| |
Immed, 953-983
Graaf van de Veluwe
(binnenkort een update)
Wie is Immed?
Immed is in de Achterhoekse geschiedenis vooral bekend geworden als de
eerste echtgenoot van de veel roemruchtere Adela
van Hamaland. Zij alleen werpt geen schaduw op hem, zijn geschiedenis
en achtergrond is ook in duisternis gehuld. Immed wordt inde literatuur
enerzijds aangeduid als saks van voorname herkomst en anderzijds als een
onbeduidende graaf in Renkum en edelman in het
Utrechtse bisdom. We zullen hieronder zien dat het een het ander niet
hoeft uit te sluiten!
Van voorname afkomst
Weinig is zeker in Immeds afstamming, maar er valt wel het een en ander
af te leiden. Om te beginnen plaatst zijn naam hem in een voornaam Saksisch
geslacht, de Immedingers. Ondanks de vele bezittingen,
de voorname posities die ze bekleden en de prestigieuze huwelijken die
ze sluiten blijft dit een ongrijpbaar geslacht. In ieder gevalis bekend
dat zij van de fameuze Saksische legeraanvoerder Widukind
afstammen.
Immed is de zoon van Meinwerk II en Thietswint.
Thietswint is een dochter van Thietmar I,
markgraaf van Oostmark, en diens vrouw Judith,
op haar beurt een dochter van de Konradijn
Koenraad
'de Oudere' en Glismut (van
Thuringen).
Immed behoort dus via moeders zijde tot de al even machtige Saksische
Gero-stam. De Gero-stam levert vele markgraven
van de Saksische Oostmark en zijn de grensbewakers van het Duitse rijk
in het oosten.
Vader Meinwerk II, 937-953
Meinwerk II is oorkondelijk bekend als graaf in Altgouw,
Westgouw, Langwitzgouw,
Nabelgouw en Englin. Al deze
gouwen liggen in Thuringen.
Wanneer zijn zwager, markgraaf Gero van Oostmark,
in 953
de opstand van Liudolf van Saksen en Koenraad
'de Rode' steunt is Meinwerk II kortstondig markgraaf van
de Oostmark. In hetzelfde jaar sneuvelt Meinwerk II in de genoemde opstand.
Meinwerk II is in de bronnen bekend als naaste verwant van Hendrik
I van Saksen, hetgeen verklaart kan worden door het huwelijk van Meinwerk
II's vader.
Grootvader Meinwerk I, 877-937
Meinwerk II's vader is Meinwerk
I, graaf in Thuringen. Meinwerk I is een strijdmakker van Hendrik
I, die aan het begin van de tiende eeuw nog hertog van Saksen is.
Hertog Hendrik I strijdt in die tijd met de Konradijnen
om de zeggenschap in Thuringen. In 913 wordt de strijd in het voordeel
van Hendrik I beslist en wanneer hij in 919 koning wordt, benoemt hij
waarschijnlijk Meinwerk I tot graaf in Thuringen. De machtswisseling in
Thuringen legt de familie geen windeieren, want zoon Meinwerk II verwerft
vele graafschappen.
Meinwerk I is niet zomaar een strijdmakker van Hendrik I. Zij zijn aangetrouwde
verwanten, want beide trouwen met een tweelingdochter van Eberwin
(I), markgraaf van Merseburg. Meinwerk I trouwt met Gerlint
en Hendrik I met Hadeburg. Naast Meinwerk
II krijgen Meinwerk I en Gerlint nog twee zonen: Eberwin
(II), Willem (I van Weimar).
Het huwelijk tussen Meinwerk II en Thietswint
moet de kerk een doorn in het oog zijn, want zij zijn in een 2:3 graad
aan elkaar verwant. De kerk is in die tijd nog niet zo machtig dat zij
dit soort huwelijken kan
verhinderen, die praktijk ligt nog een eeuw in het verschiet.
Overgrootvader Folkert, 845-877
Een oude bekende
Er is nog geen verbinding met de vroege Immedingers gelegd, maar de bronnen
zijn nog niet uitgeput. Meinwerk (I) is mogelijk
een zoon van Folkert (Folcbert of Folchard). Stel dat Folkert dezelfde
is als de gulle gever
uit 855, die in het graafschap van Wichman
(II) van Hamaland goederen schenkt aan het klooster in Werden. Zeker
is deze veronderstelling allerminst, de uitgang "hard" en "bert"
zijn duidelijk verschillend. Dit is een zwakke verbinding in de hier gepresenteerde
genealogie, maar het gaat in dit geval uitsluitend om een mogelijk patroon
van vererving aanschouwelijk te maken. Verbeteringen zijn uiteraard welkom!
