Hendrik III van Borculo (1236-1288)

Kasteel Borculo, anno 1726.

Heer van Borculo

Wapen van de heren van Borculo.

Kinderoppas regelen

Noot 1Wanneer Hendrik III Ψ zijn vader Hendrik II Ψ in 1236 opvolgt als heer van Borculo is hij nog een kleuter van drie jaar. Om zijn belangen goed te kunnen verdedigen hertrouwt zijn moeder Euphemia van Coeverden Ψ met graaf Herman I van Lohn Ψ. Hierbij gaat het niet alleen om Borculo, maar ook om de rechten in Coevorden. Euphemia is namelijk erfdochter van Coevorden.


Herman I is de buurman van Euphemia en zijn graafschap sluit geografisch mooi aan bij Borculo. Herman I heeft echter hele andere ideeën over Hendrik III’s belangen dan Euphemia wenst. Tot Hendrik III’s meerderjarigheid heeft Herman I ruim tien jaar de tijd om het Borculose voogdij politiek uit te baten.

Relaties tussen Lohn en Borculo.

De verzakende voogd

Noot 2Herman I neemt zijn voogdijschap over Hendrik III zo vrijmoedig op dat hij ermee handelt, als ware het eigen bezit. Zo schenkt Herman I in 1246 naast zijn eigen rechten in de parochies in Eibergen, Neede, Groenlo en Geesteren aan Otto II ‘de Stedenstichter’ Ψ, om ze vervolgens in leen terug te ontvangen. Zo weet Herman I een machtige bondgenoot te verwerven als tegenwicht voor de bisschop van Munster, die nogal opdringerig is. Deze actie, die plaats vindt vlak voordat Hendrik III meerderjarig wordt, is mogelijk niet rechtsgeldig. Waarschijnlijk behoort Groenlo tot de Borculose bezittingen, want in 1236 heeft Hendrik II de (wereldlijke) rechten in Groenlo onder voorwaarden aan Otto II van Gelre verkocht.
Euphemia noch Hendrik III zijn bij de transactie in 1246 als getuigen opgetreden, waaruit blijkt dat hij noch zijn moeder hun goedkeuring aan de verkoop van Groenlose rechten hebben gegeven.

Transactief

Noot 3Hendrik III is bij veel transacties betrokken. In 1251 verkoopt hij met toestemming van de mede-erfgenamen, het goed Hertinc (bij Varsseveld) aan het klooster Betlehem. Deze mede-erfgenamen zijn mogelijk Albero II van Sinderen Ψ, Gerlach van Winterswijk, Herman van Marhulsen en Sweder van Langele. De Groot beschouwd alleen Albero als rechthebbende en de anderen als getuigen.
Op 9 maart 1259 schenkt Hendrik III ter zielenheil van zijn vrouw en zichzelf enkele schepels graan van het goed Sievering (bij Burlo) en Enekinck aan het klooster Groot Burlo. In 1261 is Hendrik III aanwezig bij de vrede tussen de bisschop van Utrecht en de graaf van Gelre. In 1262 treedt hij op in Drenthe bij de verkoop van het tiende van Dickenijnghe (Dikninge) en in hetzelfde jaar staat hij de graaf van Dalen bij, wanneer deze een erf afstaat aan de Johanniter-orde.

Een grafelijke dochter?

Noot 4Hendrik III is voor 1259 gehuwd met Agnes Ψ, zoals uit bovenstaande schenking blijkt. De Groot vermoedt dat zij een dochter is van Otto II ‘de Lamme’ Ψ, graaf van Gelre en Zutphen. Een plausibel vermoeden, want zij sticht een memorie in klooster Betlehem ten behoeve van haar man, haarzelf, Otto II en haar bloedverwanten en weldoeners. Wanneer zij is overleden dragen haar zonen een kanunnik van Betlehem op om ten koste van Agnes’ schenkingen aan het klooster, Reinald I Ψ en Maria Ψ, zijn zuster, onze verwanten te herdenken. Waarschijnlijk zijn Reinald I en Maria de enige dan nog levende broer en zus van wijlen Agnes uit het tweede huwelijk van Otto II.
Dit prestigieuze huwelijk geeft aan in welke kringen de heer van Borculo verkeert. Hij is zeer waarschijnlijk in staat om een grafelijke dochter te huwen.

Kasteel Borculo, anno 1743 (tekening De Beijer).

Zonen en dochters

Noot 5Hendrik III en Agnes krijgen zes zonen en twee dochters: Jutta Ψ, Hendrik (IV) Ψ, Reinald (I) Ψ, Godfried Ψ, Godfried Ψ, Otto Ψ, Johannes Ψ en nog een van naam onbekende dochter Ψ.
Hendrik IV zal zijn vader in Borculo opvolgen en voor Reinald I is het burggraafschap over Coevorden weggelegd. Godfried streeft een geestelijke carrière na en is bekend als proost in Zutphen. Otto en Johan worden beide kanunnik in Luik. De namen ‘Otto’ en ‘Reinald’ ondersteunen de aanname dat Agnes van Gelderse afkomst is, want deze namen komen bij de familie Borculo voorheen niet voor. De tweede zoon met de naam Godfried trouwt met Bertha Ψ, dochter van graaf Otto II van Dalen Ψ.
Het oudste kind Jutta (Judith) wordt op jonge leeftijd uitgehuwelijkt aan de zoon van Dirk I van Wisch Ψ, Steven III Ψ genaamd. Wanneer dit huwelijk zijn beslag krijgt verwerft de heer van Wisch het halve gericht in 'Echtberge' (Eibergen) en wanneer de oudste dochter van Dirk I trouwt met de oudste zoon van Hendrik III verwerft de heer van Borculo het halve gericht van 'Juckenberge' (Haaksbergen). Mocht echter een van hen voortijdig overlijden dan zou de tweede zoon of dochter het huwelijk aangaan. Liefde is mooi, maar zaken zijn zaken.
Wat van de onbekende dochter terecht is gekomen is niet overgeleverd.

