| |
Eberhard I 'de Saks', 881-898
Graaf van Hamaland en
markgraaf van Friesland
Jong en onbezonnen
Eberhard I wordt na de vroege en gewelddadige dood van zijn vader Meginhard
II op jonge leeftijd graaf van Hamaland. Zijn vader en moeder trouwen
waarschijnlijk tussen 860 en 865, zodat Eberhard I, wanneer hij zijn
vader in 881 opvolgt, minimaal 15 jaar oud zal zijn. Waarschijnlijk is
hij een paar jaar ouder. Op de vraag of Eberhard I te identificeren valt
als Eberhard I, graaf van Noordgouw (Elzas) wordt elders ingegaan.
Eberhard
I's vader is vermoedelijk gesneuveld
door Vikinghanden en de jonge Eberhard
I zint op wraak. Hij maakt deel uit van het leger van Lodewijk
III 'de Jongere' die in 881 de palts in Nijmegen belegert, die door Noormannen
is bezet. Er zitten daar (minimaal) twee groepen Vikingen; de een aangevoerd door Siegfried en de ander door Godfried ‘de
Deen’. De onervaren Eberhard I is mogelijk bij schermutselingen
in handen van de gevreesde Godfried
'de Deen' gevallen. Eberhard I heeft geluk dat Godfried in een goed humeur is na de geslaagde plundering
van Xanten. Hij zal de visite van Eberhard I als een vermakelijk en vooral
lucratief toetje hebben beschouwd. Godfried laat een bode naar Eberhard I's moeder Evesa sturen
met een eis voor losgeld.
Voor veel zilver vrij
Evesa weet het hoge losgeld bijeen te krijgen
en Godfried houdt zijn woord: Eberhard I komt vrij. Welke impact deze
vernedering op de jonge Eberhard I heeft is niet moeilijk in te schatten.
Vrijgekocht worden door je moeder, het zal je maar gebeuren als trotse
Saks! Het kwaad dat zijn vader heeft vermoord en hem heeft vernederd
heeft een naam: Godfried! Deze naam zal Eberhard I's leven gaan
beheersen.
De belegering van Nijmegen wordt een fiasco. De bezetters van de palts weten een handgemeen te vermijden
en komen met Lodewijk III een vrije aftocht overeen. Godfried belooft onmiddellijk te vertrekken, maar brandt nog wel even de palts plat.
Daarmee zijn Godfried en Siegfried nog niet van het toneel verdwenen.
In 881 slaan Godfried en Siegfried hun winterkwartier op in Asselt, een steenworp
van de gevluchte bisschop van Utrecht in St. Odiliënberg, die dacht dat hij
veilig was. Mogelijk verruilt de bisschop op dat moment deze vluchtplaats voor
Deventer.
Na het relatief goed afgelopen avontuur zoekt Eberhard I contact met andere
vijanden van Godfried 'de
Deen'. Daar zijn er genoeg. De Vikingen zijn
bij hun rooftochten diep in Lotharingen doorgedrongen. Slachtoffers zijn
te vinden in: Maastricht, Luik, St. Truiden, Gulik, Neuss, Keulen, Bonn,
Aken, Stablo en Malmédy, Prüm en Trier. Als zijn moeder Evesa van Elzasser
afkomst is, heeft Eberhard I misschien wel binnen zijn familie
medestanders gevonden.
Godfried 'de Deen' zit niet stil
Godfried 'de Deen', Eberhard I’s
aartsvijand, zit niet stil. Lodewijk III ‘de Jongere’ overlijdt in 882, zodat
Karel III ‘de Dikke’ hem opvolgt. Godfried heeft ondertussen
zijn handen vrij. Karel
III besluit met Godfried af te rekenen en verzamelt
een groot leger en trekt in de zomer naar Asselt op. Daar durft hij, ondanks zijn overmacht, de strijd met
Godfried niet aan, mogelijk ligt de slachtpartij bij Eppendorf nog
te vers in het geheugen. Karel
III sluit een overeenkomst met Godfried.
