De ondergang van het graafschap Hamaland

Verdeel en heers

Na de opstand van Adela Ψ en Balderik Ψ worden de bezittingen in Hamaland door de kroon geconfisqueerd. Hendrik II Ψ wil het liefst alles aan het bisdom Utrecht schenken om zo de positie van de rijkskerk te versterken. Het is echter de vraag of de keizer wel vrij over het koningsgoed kan beschikken. Hendrik II heeft op twee onderdelen van de boedel aanspraken; zowel op het Ringelheimse deel als het Zwentibolds deel, maar er zijn anderen die eerder in de lijn van erfopvolging komen.

Hendrik II ziet wel kans Hamaland te verdelen, zodat het enorme machtscomplex onder meerdere erfgenamen verdeeld kan worden. Door deze verdeel-en-heers-strategie zal Hamaland nooit meer tot grote hoogte stijgen. Hetgeen de keizer zal hebben bevallen. Op den duur verdwijnt de naam 'Hamaland' zelfs en verschijnen er nieuwe landsheerlijke machten.
Hamaland wordt opgedeeld in Zuid-Hamaland, 'Noord-Hamaland' (eerst IJsselgouw en later Zutphen geheten), Teisterbant, Drenthe, Salland, Fivelgouw en Lohn.

Wie zijn de erfgenamen?

Hamaland in de negende eeuw.Keizer Hendrik II benoemt bisschop Adelbold II van Utrecht Ψ pas na de dood van Balderik in 1021 tot prefect. Het bisdom verwerft mogelijk tevens de graafschappen Veluwe en Flethite.
In 1024 verkrijgt Adelbold II tijdelijk het graafschap Drenthe en in 1026 definitief de Teisterbant. Of dit laatste graafschap bij de Hamalandse erfenis behoort valt te betwijfelen. Wie de andere erfgenamen precies zijn is al enige decennia een bron van speculatie.
De erfenis van Hamaland valt in min of meer drie kringen uiteen; de eigen bezittingen, de leenbezittingen afkomstig uit Zwentibolds erfenis en de leenbezittingen van Ringelheimse herkomst. De erfgenamen van de goederen moeten in deze drie kringen worden gezocht. De erfgenamen van de eerste kring zijn gemakkelijk te vinden; de kinderen.

De kinderen

De kinderen van Adela, de laatste gravin van Hamaland, erven de allodia. Dochter Azela Ψ schenkt enkele allodiale goederen uit haar erfdeel aan het Sticht Elten waar zij als non is ingetreden. Zoon Meinwerk Ψ, bisschop van Paderborn, schenkt zijn erfdeel aan de door hem gestichte abdij Abdinghof in Paderborn.
Bij het erfdeel van de kinderen zitten geen grafelijke ambten, hun lekenbestaan staat dat niet toe. Hiervoor komen anderen in aanmerking.
De vermoedelijke kinderen van Emma ΨLuitbold Ψ en Adalbert Ψ, erven in 1052 nog bezittingen van hun oom Meinwerk. Over het erfdeel van Glismut Ψ is niets bekend.

De erfgenamen die na de kinderen in beeld komen zijn neven en nichten, oftewel de nakomelingen van Wichman (IV) Ψ zijn halfzuster Gerberga Ψ. Van haar zijn echter geen nakomelingen bekend.

Zuid-Hamaland

Werner I Ψ ontvangt uit de Hamalandse nalatenschap het zuidelijke deel dat nog even Hamaland blijft heten. Zijn portie bestaat globaal uit de Liemers en het zuidelijke deel van de Veluwe. Dat deel waar de meeste allodiale goederen van de familie liggen. Mogelijk krijgt hij ook het grafelijke ambt toebedeeld. Of en, zo ja, hoe zijn relatie met de Hamalandse familie is, is onbekend. Het zal mogelijk via een van de echtgenotes lopen.
De term 'Zuid-Hamaland' doet vermoeden dat er ook een 'Noord-Hamaland' is.

