Meginhard IV van Hamaland (914-952)

Graaf van Hamaland en markgraaf van Friesland

Uitgehuwelijkte wezen

Noot 1Als Eberhard I Ψ in 898 vermoord wordt, blijven zijn zoontjes Meginhard IV Ψ en Eberhard II Ψ vermoedelijk minderjarig achter. Hun oom Meginhard III Ψ zal als naaste verwant hun opvoeding op zich nemen, maar niet voor lang. Op deze website wordt vermoed dat Meginhard III al rond 900-902 overlijdt. In het hier gepresenteerde scenario wordt hun neef Eberhard (I) van Ortenau Ψ misschien hun voogd en wanneer deze in 910 overlijdt volgt mogelijk diens broer Gebhard II van Lotharingen Ψ hem als voogd op.

Wie van beide voogden de huwelijken van beide wezen regelt is een gok. Volgens Jackman trouwt Meginhard IV met Gerberga, een dochter van graaf Gerhard I van Metzgouw Ψ en Oda van Saksen Ψ. Waarschijnlijk is dit huwelijk een onderdeel van de verzoeningspolitiek tussen de Konradijnen en Matfriedingers. Als koppelaar zal dan waarschijnlijk Gebhard II van Lotharingen optreden, omdat hij belangen in het hertogdom Lotharingen heeft. Bovendien heeft Gerberga mogelijk bezittingen in en rondom Deventer, de machtszetel van de Brunharingen, zodat zij een interressante partij is. Van haar zus Uda Ψ is bekend dat zij haar goederen in 956 in de stad Deventer, in de buurt van Deventer en in het graafschap van Wichman (IV) terugkrijgt, omdat zij niet heeft ingestemt met een schenking van haar moeder Oda aan het Sint Mauritiusklooster in Magdeburg. Na het overlijden van Uda in 960 wordt alsnog de schenking voltooid en blijkt het te gaan om een domeinhof en 32 kleinere hoeves in de stad en negentien meer verspreid gelegen hoeves. Mogelijk stammen deze bezittingen uit het weduwengoed van Oda, die in 897 is getrouwd met Zwentibold Ψ, de laatste koning van Lotharingen.
Eberhard II trouwt met Amalrada, dochter van graaf Diederik van Ringelheim Ψ en Reginhild Ψ, op haar beurt dochter van Godfried II 'de Deen' Ψ en Gisela Ψ. Ook dit huwelijk is politiek getint. De bloedbanden van de Konradijnen met een sterk Saksisch geslacht, met als over-overgrootvader mogelijk de befaamde Widukind Ψ, wordt zo een feit. Eberhard (II) treedt op als graaf in het Nedersticht Utrecht. Allemaal in de hypothese van Jackman, maar er is geen dochter Gerberga van Gerhard I en Oda bekend uit de bronnen, terwijl de familie inmiddels behoorlijk is gereconstrueerd.

Op deze website wordt Irmintrud Ψ als eerste echtgenote van Meginhard IV gezien, in navolging van Van Winter. Haar herkomst is onbekend. Meginhard IV trouwt een tweede keer met Kunigunde, vermoedelijk een dochter van Wigerich Ψ, paltsgraaf van Lotharingen, en Kunigonde Ψ,  op haar beurt een dochter van Reginar I van Henegouwen Ψ en Ermentrud van Frankrijk ΨUit het eerste huwelijk van Meginhard IV met Irmintrud wordt waarschijnlijk een dochter geboren; Gerberga Ψ. Uit het tweede huwelijk met Kunigunde wordt Wichman (IV) Ψ geboren. 

Meginhard IV en Eberhard II zijn achterneven van de Konradijnse koning Koenraad I Ψ. Wanneer deze in 919 opgevolgd wordt door Hendrik I van Saksen Ψ is  Eberhard (II) met de zuster van koningin Mathilde Ψ getrouwd De verwantschap met het koningshuis blijft zo gewaarborgd.

Splitsing van Hamaland

Hamaland met zijn pagi.Om beide broers als graaf te betitelen, hetgeen hun hoge statushuwelijken vereisen, wordt het eigengoed in verschillende delen opgesplitst. De markgraafschap Frisia komt waarschijnlijk in 911 bij Waldger III Ψ terecht, wanneer Karel III van Frankrijk 'de Eenvoudige' Ψ Lotharingen inneemt. Waldger III blijft mogelijk markgraaf tot 923. Het erfdeel wordt gesplitst: Eberhard II ontvangt Salland en Drenthe en Meginhard IV Hamaland.
Over graaf Eberhard II valt te melden dat hij en Amalrada twee zonen krijgen: Eberhard (III) Ψ en Diederik Ψ (I, bisschop van Metz).