Godfried laat zich dopen en als dank mag hij dan trouwen met Karel III's achternichtje
Gisela, de buitenechtelijke dochter van de inmiddels overleden koning Lothar
(II). Van der Tuuk meent overigens dat Hugo (II) dit huwelijk arrangeert, om zo een bondgenoot voor zijn plannen te krijgen. Dat zij speciaal hiervoor uit het klooster van Nivelles moet treden is
blijkbaar geen beletsel voor hogere politieke doelen. Godfried treedt in de voetsporen
van Rorik I en mag zich daarom ‘dux’ noemen. In feite is hij te beschouwen
als markgraaf. Markgraven zijn belast met de verdediging van het rijk tegen dreigingen
van buitenaf. Marken bevinden zich dus aan de randen van het rijk. Godfrieds
macht is zo groot dat hij in bronnen meermalen ‘rex’ (koning) van
de Noormannen wordt genoemd.
Bij Gisela verwekt Godfried een dochter, die Reginhild wordt
genoemd. De dochter zal later trouwen met Diederik
van Ringelheim, waardoor
de Immedingers vaste
voet krijgen in het Nederrijnse gebied. De Ringelheimer
erfenis is, mede door
het Karolinger bloed dat door Ringelheimse
aderen vloeit, van groot belang. Zo belangrijk dat zelfs het Oostfrankische
koningshuis een Ringelheimer dochter zal gaan trouwen!
Zutphen en Deventer geplunderd!
Siegfried heeft geen koninklijke dochter gekregen, maar neemt genoegen met een enorme afkoopsom. Hij vertrekt, zoals afgesproken, vanuit Asselt naar Denemarken. Mogelijk ingegeven
door de hoeveelheid zilver die Evesa voor Eberhard
I heeft betaald besluit Siegfried, nu hij er toch langskomt op weg naar
het noorden, een bezoekje aan Zutphen en Deventer te brengen. In 882
plundert Siegfried beide IJsselsteden. Van deze aanval zijn in Zutphen
in 1997 archeologische resten gevonden in de vorm van een brandlaag (houtskool)
en botten en skeletten van menselijke slachtoffers. Deze resten zijn
door middel van het gevonden keramiek en C14-datering van graankorrels
gedateerd op een periode tussen 880 en 900. Er zijn ter plekke vele koeien
geslacht, want bij de opgraving zijn alleen botresten van poten en koppen
gevonden. Hieruit valt te concluderen dat het eetbare deel is meegenomen.
Waarschijnlijk heeft het leger van Siegfried gebrek aan proviand voor
de thuisreis. Dit is de eerste keer dat een Vikingaanval in West-Europa
archeologisch is bewezen, een macabere primeur!
Naast het bezit van Rorik I's voormalige territrorium ontwikkelt Godfried
'de Deen' andere snode plannen. In
885 wordt duidelijk wat dit inhoudt. Lothar
(II)'s bastaardzoon Hugo
(II), hertog van Elzas, heeft zijn zwager Godfried voorgesteld dat
deze met zijn Noormannen Lotharingen zal
veroveren, waarna ze samen zouden delen. Hugo (II) heeft in 877 al geprobeerd
het koninkrijk van zijn vader nieuw leven in te blazen, maar die poging
is mislukt, ondanks steun van de Lotharingse adel. Hugo (II) speelt hoog
spel door te vertrouwen op Godfried. Godfried is helemaal niet van plan
om te delen, zeker niet wanneer zijn manschappen het vuile werk moeten
opknappen. Hoe lang Hugo (II) verwacht dat hij koning van Lotharingen
zou zijn met Godfried aan zijn zijde is onbekend.
Godfried trekt zijn
eigen plan en stuurt zijn afgezanten Gerulf
(II) en
Gardulf, afkomstig uit Friesland, naar Karel
III om zijn eigen eisenpakket over te brengen.
Er wordt een complot gesmeed
Met ontzetting hoort Karel
III het onmogelijke eisenpakket van Godfried
aan. Godfried vraagt om verscheidene wijndomeinen diep in het Oostfrankische
rijk, omdat in zijn Nederrijnse gebieden geen wijndruiven kunnen groeien.
