Liudolf van Zutphen (1025-1031)

Heer van Zutphen

Zutphen komt aan de Ezzonen

Rond 1025 heeft Otto I Ψ, heer van Zutphen, zijn problemen met de keizer omtrent zijn bezittingen opgelost. Hij geeft zijn dochter Mathilde Ψ mogelijk de heerlijkheid Zutphen als huwelijksgeschenk. Zij is in 1020 getrouwd met Liudolf Ψ. Dit blijkt uit een mededeling in de stichtingsakte van het klooster in Brauweiler, waarin Otto I als graaf van Zutphen gepresenteerd wordt. Zutphen is in deze tijd echter nog geen graafschap.
Liudolf is een zoon van Erenfried III Ψ, paltsgraaf aan de Rijn. Erenfried III is beter bekend onder de naam Ezzo. Liudolf stamt derhalve uit de vooraanstaande familie der Ezzonen. Door het huwelijk tussen Mathilde en Liudolf wordt, dankzij haar bezittingen, de Ezzoner invloedssfeer in het stroomgebied langs de Rijn uitgebreid.

 

De Ezzonen

De Ezzonen zijn waarschijnlijk een juniortak van de Matfriedingers. Adalhard Ψ, graaf in de Ardennen en Eifelgouw, is een kleinzoon van Adalhard I 'Seneschalk' Ψ en een neef van Gerhard I van Metzgouw Ψ en Matfried (IV) van Metzgouw Ψ. Adalhard I kan beschouwd worden als de stamvader van de Ezzonen. Adalhard I trouwt met Adelheid Ψ, een dochter van de Konradijnse hertog Gebhard II van Lotharingen Ψ.
Wanneer Koenraad 'de Rode' Ψ in 944 hertog van Lotharingen wordt zal het huwelijk van Adalhard met Adelheid positief uitpakken voor de Ezzonen. Hertog Koenraad wil de Konradijnse invloed in Lotharingen uitwissen, zodat halverwege de tiende eeuw de Ezzonen via hun Konradijnse bloedband de kans krijgen om de van oorsprong Konradijnse goederen langs de Rijn (Ripuaria) te erven.
In de tweede helft van de tiende eeuw groeien de Ezzonen dankzij deze erfenis uit tot de machtigste familie aan de Rijn. Aan het einde van de tiende eeuw verwerven ze het paltsgrafelijke ambt van Lotharingen, maar omdat de Ezzonen zich vanuit Lotharingen gezien aan de overkant van de Rijn ophouden worden zij de paltsgraven aan de Rijn genoemd. Het gaat echter om hetzelfde ambt dat hun voorgangers Ansfried (I) Ψ, Reginar I Ψ, Wigerich Ψ en vele anderen hebben uitgeoefend.
Het toegenomen aanzien van de familie blijkt uit het huwelijk van Erenfried (III) met Mathilde van Saksen Ψ, een dochter van keizer Otto II Ψ.

Koninklijke pretenties

Koninklijke afstamming van Liudolf.Noot 1De Ezzonen steunen keizer Hendrik II Ψ niet van harte. De keizer probeert op zijn beurt de familie op allerlei manieren tegen te werken. De oorzaak van deze onmin is waarschijnlijk gelegen in de troonsbestijging van Hendrik II in 1002. Erenfried (III) vindt mogelijk dat zijn zoon Liudolf meer recht op de kroon heeft dan Hendrik II.
Liudolf, stamt uit de seniorlinie der Ottonen, want Otto I Ψ, II en III Ψ behoren allemaal tot de bloedlijn van Liudolf. Liudolf heet dus niet toevallig Liudolf, maar is vernoemd naar de stamvader van de keizerlijke familie. Zelfs Erenfried (III)'s derde zoon krijgt geen Ezzoner naam, maar wordt naar grootvader van moederskant Otto genoemd. Bovendien is Liudolf het meest naaste mannelijk familielid van Otto III. Alleen Liudolf is nog erg jong, maar dat was Otto III bij zijn troonsbestijging ook!
Hendrik II stamt niet uit de seniorlinie der Ottonen. Volgens de stamboom stamt Hendrik II wel in mannelijke lijn af van de eerste Saksische koning Hendrik I 'de Vogelaar' Ψ.
Erenfried (III)'s pretentie om zijn zoon op de troon te krijgen is dus niet zo vreemd. Een tweede kans op de troon komt in 1024 wanneer Hendrik II zonder nageslacht overlijdt. Opnieuw wordt Liudolf overgeslagen ten gunste van de Saliër Koenraad II Ψ. Nu is het nog wranger dat Liudolf wordt overgeslagen, want Koenraad II is een graad minder verwant aan de Ottonen dan Liudolf.

