| |
Meginhard III, 898-902
Graaf van Hamaland en hertog van Friesland
Opvolger van Eberhard (I)
Na de moord op Eberhard (I) volgt Meginhard
III in 898 zijn broer op als graaf van Hamaland en hertog van Friesland
(Frisia). Vooral de opvolging in het laatstgenoemde ambt is opmerkelijk,
omdat Eberhard (I) deze op persoonlijke titel heeft verworven. De Brunharingen
ontberen oorspronkelijk een stevige machtsbasis in Friesland. Blijkbaar
heeft keizer Arnulf
behoefte aan een stevige dynastie in het noordpoosten van zijn rijk. Waldger
III van Teisterbant, de moordenaar
van Eberhard (I) blijft merkwaardig genoeg onbestraft.
Bij de benoeming tot dux (hertog) heeft Eberhard (I) waarschijnlijk enkele
goederen in het nieuw verworven ambtsgebied toegewezen gekregen om
zijn nieuwe positie kracht bij te zetten. Deze goederen zullen samen met
het ambt op Meginhard III overgegaan zijn.
Problemen rond de bisschopszetel
Een van de grootste problemen waarvoor Meginhard III zich na zijn aanstelling
gesteld ziet is de plaats waar de bisschop van Utrecht zetelt. Bisschop
Hunger heeft in 857 Utrecht verlaten
en zijn opvolger Odilbald
is na enkele omzwervingen waarschijnlijk voor 898 in Deventer terecht
gekomen, waar ook de gravenzetel van Eberhard
(I) en zijn opvolger Meginhard III zich bevindt. Voor de status van
Hamaland is de aanwezigheid van de bisschopszetel enorm belangrijk. Bovendien
is de invloed bij benoemingen van nieuwe bisschoppen zo groter. Wie het
dichst bij het vuur zit.
Tot 899 lijkt er niets aan de hand, het aanzien van Meginhard III binnen
de rijksaristocratie is rijzende. In de loop van 899 doemen er problemen
op. In dat jaar wordt Radbod (of Radboud)
tot de nieuwe bisschop van Utrecht verheven met de instemming van keizer
Arnulf, die drie
maanden later zal overlijden. Meginhard III zal de benoeming niet hebben
bevallen. Radbod is afkomstig uit de Reginaren-factie en via moederszijde
verwant aan Waldger III
van Teisterbant, de moordenaar van broer Eberhard
(I). Mogelijk vindt de keizer dat Meginhard III's ster te snel rijst
en denkt hij zo een evenwicht in het noordoosten van zijn rijk te creëren.
Meginhard III zal Radbod in ieder geval niet vriendelijk in Deventer hebben
ontvangen. Zeker niet wanneer Radbod meteen na zijn aanstelling zijn plannen
met betrekking tot de verhuizing van de bisschopszetel naar Utrecht ontvouwt.
Meginhard III verzet zich met succes, de plannen gaan vooralsnog de ijskelder
in. Al zal het waarschijnlijk nooit de bedoeling van de Utrechtse bisschoppen
geweest om zich permanent in Deventer te vestigen.
Teloorgang van hertogdom Friesland
Het
hertogdom Friesland behoort in 898 tot het koninkrijk Lotharingen, dat
keizer Arnulf van Karinthië
voor zijn bastaardzoon Zwentibold
nieuw leven inblaast. De teloorgang van dit koninkrijk na de moord op
Zwentibold in 900, het voortdurende wisselen van de Lotharingse adel tussen
Oost- en West-Franken, de invloed van de Konradijnen op Zwentibolds opvolger
Lodewijk IV 'het Kind'
en de uiteindelijke overgang van Lotharingen naar het keizerrijk van Koenraad
I zorgen voor turbulente en onzekere jaren.
Tegelijkertijd biedt een dergelijke wanorde kansen. Ondanks het bezit
van de over Friesland verspreide goederen is Eberhard (I) noch Meginhard
III na de succesvolle aanleg van diverse
ringburgen niet in staat om zijn machtspositie uit te breiden en zijn
stempel op Friesland te drukken. Noch weten zij hun nieuwe positie te
verzilveren door een hertogelijke dynastie te initiëren.
Van "dux" naar "marchio"
Al vrij snel na de benoeming van Meginhard III tot hertog verdwijnt
het hertogdom Friesland uit de bronnen. Een goede reden is hiervoor nog
niet gevonden. Mogelijk verandert Friesland al vrij snel na de aanstelling
van Meginhard III in een markgraafschap.
Markgraafschappen komen alleen aan de randen
van het Karolingische rijk voor en zijn bedoeld als verdediging en uitbreiding
van de landsgrens. Door hun speciale militaire opdracht komen markgraven
boven gewone graven te staan, maar onder een hertog. Een hertog heeft
meer autonome macht en kan een eigen politiek, parallel aan die van het
koninkrijk, ontplooien.
In de bronnen wordt geen expliciete melding gemaakt van de mark Friesland
in de daaropvolgende decennia, maar Wichman (IV),
Meginhard III's kleinzoon, blijkt opeens wel een Friese mark te houden.
Het is mogelijk dat het zicht op de mark in de tussenliggende jaren bemoeilijkt
wordt door de overgang van Oost- naar West-Franken en vice versa. Niet
uitgesloten is dat de mark tijdelijk naar Waldger
III van Teisterbant gaat.
Einde van de hertogelijke dynastie?
De beschrijving van de Brunharingse avonturen is tot nu toe met enige
zekerheid beschreven. Echt grote vraagtekens, behalve de afkomst van Evesa,
zijn niet opgedoken. Vreemd genoeg is, nu er steeds meer bronnen opduiken,
sprake van onduidelijkheid. De verdwijning van het "ducatum Frisia"
is nooit goed verklaard, evenals de splitsing van Hamaland in de twee
graafschappen Drenthe-Salland en (klein) Hamaland.