Karel III kan onmogelijk Godfried grondgebied geven, maar een botte weigering
zal onvermijdelijk tot een oorlogsverklaring leiden. Hoe dit dilemma
op te lossen? Karel III ontbiedt zijn militaire bevelhebber Hendrik
van Babenberg om hem op te dragen zich van Godfried te ontdoen.
Hendrik begrijpt dat een frontale aanval niet het gewenste resultaat
zal hebben, omdat Godfried op zijn eigen waterrijke terrein in het voordeel
is. Veel tijd heeft Karel III van Godfried echter niet gekregen. Hendrik
verzint een sluw plan. Hij zal Godfried uitnodigen om over de eisen te
onderhandelen en aan de onderhandelingstafel met hem afrekenen. Nu moet
hij nog iemand hebben die moedig genoeg is om Godfried neer te steken,
terwijl deze omringd is door zijn lijfwachten. Hiervoor benadert Hendrik
Eberhard I, want hij weet dat Eberhard I een diep
gewortelde wrok tegen
Godfried koestert. Zijn vernederende ontvoering en de vernietiging van
zijn hof in Zutphen kan Eberhard I niet over zijn kant laten gaan. Eberhard
I stemt met het plan in. Hij is blij met deze kans om met Godfried
'de Deen' af te rekenen.
Na de ondergang van Zutphen heeft Eberhard
I een nieuwe versterking in Hamaland ingericht. Hij kijkt goed in zijn
eigen graafschap rond en kiest voor het strategisch gelegen Hoog-Elten.
De hoge ligging, uitkijkend over de splitsing van Rijn en Waal, maakt
een verrassingsaanval over water immers onmogelijk. Het lijkt een geschikte
omgeving om met Godfried af te rekenen. Op eigen terrein zal Godfried
immers geen gevaar vermoeden. Hendrik van Babenberg beschikt waarschijnlijk
niet over de precieze terreinkennis om een dergelijk plan uit te werken,
zodat Eberhard I ‘Saxo’ Hendrik
heeft bijgepraat over de mogelijkheden.
Hendrik vertrekt met een klein gezelschap naar Herispich (Spijk); ‘heri’ duidt
op leger en ‘spich’ (spijk(er)) op een opslagplaats. Mogelijk
is Herispich een mobilisatiecomplex. Hier zullen zij elkaar ontmoeten om
ergens in de Betuwe te gaan onderhandelen plaats vinden. Onderweg wordt
aartsbisschop Willibert van Keulen, waarschijnlijk
een bloedverwant van
Hendrik van Babenberg, opgepikt
met het doel om Gisela te
redden.
De deelnemers aan het complot begeven zich waarschijnlijk naar Elten om zich
daar op de aanslag voor te bereiden.

De aanslag op Godfried
Nietsvermoedend wacht in juni 885 Godfried
'de Deen' bij Spijk zijn
gasten af. Op de eerste dag verschijnen Hendrik
van Babenberg en bisschop
Willibert als afgezanten van Karel
III aan de onderhandelingstafel in
de Betuwe. De eerste dag worden de eisen wederom op tafel gelegd en de
standpunten uitgewisseld. Veel verder komen de partijen niet.
De volgende dag neemt bisschop Willibert Gisela met
een smoesje mee en verdwijnt met haar uit de Betuwe. De tweede dag van
onderhandelen kan gaan beginnen. Eberhard I ‘Saxo’ is nu
ook aan tafel geschoven. Het moment van zijn wraak is gekomen. Jaren
heeft hij moeten wachten, maar nu kan hij zijn aartsvijand te grazen
nemen. Tijdens het gesprek staat hij op en richt hij zich met zijn grieven
tot Godfried. Hoe deze een exorbitante zilverschat
voor zijn vrijheid heeft geëist en vervolgens Zutphen
heeft platgebrand. Godfried zal de schuld aan het platbranden
van Zutphen hebben ontkend, dat was immers Siegfrieds werk.
Er ontstaat volgens plan een twistgesprek, want Godfrieds ontkenning
zal ingecalculeerd zijn. Voordat Godfried iets in de gaten krijgt trekt
Eberhard I zijn zwaard en treft hij Godfried aan het hoofd. Hendriks
en Williberts mannen komen daarop onmiddellijk in actie om het karwei
te af te ronden. Alle aanwezige Vikingen worden in een mum van tijd vermoord.
