Meginhard I van IJsselgouw (82x-848)

Graaf van IJsselgouw

Getuigenissen

Noot 1Meginhard I Ψ is een zoon van Wrachari Ψ. Van Meginhard I is alleen zijn getuigenis bij zijn vaders gift aan Liudger in 794 bekend. Oorkondelijk komt Meginhard I niet in De Graafschap voor, zodat zijn handelingen in duister gehuld zijn.
Wenskus meldt dat Meginhard I (Maynhard) te identificeren is als voogd van het klooster in Werden en stelt deze in een moeite door ook gelijk aan een Maynhard die twee keer voorkomt in het memorieboek van Corvey. In het licht van de nauwe betrekkingen van de familie met Liudger is een voogdijschap in Werden niet onmogelijk. Voor wat, hoort wat, uiteraard. Tegelijkertijd treedt er ook een Meginhard in de Werdense oorkondes op zonder de vermelding van zijn voogdij. Mogelijk zijn er dus twee Meginhards in die tijd actief. Eerder, in 811, is er een graaf Meginhard betrokken bij de onderhandelingen aan de Eider. Of deze Meginhard als één van de twee voorgaande Meginhards is te identificeren valt slechts te vermoeden.

De voogd Meginhard is betrokken bij twee schenkingen en de Meginhard zonder voogdtitel bij acht andere schenkingen. In 845 en 846 wordt er goed op de Veluwe vergeven, de Meginhard die hierbij optreedt, moet het stellen zonder de titel van voogd. Of de identificatie van Wenskus correct is valt dus te bezien. Het laatste optreden van Meginhard zonder voogdtitel is opgetekend in 848, zodat hij vermoedelijk daarna, maar voor 855 is overleden.
In 824 komt er een Maynhard voor in de overgeleverde tradities van de abdij van Corvey. Of het hier ‘onze’ Meginhard betreft is de vraag. Rond 846 en 847 wordt in dezelfde tradities een Maynhard als laatste getuige in de rijtjes Abbi, Bern, Thanco, Alfinc, Nithard, Maynhard en Baddo, Bern, Barno, Tanco, Alfinc, Nithard, Maynhard vermeld. Het eerste rijtje getuigen betreft goed in Algerushus in pagus Ittergoe en het tweede het onbekende goed Heppium in dezelfde pagus.
Als de pagus Ittergoe gelijk te stellen is aan de Ittergouw, gelegen in het noorden van Hessen rondom Kassel, komt de familie der Esikonen in beeld. waarvan Asig I van Hessengouw Ψ een vertegenwoordiger is. Saillant detail is dat er ook een goed Brungeringhuson in de Ittergouw ligt. Dit doet sterk denken aan de naam van Meginhard I's grootvader: Brunhari. Verder valt op dat een andere schenking waarbij mogelijk de vader van Meginhard I is betrokken zich wellicht in Hessen afspeelt. Helaas spelen allerlei onzekerheden voor een definitieve identificatie een storende rol.

Stichter van Meinerswijk bij Arnhem

Noot 2Volgens een hypothese van Verkerk is Meginhard I de naamgever van Vicus Meginhardi (Meinerswijk) dat in 814 genoemd wordt als Meginhardiswich. Meinerswijk ligt ten zuiden van de Rijn bij Arnhem en is van oorsprong een Romeins castellum (Castra Hercules).
Ten noorden van de Rijn is volgens Verkerk de helft van een koninklijk hof door Pippin III Ψ in of voor 763 aan het klooster in Prüm geschonken en de andere helft waarschijnlijk aan (een voorvader van?) Brunhari. In 996 wordt Arnhem in tweeën verdeeld. Het oostelijke deel wordt bezit van het klooster in Elten en het westelijke deel komt later in handen van de graven van Gelre, de uiteindelijke erfgenamen van de Hamalandse boedel.

Roerige tijden

Noot 3Het zijn roerige tijden voor Meginhard I. Saksen is amper veroverd door Karel I 'de Grote' Ψ of het Frankische rijk wordt door diens zoon Lodewijk I 'de Vrome' Ψ opgedeeld in drie stukken voor zijn drie zonen. Het lot van Hamaland is ongewis. De gouw ligt aan de grens van twee nieuwe rijken: Middenrijk en Oost-Franken.
In 838 wordt Hamaland in beginsel toegewezen aan Lodewijk II 'de Duitser' Ψ (Oost-Franken) en vervolgens in 839 aan keizer Lothar I Ψ (Middenrijk). Uiteindelijk wordt Hamaland in 843 in het verdrag van Verdun ingedeeld bij Oost-Franken en niet bij het Middenrijk.
Aan de horizon doemen er andere gevaren op, die een rustige toekomst van Hamaland zullen verstoren. Vanaf 834 worden Utrecht en Dorestad meermalen door Noormannen geplunderd. Van keizer Lothar I hoeft Meginhard I niets te verwachten. Deze is door de interne conflicten zo verzwakt dat een krachtdadig optreden tegen de invallers onmogelijk is. De Noormannen gebruiken vrijwel ongestoord Walcheren als hun uitvalsbasis. Te arren moede besluit Lothar I in 839 de Vikingbroers Rorik I Ψ en Harald III Klak van Haithabu Ψ met Dorestad te belenen. Harald III Klak krijgt in 841 Walcheren en Rorik I West-Frisia (o.a. Kennemerland) erbij. In de hoop dat dit nieuwe invallen zal voorkomen. Dit onder het motto: met dieven vang je dieven.
Als het inderdaad rustig wordt meent Lothar I dat hij het wel weer zonder Rorik I en Harald III Klak kan stellen. In 844 worden beide broers, op valse grond, gevangen genomen wegens landverraad. Harald III Klak komt hierbij om, maar Rorik I weet uit gevangenschap te ontsnappen en biedt Lodewijk 'de Duitser' zijn diensten aan, maar verdwijnt vervolgens naar Denemarken. Gevolg is dat de rivaliserende Noormannen aan de kust vrij spel krijgen nu de broers zijn verdwenen. In 846 wordt het Nederrijnse gebied opnieuw door Vikingen bezocht en in 847 wordt Meinerswijk ook geplunderd. Een catastrofe die de onmacht van Meginhard I tegen de ‘hit and run’ tactieken van de Noormannen etaleert.