Teisterbant

Het (eventuele) nageslacht van schoonvader Unruoch I Ψ sterft waarschijnlijk spoedig na hem, zodat het graafschap Teisterbant, dat oorspronkelijk in zijn familie vererfde,  aan het bisdom Utrecht wordt geschonken. Bij deze vererving zijn nog enkele puzzels op te lossen. Wieis bijvoorbeeld Eberhard van Teisterbant Ψ. Als werkhypothese wordt voorlopig Eberhard (V) van Nellenburg Ψ genomen, maar zeker is dit allerminst.
Werner I zijn oudere broer Eberhard (V) erft in deze hypothese enkele hoeves in de Teisterbant. Eberhard (V)'s dochter Adela Ψ trouwt met Hendrik II Ψ, zoon van Lambert II van Leuven Ψ, waardoor deze goederen in bezit van de hertogen van Brabant komen. Eberhard (V) wordt echter niet als graaf van de Teisterbant aangesteld, dit ambt houdt de bisschop voor zichzelf. Mogelijk volgt de Veluwe ook deze lijn, want de Brabantse familie claimt later dit graafschap.

Het (vermeende) oog in de storm

Blijft de vraag over wat er gebeurt met het noordelijke deel van Hamaland, waaruit later onder andere het graafschap Zutphen zal ontstaan. In de literatuur worden soms vreemde constructies bedacht om het ontstaan van het graafschap Zutphen te verklaren. Er wordt vaak geopperd dat er al heren van Zutphen zijn ten tijde van Balderik en Adela, maar deze houden zich dan opvallend afzijdig in de turbulenties van die tijd, een soort oog in de storm. Bovendien is er geen enkele kroniek of oorkonde overgeleverd met een vermelding over een Zutphense dynastie. De conclusie dat een (palts-)graafschap of heerlijkheid Zutphen voor 1021 nooit heeft bestaan lijkt gerechtvaardigd.
Ook wat betreft het schenken en bevestigen van de schenking van Drenthe en Salland aan het bisdom Utrecht in 1024 en 1046 is naar zal blijken goed te verklaren.

Erfgenamen van Zwentibolds nalatenschap

Het is logisch om de erfgenamen van het noordelijke deel van Hamaland, Drenthe en Salland en andere koninklijke lenen, in de familie van de oorspronkelijke bezitters te zoeken. Het nageslacht van Gerhard (I) van Metzgouw Ψ en Oda van Saksen Ψ heeft aanspraken op de boedel van Zwentibold Ψ en vormt de derde kring. In dit verband zijn de bezittingen van hun dochter Uda Ψ in en rondom Deventer een ondersteunende factor voor deze opvatting.
De nog levende leden van Gerhard (I)'s nageslacht zijn goed bekend in Neder-Lotharingen. Een tak van Gerhard (I)'s nageslacht wordt gevormd door het huis Verdun. De kinderen van Godfried 'de Gevangene' Ψ zijn op het moment van de verdeling de levende generatie. Het huis Verdun erft het noordelijke deel van Hamaland. Van Godfried 'de Gevangene' is het nageslacht goed bekend. Rond 1021 leven Godfried II Ψ, Gozelo I Ψ, Irmingard Ψ, Herman Ψ, Adelheid Ψ en Gerberga Ψ nog. Niet van alle kinderen is bekend of en, zo ja, wat ze erven.

Vermoedelijke vererving Zwentibolds erfenis.

Drenthe en Salland

Noot 1Godfried II, hertog van Neder-Lotharingen, krijgt waarschijnlijk Drenthe en Salland rechtstreeks van Hendrik II Ψ in leen. In 1023/4 is er strijd tussen Gozelo I en Hendrik II over de opvolging in Drenthe en Salland. Na het overlijden van Godfried II in 1023 schenkt Hendrik II het graafschap Drenthe in 1024 aan het bisdom Utrecht, terwijl Gozelo I er aanspraak op heeft. In 1025 bevestigt de nieuwe koning, Koenraad II Ψ, de gift aan Utrecht. Pas wanneer Gozelo I Koenraad II's rechten op de koningstroon erkent krijgt hij in 1025 het graafschap terug.
Pas wanneer Gozelo II Ψ in 1046 overlijdt en de macht van het huis Verdun wordt gebroken weet keizer Hendrik III Ψ Drenthe definitief los te weken. Opnieuw haast de keizer zich om nog in 1046 opnieuw Drenthe en Salland aan het bisdom Utrecht te schenken.