Er verschijnt te laat voor Godfried een Vikingvloot. De opvarenden worden
van boord gelokt door enkele Saksische troepen, die zogenaamd op de vlucht
slaan in de richting van Elten. Wanneer de Noormannen zich ontschepen om
de vluchters te achtervolgen verschijnen plotseling de door Hendrik gemobiliseerde
Teisterbantse Friezen. De Noormannen zitten in de tang en worden vermorzeld.
Nasleep van de aanslag
Wanneer na de aanslag de Betuwe en Godfrieds markgraafschap van Noormannen
is gezuiverd is de Vikingtijd in feite voorbij en de kans op een ‘Normandisch
Friesland’ verkeken. De rust keert in het Nederrijnse gebied terug.
De verdreven Vikingen verhuizen naar de monding van de Seine. Het zal
ruim een eeuw duren eer Vikingen opnieuw de Rijn opvaren. De bronnen
zwijgen in ieder geval over nieuwe akkefietjes.
Hugo (II) moet zijn monsterlijk verbond met Godfried zwaar bekopen.
Hij wordt gevangen genomen, blind gemaakt en naar de abdij in Prüm
afgevoerd. Daar zal hij dagdromend van een herrezen Lotharingen na 895
overlijden.
Hendrik van Babenberg neemt
de titel ‘dux’ van Godfried over
en blijft onvermoeid op Vikingen jagen en zal in 886 voor Parijs tegen
hen sneuvelen.
Eberhard I wordt markgraaf
 Eberhard
I's ster is door de aanslag ook gerezen. Allereerst heeft hij voldoening
van zijn overwinning op zijn aartsvijand. Wraak is immers zoet. Na het
overlijden van Hendrik van
Babenberg geeft keizer Arnulf het
markgraafschap aan Eberhard I. Hij mag zich nu als markgraaf ‘dux’ noemen,
want hij is aanvoerder van de grenstroepen.
Om het markgrafelijke ambt inhoud te kunnen geven wordt vermoed dat
Eberhard I enkele goederen krijgt toegewezen, die over heel Friesland
verspreid liggen. Zonder economische basis kan in de middeleeuwen geen
ambt bestaan. Mogelijk is het recht tot belastingheffing
in half Urk, Hunesca (Hunzego), Marne, Midgo (Middagsterland)
en Merime (tussen Lauwers en Eems, Fivelgo (Groninger
Ommelanden) en
Naardinkland (Gooi) toegewezen, omdat deze
rechten later in bezit blijken te zijn van Eberhard I's achterneef Wichman
(IV).
De bijnaam ‘Saxo’ die Eberhard I in de bronnen krijgt slaat
op het feit dat hij van Saksische komaf is. Voor de Friezen is hij immers
een buitenlander. Als indirecte opvolger van Godfried 'de Deen' (na Hendrik
van Babenberg) wordt Eberhard I belast met de verdediging van de noordwestelijke
kust van het Duitse rijk. Hij dient het gebied te beschermen tegen invallen
van de Noormannen. Zijn ambstgebied is uitgestrekt en alle onder zijn
militaire bevel staande graven bekijken zijn macht met argusogen.
Mogelijk trouwt Eberhard I rond deze tijd met Wiltrud, mogelijk een kleindochter
van Asig I, graaf in de Hessengouw. Eberhard I en Wiltrud krijgen twee
zonen: Meginhard IV en Eberhard
II.
De aanleg van ringburgen
 Hendrik
van Babenberg laat vrijwel meteen na de aanslag op Godfried
'de Deen'
in heel Friesland op strategische plaatsen ring-
of walburgen aanleggen.
Hier kan de lokale bevolking met haar levende have in tijden van nood
haar toevlucht zoeken. Eberhard I neemt, wanneer hij Hendrik als markgraaf
opvolgt, de verdediging van het rijk ook serieus. Het is hem duidelijk
dat hij geen snelle keizerlijke hulp hoeft te verwachten tegen de Vikingen
wanneer dat nodig is, de brute plundering
van Zutphen is daarvan een
duidelijk bewijs. Mogelijk worden de oude walburgen Duno (bij Arnhem) en Hunnenschans (Uddel) door Eberhard I versterkt. In ieder geval verschijnt er een nieuwe
walburg bij Zutphen en Elten.