Bannerheer van Keulen

Als oudste zoon is Liudolf voorbestemd om zijn vader op te volgen. Hij krijgt zoals veel zonen een goede militaire training. Liudolf legt echter een bijzondere geschiktheid als bevelhebber aan de dag, zodat hij spoedig carrière maakt en bannerheer van de Keulse aartsbisschop wordt. Dit is meer dan een erebaantje, want hij moet het Keulse leger daadwerkelijk in het veld aanvoeren.

Een groot gezin

Inkomsten verkrijgen Liudolf en Mathilde niet alleen uit de bannerheerschappij en het mogelijk hierbij horende voogdijschap van de dom te Keulen, maar ook uit de voogdijen van de kloosters in Brauweiler, Munster en Borghorst. Het eerste klooster wordt in 1024 door Liudolfs ouders gesticht en de laatste twee behoren tot de huwelijksgift van zijn vrouw Mathilde. De voogdij over een klooster is zeer lucratief, laat staan over drie of vier.
Niet alleen financieel gaat het voor de wind. Samen stichten Liudolf en Mathilde een groot gezin met mogelijk zes kinderen. Irmintrud Ψ, Hendrik Ψ, Koenraad Ψ, Mathilde Ψ, Adelheid Ψ en waarschijnlijk nog een onbekend gebleven dochter Ψ. Het gebruik van de naam Koenraad kan wijzen op Mathildes Konradijnse achtergrond. Haar overgrootvader aan vaders kant is hertog Koenraad I van Elzas Ψ, bovendien is Koenraad een pretentieuze keizerlijke naam, want de eerste niet-Karolingische keizer heet Koenraad I Ψ. De koninklijke pretenties worden dus uitgedrukt in de naam van de zoon.
Dochter Irmintrud trouwt met Rupert I Van Opper-Lahngouw Ψ, in 1057 opvolger van Otto I van Hammerstein in de Opper-Lahngouw en ook genoemd als graaf in het diocees Utrecht. Mathilde trouwt met Bruno Ψ, graaf van Heimbach en Zülpichgouw. Adelheid trouwt met Godschalk (II) Ψ, graaf van Twente, Hetter en Hasegouw en de onbekende dochter trouwt met Elli II Ψ, graaf van Rheinhausen en Leinegouw.

Vroeg overleden

Liudolf is geen lang leven gegeven. Hij zal nooit in zijn vaders voetsporen treden als paltsgraaf aan de Rijn. Op 10 april 1031 sterft hij drie jaar voor zijn vader.
Bij Liudolfs dood is zijn oudste zoon Hendrik (I) minderjarig, want hij is op zijn hoogst elf jaar, wanneer aangenomen wordt dat hij in het huwelijksjaar van zijn ouders is geboren. Hendrik (I) beschikt over meerdere beschermheren, want zowel beide opa's en broers van zijn vader en moeder zijn in leven. Hij hoeft niet voor zijn bezittingen te vrezen. De meerderjarig leeftijd haalt Hendrik (I) waarschijnlijk net niet, want ook hij zal jong overlijden tussen 1031 en 1033. Zijn enige broer Koenraad moet de bloedlijn voortzetten. Hij is in 1033 uiteraard ook minderjarig.
Het paltsgrafelijke ambt vererft aan Liudolfs broer Otto (II) Ψ, die dit ambt tot 1045 zal uitoefenen. In dat jaar wordt hij hertog van Schwaben en staat hij zijn paltsgrafelijke ambt af aan zijn neef Hendrik (I) Ψ, bijgenaamd 'de Razende'. Hendrik (I) 'de Razende' is een zoon van Hendrik van Zülpichgouw Ψ (ook Hezilo of Hezelin genoemd), een tak der Ezzonen die beter bekend staat als de Hezeliniden. Een tak die de tegenkoning Herman I van Salm Ψ zal voortbrengen. Het paltsgrafelijke ambt van Lotharingen komt zo steeds verder van haar oorsprong te liggen en wordt uiteindelijk een ambt zonder ambtsgebied.

