wanneer hij zich niet bij de gang
van zaken neerlegd wordt hij door zijn neef Udo van
Stade gevangen genomen, met instemming van bisschop Diederik
van Munster (1011-1022). In 1019 komt het zelfs tot een opstand tegen
keizer Hendrik II, waarbij
Herman II van Werl geholpen worden door hertog Bernhard
II van Saksen.
Mogelijk speelt Herman II van Westfalen een rol in deze opstand, want
in 1033 worden van zijn hypothetische moeder
Emma en zijn zuster om
onbekende redenen een goed met 700 hoeves inclusief horigen ontnomen.
Dit enorme goed ligt bij Lesum, noordwestelijk van
Bremen in de gouw Wigmodia en bestaat naast de
hoeves uit munt-, markt-, tolrechten en de wildban en houtvesterij in
Wigmodia. Vermoedelijk hangt deze confisquatie samen met de opstand uit
1019.
Familieperikelen
Opvallend is een vermelding uit 1024 waarin Herman II 'van Westfalen'
optreedt als scheidsrechter in een erfeniskwestie tussen bisschop Meinwerk
van Paderborn en Thietmar I rondom
de abdij Helmarshausen. Hierbij is het onduidelijk
of het om 'onze' Herman of Herman II van Werl
gaat.
Met bovenstaande vereenzelviging is duidelijk
waarom Herman II hier als scheidsrechter optreedt. Hij is een neef van
Thietmar I en neef (oomzegger) van Meinwerk en dus terzake deskundig met
betrekking tot erfenisperikelen.
Deze getuigenis wordt in de literatuur
aan Herman II van Werl toegeschreven, ondanks de toenaam 'van Westfalen'.
Van familiaire relatie tussen Herman II van Werl en de twistende partijen
is echter niets bekend.
Rest nog een losse eindje vast te knopen. Herman
II van Werl wordt in 1023 in de Dreingouw opgevolgd door zijn broer
Bernhard van Werl-Hövel. Na diens dood
krijgt Herman II van Werls zoon Bernhard
van Werl-Arnsberg de Dreingouw toegewezen, zodat deze de buurman van
Herman II van Westfalens zoon en opvolger Godschalk
(I) wordt. Van je buren moet je het hebben...
|
|