Achtereenvolgens worden vanaf 885 aan de kust Oostburg, Souburg, Domburg,
Middelburg, Burg-Haamstede, Rijnsburg en Den
Burg en verder stroomopwaarts
Aalburg en mogelijk Tiel opgericht. Tenslotte wordt nog verder landinwaarts
ook de Hunenborg (Oldenzaal) rond deze tijd opgericht.
Bij de aanleg en het beheer van de diverse burgen zullen de lokale graven
een uitvoerende rol hebben gespeeld en heeft de koning de benodigde grond
beschikbaar gesteld. Het is zeer waarschijnlijk dat Hendrik en Eberhard
I als dux een initiërende en coördinerende rol spelen. In de
praktijk blijkt het verdedigingssysteem goed te werken, want het aantal
Vikinginvallen vermindert drastisch. Blijkbaar zijn Vikingen de belegerkunst
niet machtig. In 891 proberen de Vikingen een ringburg in Vlaanderen in
te nemen hetgeen ze niet lukt.
Jaloezie en vijanden
Eberhard I's status wordt vooral door Waldger
van Teisterbant met jaloezie
bekeken. Waldger is de zoon van Gerulf
(II) en stamt af van een geslacht dat al eeuwenlang in Friesland gevestigd
is en hij heeft mogelijk Fries koninklijk bloed in zijn aderen. Hij heeft
lijdzaam moeten toezien dat een ‘buitenlander’ de belangrijkste
baan in zijn vaderland heeft gekregen. Bovendien is de bisschop van Utrecht in Deventer neergestreken, dat Waldger
een doorn in het oog zal zijn. Een dergelijk prestigieus instituut heeft
Waldger liever in de oorspronkelijke omgeving van Nifterlake (Utrecht),
onder zijn eigen invloed.
De moord op Eberhard (I)
In 898 wordt Eberhard I tijdens een jachtpartij vermoord door Waldger
van Teisterbant. Vermoedelijk heeft dit tegelijkertijd plaatsgevonden
met de inval van Karel ‘de Eenvoudige’ in Lotharingen en
is Eberhard ‘Saxo’ als zetbaas van keizer Arnulf uit de weg
geruimd. Blijkbaar heeft Eberhard I de situatie verkeerd beoordeeld en
niet goed ingeschat dat Waldger een sterke wrok tegen hem koestert, anders
was hij nooit met hem uit jagen gegaan. De moord blijft, zo ver we weten, onbestraft, want er volgen geen sancties
van keizer Arnulf terwijl het misdrijf niet mis is. Als opvolger van
Eberhard I benoemt keizer Arnulf diens broer, Meginhard III, als markgraaf,
waarmee de zaak is afgedaan.
Zo is er een gewelddadig einde gekomen aan het leven van een man wiens
leven in het teken van (oorlogs)geweld heeft gestaan. Er valt niet te
ontkennen dat Eberhard I 'Saxo' van groot belang is voor de geschiedenis
van de lage landen. Zijn hoofdrol in de aanslag op Godfried verijdelt
het ontstaan van een ‘Normandisch Friesland’ of ‘Hollandse
Danelaw’ met alle problemen die een dergelijke vestiging in Frankrijk
(Normandië) en Engeland hebben gegeven. Zijn bemoeienis met de bouw
van burgen zorgt er voor dat de Vikingen decennialang wegblijven uit
het Nederrijnse gebied. Het moderne Nederland draagt de sporen van de
vele burgen nog altijd met zich mee. Bijna iedere burg is uiteindelijk
een stad geworden, waarvan Eberhard I mede de kiem heeft gelegd.
Zijn beide zonen, Meginhard IV en Eberhard II zijn waarschijnlijk nog te
jong om hem op te volgen, zodat zijn broer Meginhard
III moet invallen.
|
|