Niettemin is de naam Folchard niet vreemd in de familie der Immedingers.
Immed II, broer van Diederik
van Ringelheim heeft ook een zoon die Folchard (of Volkwart) heet.
Niettemin is hier nog te veel onduidelijk. Er zijn nog meer Folkerts die
mogelijk in aan merking komen.
Over Folkert zijn naast de schenking enkele andere gegevens overgeleverd.
In de eerste plaats treedt hij rond 867 als monnik in het klooster van
Corvey in. En ten tweede dat hij na 877 op jonge leeftijd overlijdt. Verder
is hij getrouwd met Gerberga (Gerberch) en heeft
hij twee zonen Meinwerk (I) (Maynwarc) en Diederik
(Thiadric). In het gedenkboek
van Reichenau wordt hij samen met zijn kleinzoon Eberwin
(II) genoemd, die de inschrijving wel zal hebben verzorgd. Zoon Diederik
heeft de voetsporen van zijn vader naar Corvey gevolgd, terwijl Meinwerk
carrière in Thuringen maakt.
Vikingen verjagen Folkert
Het is geen boude veronderstelling dat Folkert, vanwege de herhaaldelijke
invallen van de Vikingen, geen
kans meer ziet om op fatsoenlijke wijze zijn goederen in het Utrechtse
bisdom te beheren. De aanval op Utrecht in 855 zal op de dan nog jonge
Folkert (stel een geboortejaar rond 840) een grote indruk hebben gemaakt.
Daar hij in 855 zijn schenkingen pleegt zal hij op dat moment volwassen
geweest. Maar met een leeftijd van circa 15 jaar is hij dan nog te jong
om de Vikingen te bestrijden. Stel dat zijn vrouw Gerberga
rond 867 jong overlijdt dan laat dat genoeg ruimte voor Folkert om zowel
een gezin te stichten, jong in Corvey in te treden en jong tien jaar later
te sterven. Blijft alleen de vraag openstaan hoe Folkert aan goederen
in het bisdom Utrecht komt.
Over-overgrootvader Diederik, 82?-845
In 845 doet Albe (Alba of Ava) een schenking
ten behoeve van het zielenheil van haar overleden man Deddi
(Diederik), haar vader Geldulf (Geldwulf
of Geldolf) en haar zoon Folchard, waarbij een
Frederic als getuige optreedt. Een inschrijving
in het gedenkboek van Reichenau bevestigt dat het hier om Immedinger gaat,
maar de namen klinken westfries.
Deze namen maken de puzzel mogelijk compleet. Geldulf is waarschijnlijk
beter bekend als Gerulf I, graaf in
Westrichgouw (Friesland), de stamvader van het Hollandse gravenhuis. Dat
Folkert bezittingen heeft in het Utrechtse bisdom is dan niet meer dan
logisch, want zijn moeder komt uit een vooraanstaand Westfries geslacht.
Van Gerulf I is bekend dat hij banden heeft met het klooster Corvey. Dat
Folkert dit klooster kiest om in te treden is dus geen toeval.
De genoemde vader van Folkert, Deddi,
is bekend als een van de jongere zonen van Immed
I, graaf in Oost-Saksen en stamvader van alle Immedingers.
Een reconstructie in Vikingtijden
Een goed begin
Alle relaties zijn nu in een logisch verband geplaatst en er kan een
hypothetische stamboom
worden opgesteld. Ook is gebleken dat Vikingen een storende maar cruciale
rol in dit verhaal spelen.
Wanneer Gerulf I zijn graafschap(pen?) tussen Vlie en Lonbach en in Westrichgouw
(Westergouw?) ontvangt van
Lodewijk I 'de Vrome'
is onbekend. Wel is duidelijk dat Gerulf I daarna wisselt tussen de
verschillende karolingische kampen. Niets lijkt de stichting van een nieuw
gravenhuis in de weg te staan. Gerulf I trouwt mogelijk met een dochter
van Wala, graaf en later abt van Corvey. Dit
klooster wordt in het diocees Paderborn gesticht door Lodewijk I 'de Vrome'. Gerulf I sticht een gezin waarvan Albe,
maar volgens de verschillende bronnen ook Gerhard,
Gardulf en Diederik
(II), deel uitmaken. De invallen van de Vikingen verstoren al in de
volgende generatie de opkomst van de Westfriezen.