IJsselgouw of 'Noord-Hamaland'

Noot 2Het graafschap Zutphen behoort ook tot de Hamalandse boedel, al wordt het nog geen Zutphen genoemd, maar een 'graafschap in Hamaland'. Mogelijk komt het eerder in de bronnen voor als Hisloa of IJsselgouw. Dit graafschap kan gesitueerd worden als 'Noord-Hamaland', ook al komt het in de bronnen niet onder die naam voor.
In de literatuur wordt vaak vermoed dat het Zutphense gravenhuis aan de Hamalanders verwant moet zijn. Hier volgt een voorstel: Irmingard van Verdun is een goede kandidate voor dit deel van de erfenis. Zij is getrouwd met Otto van Hammerstein Ψ. Otto is machtig genoeg om haar aanspraken ten gelde te maken, ware het niet dat e enkele problemen over hun huwelijk zijn gerezen. Otto van Hammerstein wordt heer van Zutphen, want het grafelijk ambt is waarschijnlijk naar Werner I gegaan. Otto (I) draagt overigens zelf ook rechten als achter-achterkleinzoon van Oda van Saksen, maar of dit bij de erfenis meetelt is ongewis, misschien als toegevoegde waarde.
Het latere graafschap Zutphen ontstaat dus door opsplitsing van Hamaland in 1021.

Fivelgouw

Noot 3De volgende zuster is Adelheid. Zij is getrouwd met Rudolf (I) van Werl Ψ, die tussen 1031 en 1038 in de bronnen voorkomt als graaf aan de Groninger kust, waarschijnlijk de Fivelgouw. Rudolf is mogelijk een zoon van Herman I van Werl Ψ. In de literatuur wordt soms aangenomen dat de Fivelgouw (en Hunsegouw) oud Werls bezit is (zijn), maar dan valt niet te verklaren waarom Gozelo I, Adelheids broer, in 1044 aanspraak op deze bezitingen maakt. Overigens laat Bruno V van Brunswijk Ψ, markgraaf van Friesland, ook rechten gelden. Opvallend is dat Bruno V 'markgraaf van Friesland' wordt genoemd. Of dit vergelijkbaar is met het markgraafschap dat Eberhard I 'de Saks' Ψ houdt, is vooralsnog onbekend.

Hamaland na de verdeling in 1024.

Erfgenamen van Ringelheim

De Meginhardinger bezittingen in de kuststreek stammen mogelijk af van de Ringelheimse erfenis. De bovenstaande lijn volgend, moeten de erfgenamen van dit deel van Hamalandse erfenis dus in het nageslacht van deze familie worden gezocht. Het huis Verdun heeft geen wortels in deze familie, zij erven het meest via bovenstaande Zwentibolds lijn. Het huis Verdun ondervindt aan de kust concurrentie van het huis Brunswijk.

Vermoedelijke vererving van Ringelheim.

Slotakkoord

Van Hendrik II zijn plan om Hamaland in zijn geheel aan het bisdom Utrecht te geven, om de lokale adel te verzwakken ten koste van de rijkskerk, komt pas na enkele decennia bij zijn opvolgers iets terecht. Zijn voortvarendheid wordt, zoals hierboven uiteengezet, beknot door de rechten van andere erfgenamen. Niettemin zijn alle graafschappen na verloop van tijd ondergeschikt geraakt aan het bisdom en worden alle graven leenmannen van de bisschop.
De verwarring die al in de Middeleeuwen ontstaat over de zelfstandigheid van de graven van Zutphen vindt hier zijn oorsprong. De heren van Zutphen, later graven, erven hun gebied tenslotte niet via het bisdom, maar rechtstreeks uit de nalatenschap van Hamaland. Het grafelijke ambt komt echter via een andere route. Zo ontstaat een eindeloze bron van twist die tot op heden voortduurt en waar deze site ook een bijdrage aan levert!
Tenslotte is het opvallend dat Zutphen veelvuldig in vrouwelijke lijn vererft. Het start als weduwengoed van Oda van Saksen, vererft vervolgens aan Irmengard van Verdun en daarna nog enkele malen via erfdochters. Mogelijk komen zelfs de Meginhardi via hun moeder aan het bezit. Dit zal geen toeval zijn. Hoe dan ook, bijna alle lijnen van de erfopvolging in Hamaland zijn inzichtelijk gemaakt en in een logisch verband geplaatst op enkele recente ontdekkingen na, waarover later meer.