Een erfdochter met Billung-connecties

Noot 4Van Meginhard I zijn uit de bronnen geen kinderen bekend, waardoor de regeling bij zijn erfopvolging ook onbekend is. In de hier gepresenteerde stamboom is uitgegaan van de aanname dat Wichman (II) met een onbekende erfdochter van Meginhard I is getrouwd. Hiervoor pleit dat in 855 Wichman (II) als graaf van Hamaland optreedt. De band tussen Meginhard I en de pre-Billungers krijgt via een huwelijk van zijn erfdochter meer reliëf.
Vermoedelijk is Wichman (II) een jongere zoon, zodat een vacante grafelijke positie in Hamaland een welkome aanvulling op zijn bezittingen zal zijn.
Voor creatieve geesten zijn er natuurlijk meer scenario's te bedenken. In ieder geval ontstaat een familie waarin de namen 'Wichman' en 'Meginhard' veelvuldig voorkomen. Zeker is dat de eerstvolgende graaf in Hamaland Wichman (II) heet en dat hij Meginhard I is opgevolgd.

Literatuur

  1. OGZ, nr. 15.
    Lacomblet, UB Niederrhein, nr. 46, 49, 50, 55, 56, 57, 60, 62, 63 en 64.
    Traditiones Corbeienses I, Editie: K.A. Eckhardt, Studia Corbeiensia, Scientia Verlag Aalen, 1970, A§134 en A§135.
    R. Wenskus, Sächsischer Stammesadel und fränkischer Reichsadel, Vandenhoeck & Ruprecht, Göttingen, 1976, p204.
    C.L. Verkerk, Arnhem, van koningsgoed tot stad, In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel LXXIV, Vereniging Gelre, Arnhem, 1983, p16.
    D.E.H. De Boer et al., Middeleeuwen, Martinus Nijhoff Uitgevers, Groningen, 2ed., 1995, p81.
    K.H. Schreiber, Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer, Asig-Sippe, Billunger, Udonen, Wichmann (I).
    Wikipedia, Esikonen, Grafschaft Stade, Harlingerland, Ittergau, Östringen.
  2. OGZ, nr. 27.
    C.L. Verkerk, 1983, p3-4, 15-17.
    R. Wientjes en M. Smit, Het Musiskwartier in Arnhem: van agrarische nederzetting tot stadswijk (850-1550), In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, Historisch Jaarboek voor Gelderland, Vereniging Gelre, Arnhem, 2006, p9-10, 42-43.
    H.H. Jongbloed, Tussen 'paltsverhaal' en 'IJssellinie' - Averarda 'van Zutphen' (†11 augustus [961]) en de geboorte van de graafschappen Zutphen en Gelre (1026-1046), In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, Historisch Jaarboek voor Gelderland, Vereniging Gelre, Arnhem, 2006, p104-108.
  3. U. Nonn, Pagus und Comitatus in Niederlothringen, Ludwig Röhrscheid Verlag, Bonn, 1983, p47-48, 68-71.
    E. Boshof, Königtum und adelige Herrschaftsbildung am Niederrhein im 9. Und 10. Jahrhundert, In: Klever Archiv - Schriftenreihe des Stadtarchives Kleve, Selbstverlag des Stadarchives Kleve, 1983, p10.
    H. Halbertsma, Frieslands oudheid - Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang, Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 2000, p53, 312-313.
    K. van Vliet, In kringen van kanunniken, Walburg Pers, Zutphen, 2002, p132.
    L. van der Tuuk, Noormannen in de lage landen, Omnidruk, Kampen, 2008, p81-88, 123.
  4. H. Schmidt, Die historische Entwicklung des Landes Oldenburg, In: Oldenburg – Land zwischen Nordsee und Dammer Bergen, Niedersächsischen Landeszentrale für politische Bildung, Hannover, 1999, p46.
    J.M. van Winter, Het (palts)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis, In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XCII, Walburg Druk BV, Zutphen, 2001, p59, verwantschapstabel.
    K.H. Schreiber, Billunger, Wichmann (I) en Wichmann (II).

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I op Tweeden Pinksterendach.