Een kwestie van overleven
De problemen beginnen pas echt wanneer de keizer
de Vikingen graafschappen
toebedelen ten koste van de Westfriese familie. Albe's broers overleven
door een alliantie met de Vikingen aan te gaan. Daar Albe's echtgenoot
Diederik (een Saks met familiebezittingen
elders) blijkbaar voor 845 is overleden is het misschien niet zo'n wilde
gok dat hij in 843 bij Meinerswijk
sneuvelt. Dit zou stroken met de bezittingen van Folkert in Wichman
(II)'s graafschap, tenslotte de buurman, en het latere optreden van
Immed als in het diocees Utrecht.Mogelijk is hij graaf van de Veluwe,
met als gravenzetel Renkum. Andere graafschappen die mogelijk voor ambstuitoefening
in aanmerking komen zijn Flethite, Teisterbant,
Betuwe en Lek en IJssel.
In 944 schenkt Otto I alle
goederen die hij aan Waldger III, graaf van Lek
en IJssel en van Teisterbant, en aan diens zoon en opvolger Radboud
in leen heeft gegeven aan het bisdom Utrecht. Voor deze schenking behoren de twee graafschappen
dus aan deze Friese familie (Radbouds). Het graafschap Betuwe behoort bij de familie der Ansfrieds,
zodat alleen Flethite en Veluwe als mogelijkheid overblijven.
Diederik II sneuvelt in 880, mogelijk
aan de kant van de Vikingen bij Birthen.
Gardulf en Gerulf
II (mogelijk een zoon van Diederik
II) zijn in 885 de afgezanten
van Godfried 'de Deen'.
De mannelijke nazaten van Gerulf I hebben om te overleven klaarblijkelijk
een alliantie met de Vikingen gesloten. Door Godfried 'de Deen' te verraden behouden zij hun graafschappen.
Voor Folkert is na de geweldadige dood van zijn
vader een dergelijke alliantie onmogelijk. Hij is te jong en gaat terug
naar Saksen. Zijn nageslacht maakt zoals hierboven verteld carrière
in Thuringen, waarna door het huwelijk tussen Immed en Adela
een glorieuze terugkeer naar de Veluwe mogelijk is.
Familiebanden
Immed, daar gaat dit hoofdstuk tenslotte over, dankt zijn naam aan zijn
verre voorvader. Enkele generaties maken
geen gebruik van deze karakteristieke naam, maar om politieke redenen
is het rond 940 voor Meinwerk II en Thietswint
opportuun om hun zoon Immed te noemen. De naam benadrukt de verwantschap
met het Ottoonse koningshuis via Diederik
van Ringelheim.
Dit werpt de vraag op in hoeverre Immed en Adela
aan elkaar verwant zijn, want beiden stammen van de fameuze Saksische
hertog Widukind af
en ook is er een Konradijnse verwantschap, want Evesa
is een tante van Koenraad
'de Oudere'. Kanonische bezwaren staat hun huwelijk niet
in de weg, want de dichtsbijzijnde gezamenlijke voorouder is graaf Koenraad
van Argengouw, voor beiden vijf generaties terug.
Gelukkige tijden
Immed wordt genoemd als graaf in het diocees Utrecht, maar of hij hier
via Adela graaf is of op zijn eigen kracht
blijft vooralsnog ongewis. In ieder geval is hierboven gebleken dat hij
zelf ook rechten heeft. In ieder geval heersen Immed en Adela over een
uitgestrekt gebied.
Immed en Adela trouwen rond 970 en brengen enkele gelukkige jaren door
op de sterke burcht Duno op de Veluwe. Het jonge paar
krijgt vijf kinderen, twee zoons, Diederik
(I) en Meinwerk, en drie dochters Glismut,
Azela en Emma. De namen komen
niet helemaal uit de lucht vallen, vooral Glismut, Diederik en Meinwerk
vallen nu op. Immed overlijdt in 983, zodat Adela als weduwe achterblijft.
Diederik III (Theoderich, Dietrich of Dirk) zal als oudste zoon zijn vader
als graaf op de Veluwe opvolgen en in 1016
vermoord worden. Diederik (I) trouwt met een erfgename van graaf Nevelung van Teisterbant en krijgt twee dochters: Bava (verkleinvorm van Bertha) en Gerberia(?).
Meinwerk is van 1009 tot zijn dood in 1036 bisschop
van Paderborn. Twee dochters trouwen allebei. Glismut trouwt twee keer.
Eerst met de Beierse graaf Reding en wanneer deze
in 1055 is overleden hertrouwt ze met markgraaf Adalbert
van Oostenrijk. Emma trouwt minder ver van huis, haar eega is Liudger,
graaf van Westfalengouw. De derde dochter, Azela, treedt als non in
het klooster van Elten in.
Voor graaf Linger (een vreemde naam) die in 950 graaf
is in of van de Veluwe is helaas geen plek gevonden. Tenzij het hier Liudger
betreft die na de dood van Immed als schoonzoon tijdelijk het grafelijk
ambt waarneemt, maar dan klopt de datering niet, want Immed overlijdt
in 983.
|
|