Strijd om de bisschopszetel

Het eerste probleem waarvoor Meginhard IV zich gesteld ziet is dezelfde als zijn vader bij zijn aantreden: de huisvesting van de bisschop van Utrecht.
Rond 914, wanneer Meginhard IV meerderjarig wordt is Radboud Ψ bisschop van Utrecht. Radboud resideert nog steeds tegen zijn wens in Deventer. Nadat Meginhard IV graaf is geworden stellen Radboud en zijn achterneef Waldger III van Teisterbant opnieuw voor de bisschopszetel naar Utrecht terug te brengen. Terug dus naar het gebied waar hun familie de scepter zwaait. Hierbij vinden ze Meginhard IV op hun pad, want die ziet de prestieuze bisschopszetel liever niet uit zijn 'hoofdstad' verdwijnen. De bescherming die Meginhard IV de bisschop biedt moet uiteraard wel betaald worden met grondbezit en andere voordeeltjes. Radboud probeert op zijn beurt gebruik te maken van de Lotharingse wanorde om zijn plannen te verwezenlijken.

De bisschop verhuist naar Utrecht

Eerst erkent Radboud in 911 Karel III 'de Eenvoudige' en vervolgens drie jaar later Koenraad I als koning. Hij moet wel, want zijn diocees wordt door de rijksgrens doorsneden. Graaf Waldger III vraagt Koenraad I in 914 om Utrecht in zijn koninklijke rechten te bevestigen. Dit is de eerste keer dat een 'Hollandse' graaf zich met het bisdom Utrecht bemoeit. Deze strijd zal zich de komende eeuwen nog vaak herhalen, wanneer Holland en Gelre om de bisschopszetel strijden.
Pas in 915 delft Meginhard IV het onderspit wanneer Radboud de paus als bemiddelaar in zijn plannen weet te betrekken. Hiervoor reist Radboud persoonlijk naar Utrecht, terwijl Meginhard IV slechts afgezanten afvaardigt. De paus oordeelt in het voordeel van Radboud en schrijft aartsbisschop Herman van Keulen Ψ dat het geschil is bijgelegd. De terugkeer naar Utrecht zal Radboud niet meer meemaken, dat is weggelegd voor zijn opvolgerBalderik Ψ.

Perikelen in Lotharingen

Over Meginhard IV's stellingname bij de vele opstanden in Lotharingen is geen duidelijkheid. In ieder geval hoort Hamaland bij Oost-Franken, zodat het voor de hand ligt om te beweren dat zijn loyaliteit hier zal liggen. Bovendien is zijn vrouw een nicht van koning Otto I Ψ, maar wat ligt voor de hand in deze warrige tijden?
Voor of in 952 komt Meginhard IV te overlijden, want in dat jaar komt zijn zoon Wichman (IV) voor de eerste keer in een oorkonde als graaf voor.

Literatuur

  1. W. Ehbrecht, Landesherrschaft und Klosterwesen im ostfriesischen Fivelgo (970-1290), Aschendorffsche Verlagsbuchhandlung, Munster, 1974, p33.
    J.M. van Winter, Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert, In: Rheinische Vierteljahrsblätter, Jg. 44, Ludwig Röhrscheid Verlag, Bonn, 1980, p27-28, 34, 39en 42.
  2. De oorsprong van het geslacht der graven van Gelre, Mr. W. de Vries,
    In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XLVIII,
    N.V. Drukkerij G.J. Thieme, Nijmegen, 1945-1946.
  3. Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert, J.M. van Winter,
    In: Rheinische Vierteljahrsblätter, jaargang 44,
    Ludwig Röhrscheid Verlag, Bonn, 1980.
  4. De staatsinstellingen in de Karolingische tijd, F.L. Gaashof en G. Berings,
    In: Algemene geschiedenis der Nederlanden - Deel 1 Middeleeuwen,
    Unieboek B.V., Bussum, 1981.
  5. Pagus und Comitatus in Niederlothringen, Ulrich Nonn,
    Ludwig Röhrscheid Verlag, Bonn, 1983.
  6. De familie-inschrijving van Wichman van Elten in het gedenkboek van Reichenau,
    H. Verdonk,
    Brochure 6, Uitgave in eigen beheer, Lelystad, 1990.
  7. Een stamboom in been - Vier eeuwen graven en gravinnen van het Hollandse Huis ,
    Dr. B.K.S. Dijkstra,
    De Bataafsche Leeuw, Amsterdam, 1991.
  8. Die Grafen von Hamaland und Zutphen, Ralf G. Jahn,
    Geldrischer Heimatkalender, vol. 1992, 1992.
  9. De nederzettingsontwikkeling van Zutphen voor het jaar 1000, M. Groothedde,
    In: De Sint-Walburgiskerk in Zutphen,
    Walburg Pers, Zutphen, 1999.
  10. Kleines Lexicon des Mittelalters, Wilhelm Volkert,
    Verlag C.H. Beck, Munchen, derde druk, 2000.
  11. Frieslands oudheid - Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang, H. Halbertsma
    Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 2000.
  12. Het (palts)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis, J.M. van Winter,
    In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XCII,
    Walburg Druk BV, Zutphen, 2001.
  13. Machtsstrijd in Hamaland, Anton Kos,
    In: Jaarboek voor middeleeuwse geschiedenis 5,
    Uitgeverij Verloren BV, Hilversum, 2002.
  14. In kringen van kanunniken, Kaj van Vliet,
    Walburg Pers, Zutphen, 2002.
  15. German counties, Donald C. Jackman.
  16. Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer, Karl-Heinz Schreiber.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Saterdagesop sunte Johannes de Deo dach, dat was op ten achtsen dach der maent van Marcii.