Wat gebeurt er met Zutphen?

Evenals zijn schoonvader zal ook Liudolf zich weinig in Zutphen hebben laten zien. Er zijn geen handelingen van hem in Zutphen en of omstreken bekend.
Hoe Zutphen precies vererft na zijn vroege dood is niet geheel duidelijk. Mogelijk is Zutphen van meet af aan als huwelijksgeschenk voor Adelheid bestemd, net zoals dat voor haar moeder het geval is geweest en hebben haar voogden het voor haar beheerd. Daarnaast kan niet uitgesloten worden dat Koenraad tot zijn dood heer van Zutphen is.

Literatuur

  1. H.H. Jongbloed, mededeling per e-mail, 5-11-2005.
    "De naam Otto van Ezzo's zoon, denkelijk de jongste, is ook niets bijzonders, die jongen werd naar zijn grootvader van moederskant genoemd, terwijl de tussenbroer Herman, later aarsbisschop van Keulen, naar opa aan vaderskant heette, Herman 'het korte stompje'. De naam van de oudste zoon Ludolf verwijst naar de Aanheer van de Liudolfingen, en is een significant getuigenis dat Ezzo en vrouwtjelief hun kinderen nadrukkelijk onder het Liudolfinger aureool stelden."
  2. Over de graven van Zutphen vóór 1190, Prof. Mr. R.Fruin,
    De Nederlandsche Leeuw, Jaargang XLI, nr. 11/12, kolom 308-317 , november-december 1923.
  3. Königtum und adelige Herrschaftsbildung am Niederrhein im 9. Und 10. Jahrhundert, Egon Boshof,
    In: Klever Archiv - Schriftenreihe des Stadtarchives Kleve,
    Selbstverlag des Stadarchives Kleve, 1983.
  4. Beiträge zur Geschichte Emmerichs, Eltens und der Herren von Zutphen im 11. Jahrhundert, Erich Wisplinghoff,
    In: Rheinische Vierteljahrsblätter, jaargang 50,
    Ludwig Röhrscheid Verlag, Bonn, 1986.
  5. Die Grafen von Hamaland und Zutphen, Ralf G. Jahn,
    Geldrischer Heimatkalender, vol. 1992, 1992.
  6. Criticism and critique, Donald C. Jackman,
    Prosopographica et Genealogica, vol. 1,
    Unit for Prosopographical research, Oxford, 1997.
  7. A Greco-Roman Onomastic Fund, Donald C. Jackman,
    In: Onomastique et Parente dans l'Occident medieval, Prosopographica et Genealogica, vol. 3,
    Unit for Prosopographical Research, Oxford, 2000.
  8. Die Salier, Egon Boshof,
    Verlag W. Kohlhammer, Stuttgart, 2000.
  9. Het (palts)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis, J.M. van Winter,
    In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XCII,
    Walburg Druk BV, Zutphen, 2001.
  10. De genealogie van de voogden, graven en hertogen van Gelre, Ralph G. Jahn,
    In: Hertogdom Gelre, Historische bijdragen, deel 1,
    Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 2001.
  11. Der Name Sophia als genealogisches Indiz und Problem II. Teil. Josef Heinzelmann,
    In: Archiv für Familiengeschichtsforschung, 6. Jahrgang, Heft 4, december,
    C.A. Starke Verlag, Limburg, 2002.
  12. German counties, Donald C. Jackman.
  13. Die Genealogie der Vögte, Grafen und Herzöge von Geldern, Ralf G. Jahn.
  14. Karl-Heinz Schreiber, Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der StauferZutphen, Liudolf.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende IV des Wonnesdages op sunte Petrus Chanel dach, dat was op ten achtsten ende twintigsten dach der maent van Aprilis.