Literatuur

  1. W. Ehbrecht, Landesherrschaft und Klosterwesen im ostfriesischen Fivelgo (970-1290), Aschendorffsche Verlagsbuchhandlung, Munster, 1974, p40-41.
  2. W. Ehbrecht, 1974, p53.
    "Wenn es auch bisher nicht gelungen ist, die späteren Grafen von Zutphen eindeutig an diesen Verwandtschaftskreis anzuschließen, so besteht doch in der Forschung kein Zweifel, daß die Grafen von Zutphen-Geldern als die eigentlichen Erben anzusehen sind."
  3. P. Leidinger, Untersuchungen zur Geschichte der Grafen von Werl, Verein für Geschichte und Altertumskunde Westfalens Abteilung Paderborn, Paderborn, 1965, p88, 97-98.
    W. Ehbrecht, 1974, p37-41.
    K.H. Schreiber, Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer (MGDRES), WerlHermann I en RudolfBrunonenBrun.
  4. De Lymers en hare havezaten, Mr. R.J.K.M. de Nerêe tot Babberich,
    In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XX,
    S. Gouda Quint, Arnhem, 1917.
  5. Het Graafschap Hamaland en de Brunharingen, Prof. Mr. R. Fruin,
    De Nederlandsche Leeuw, Jaargang XLVIII, nr. 6, kolom 163-168 , juni 1930.
  6. Aantekeningen betreffende de kerk en den hof van der Utrechtse St. Paulusabdij te Rheden, J.M. van Winter,
    In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel LIII,
    N.V. Drukkerij G.J. Thieme, Nijmegen, 1953.
  7. Adelas Kampf um Elten, F.W. Oediger,
    In: Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein,
    Verlag L. Schwann, Dusseldorf, 1954.
  8. Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der Middeleeuwen, Dr. W. Jappe Alberts,
    N.V. Martinus Nijhoff's Boekhandel en Uitgeversmaatschappij, 's-Gravenhage, 1966.
  9. Die Geschichte des Hamalandes, Anna Wirtz,
    In: Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein,
    Verlag L. Schwann, Dusseldorf, 1971.
  10. Die Hamaländer Grafen als Angehörige der Reichsaristokratie im 10. Jahrhundert, J.M. van Winter,
    In: Rheinische Vierteljahrsblätter, jaargang 44,
    Ludwig Röhrscheid Verlag, Bonn, 1980.
  11. Europäische Stammtafeln Neue Folge, Band VIII, Detlev Schwennicke,
    Verlag von J.A. Stargadt, Frankfurt,1980
  12. De staatsinstellingen in de Karolingische tijd, F.L. Gaashof en G. Berings,
    In: Algemene geschiedenis der Nederlanden - Deel 1 Middeleeuwen,
    Unieboek B.V., Bussum, 1981.
  13. Königtum und adelige Herrschaftsbildung am Niederrhein im 9. Und 10. Jahrhundert, Egon Boshof,
    In: Klever Archiv - Schriftenreihe des Stadtarchives Kleve,
    Selbstverlag des Stadarchives Kleve, 1983.
  14. Pagus und Comitatus in Niederlothringen, Ulrich Nonn,
    Ludwig Röhrscheid Verlag, Bonn, 1983.
  15. Die Grafen von Hamaland und Zutphen, Ralf G. Jahn,
    Geldrischer Heimatkalender, vol. 1992, 1992.
  16. De St. Walburgiskerk te Zutphen, Aad Bastemeijer,
    Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel LXXXVIII,
    Walburg Druk BV, Zutphen, 1997.
  17. De nederzettingsontwikkeling van Zutphen voor het jaar 1000, M. Groothedde,
    In: De Sint-Walburgiskerk in Zutphen,
    Walburg Pers, Zutphen, 1999.
  18. Die Germanen - Legende und Wirklichkeit von A-Z, Hannsferdinand Döbler,
    Orbis Verlag, Munchen, 2000.
  19. Frieslands oudheid - Het rijk van de Friese koningen, opkomst en ondergang, H. Halbertsma
    Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 2000.
  20. Het (palts)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis, J.M. van Winter,
    In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XCII,
    Walburg Druk BV, Zutphen, 2001.
  21. Machtsstrijd in Hamaland, Anton Kos,
    In: Jaarboek voor middeleeuwse geschiedenis 5,
    Uitgeverij Verloren BV, Hilversum, 2002.
  22. W. Frijhoff, Irmgard van Zutphen, In: Digitaal vrouwenlexicon van de middeleeuwen, 2014.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Donredages nae sunte Matteus dach, dat was op ten twintigsten ende vijfden dach der maent van Septembris.