Bovendien duikt opeens de familievreemde naam Zwentibold,
de naam van de laatste
koning van Lotharingen, op. Zwentibold wordt bij enkele onderzoekers
voor een zoon van Eberhard (I) of Meginhard
III gehouden. Ook duikt hij op als schoonvader van Meginhard III. Waar
komt deze naam vandaan? Bovendien is er een hiaat van ca. veertien jaar
waarin Meginhard III uit de bronnen is verdwenen. Wat is er gebeurd?
Een nieuw scenario
Hier wordt het vermoeden geuit dat Meginhard III vrij spoedig na Eberhard
(I) ongeveer rond 900-902 is overleden, zodat beide zonen, Meginhard
IV en Eberhard (II), als minderjarige wezen
achterblijven. Zijn onbekende echtgenote is
mogelijk afkomtig uit het vroege Luxemburger huis, zodat na de moord
op koning Zwentibold en de hierop volgende repercussies in deze familie
geen betrouwbare voogd gevonden kan worden.
Dit scenario biedt een nieuw perspectief, want beide zoontjes worden zo
speelballen in de dynastieke plannen van de om Lotharingen strijdende
rijksadel. Wat zullen de consequenties van dit scenario zijn?
In de eerste plaats moet er een voogd voor de kinderen worden gezocht.
Meestal wordt hiervoor een direct familielid aangewezen. Bij de rijksadel
is dit meestal een zaak van (groot) politiek belang, omdat er (dynastieke)
invloed op de toekomst kan worden uitgeoefend. Bemoeienis, eventueel op
afstand, van de koning is niet ongewoon.
In het geval van Meginhard IV en
Eberhard (II) zijn er van vaders kant geen familieleden in leven. In het
in een ander hoofdstuk gepresenteerde scenario dat grootmoeder Evesa
van Koenraad van Argengouw afstamt komen
er via die relatie wel neven als voogd in beeld.
Voogden gezocht
De eerste die in beeld komt is graaf Eberhard
(I) van Ortenau. Hij behoort tot de machtige familie der Konradijnen.
Eberhard (I) van Ortenau heeft al eerder beslommeringen met de Brunharingen
gehad in de Elzas, want hij is naast graaf in Ortenau ook graaf in Zurichgouw,
Volkfeld, Noord-Bertholdsbaar
en Maingouw. Eberhard (I) van Ortenau is een neef
van moeder Evesa. Een voogdijschap zou tevens
een mogelijke verklaring zijn voor het dooreenlopen van namen en belangen.
Een saillant detail is dat Eberhard (I) van Ortenau is getrouwd met Wiltrud,
dochter van Walaho van Speyergouw. Wiltrud
is de gangbare naam voor Bilidrud! In plaats van namen voor ouders en
grootouders als een puzzel in te vullen, waarbij er van uit wordt gegaan
dat alle familieleden in een herdenkingslijst worden genoemd, zoals door
eerdere onderzoekers is gedaan, ligt het misschien meer voor de hand dit
bestaande paar in het onderzoek te betrekken. Onmiskenbaar staan "Eberhard"
en "Wiltrud" in de nagedachtenislijsten.
In de vete met de Babenbergers
sneuvelt Eberhard (I) van Ortenau in 902, zodat het voogdijschap mogelijk
overgaat op diens broer Gebhard
van Lotharingen.
Waarde van het nieuwe scenario
Bovenstaand scenario is nieuw en geeft een mogelijke verklaring voor
tot nog toe onverklaarbare gebeurtenissen. Zo geeft het een verklaring
voor de afwezigheid in de bronnen van Meginhard III van 900 tot 914. Vanaf
914 komt dan Meginhard IV als meerderjarige
in de bronnen voor.
Het scenario geeft een verklaring voor het vertragen van de verhuizing
van de bisschopszetel van Deventer naar Utrecht, want de Konradijnen
zijn in die jaren verstokte tegenstanders van de Reginaren.
Terwijl de voorstanders van die verhuizing, Radbod
en Waldger III van Teisterbant,
tot het kamp van de Reginaren behoren. Wat dat betreft kwijten de voogden
Eberhard (I) van Ortenau en Gebhard van Lotharingen zich goed van hun
taak.
Het geeft een verklaring voor de plotselinge verdwijning van het hertogdom
Friesland. Bij gebrek aan een meerderjarige drager van de titel verwateren
de rechten. De voogd Gebhard
heeft zelf hertogelijke ambities in de richting van Lotharingen en kan
op eenvoudige wijze de Hamalandse hertogelijke dynastie ondergeschikt
maken aan de zijne. Na de dood van Gebhard in 910 is de hertogstitel in
de maalstroom rondom het hertogdom Lotharingen totaal uit beeld verdwenen.
Voor de naam Zwentibold biedt het nieuwe scenario (nog) geen oplossing,
tenzij hij een zoon zou zijn van een van de voogden. Dan zou Zwentibold
een stiefbroer van Meginhard IV en Eberhard (II)
zijn, waarmee zijn voorkomen verklaard is. Zou bijvoorbeeld Gebhard
zijn Lotharingse pretenties vorm hebben willen geven door een zoon de
naam van de laatste Lotharingse koning te geven?
Problematisch is ook de niet definitief verklaarde afkomst van de
moeder en haar familie. Hoe het ook zij, in 914 is Meginhard
IV in dit scenario de nieuwe machthebber in Hamaland. In de traditionele
opvatting is dit nog steeds Meginhard III.
|
|