Burggraaf van Coeverden

Noot 6Hendrik III’s staat de nog jonge graaf Reinald I vaak bij met diens Gelderse perikelen. In 1271 is hij aanwezig bij de bevestiging van vrijheid van de tol bij Lobith voor de burgers van Zutphen en een maand later voor de burgers van Arnhem. En in 1274 is hij bij de bevestiging van de voorrechten van Emmerik. Ook is hij op 8 september 1274 betrokken bij de schenking van goederen in het kerspel Silvolde door de familie Wisch.
In 1275 getuigt Hendrik III voor de bisschop van Utrecht, wanneer deze Genemuiden tot stad verheft. Een jaar later vergunt de bisschop het de stad Zwolle om een weg naar Lente aan te leggen. Een tolweg, want ook in 1276 gaat alleen de zon voor niets op. Hendrik III hangt zijn zegel aan deze wegaanleg. De genormaliseerde verhouding met het bisdom Utrecht leidt er toe dat Hendrik III zijn vader opvolgt als burggraaf van Coeverden. Zijn eerste actie als burggraaf is de belening van zijn bloedverwant (via moederszijde) Rudolf van Echten met tienden in Echterveen en Zuidwolde.
Daarna treedt Hendrik III vaker op in Stichtse zaken, die hier niet verder beschreven worden.

Conflicten en conflictbeheersing

Noot 7Hendrik III’s leven is niet alleen pais en vree. In 1278 wordt Hendrik III tegen wil en dank betrokken bij de escapades van Herman II van Lohn Ψ. Herman II is in conflict met Eberhard I van Altena- van der Mark Ψ en moet daar zwaar voor boeten. Ook Hendrik III moet 100 mark genoegdoening aan Eberhard geven, maar of het zover komt is echter de vraag.
In 1279 treedt Hendrik III, samen met Willem II van Bronckhorst Ψ en Frederic III van Baer Ψ, als arbiter bij een conflict tussen de heer van Ahaus en de borgmannen van Groenlo. Hendrik III is niet alleen vredestichter, want in 1281 tekent hij, met zijn zoon Hendrik IV, een verdrag met Arnold (II) van Almelo Ψ, en diens zoon Egbert I Ψ, om elkaar te steunen in hun strijd tegen Derck II van Keppel Ψ. Ondanks deze problemen strijden de heer van Borculo en Keppel vijf jaar later zij aan zij in de slag bij Woeringen. In 1284 en 1285 is Hendrik III scheidsrechter bij respectievelijk geschillen tussen de bisschop van Utrecht met de graaf van Holland en tussen de graaf van Gelre met de graaf van Holland.

Dood van een Gelderse vazal

Wapen van Borculo uit de Codex Gelre.Noot 8Hendrik III trekt op 8 juni 1288 ten strijde naar Woeringen als Gelderse vazal van Reinald I van Gelre. Hij zal de slag bij Woeringen niet overleven. In de lofzang die Jan van Heelu ter gelegenheid van de slag dicht wordt Hendrik III ook gememoreerd:

'Daer hilt bi eerlike ende wale,
Bi den grave Reynoude
Van Gelre, ene baniere van goude,
Daer waren in drie coken root;
Die heere daeraf bleef eerlike doot
In weringe ende in groter daet.
Het was den grave van Gelre quaet,
Dat hine achter hem liet.
Des vromes ridders name hiet
Her Heinric van Brukelloe.'

Hierin wordt voor het eerst het wapen van Borculo beschreven; drie koeken (bollen) van keel op een veld van goud.
Na deze gewelddadige dood worden Borculo en Coeverden gescheiden. Hendrik IV volgt zijn vader in Borculo op en Reinold I in Coeverden. Deze splitsing komt het huis Borculo niet ten goede. Na Hendrik III zal geen enkele heer van Borculo zijn aanzien evenaren.

Literatuur

  1. Quedam narracio de Groninghe, de Thrente, de covordia..., vertaald door: AM. Braaksma, M. van Bussel-Eijlander, A.M. Clazing en R.C. Hol, Bronnenuitgave van het Historisch Seminarium van de Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, 1977, p169.
    W.A. Beelaerts van Blokland, De eerste generatiën van het geslacht van Coeverden, In: De Nederlandsche Leeuw, jaargang XXXVI, nr. 1, 1918, kolom 20.
    J. S. van Veen, Bijdragen tot de geschiedenis van Borculo, In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XXV, S. Gouda Quint, Arnhem, 1918, p2-3.
    J. de Groot, Het geslacht Borculo, In: De Nederlandsche Leeuw, jaargang LIII, nr. 8 en 9, 1935, kolom 231-233.
    D. Schwennicke, Europäische Stammtafeln Neue Folge, Band VIII, J.A. Stargardt, Frankfurt, 1980, tafel 79.
  2. J. de Groot, 1935, kolom 233, 268, 269.
    J. de Groot, Het geslacht Borculo, In: De Nederlandsche Leeuw, jaargang LIV, nr. 4, 1936, kolom 122-123.
    A. H. Martens van Sevenhoven, Het gebied van de heerlijkheid Borculo, In: De Nederlandsche Leeuw, jaargang LIV, nr. 5, 1936, kolom 173-175.
    B. te Vaarwerk, Kwamen de heren van Borculo uit Eibergen?, In: Kleine Reeks, nr. 3, Stichting Stad en Heerlijkheid Borculo, Kousman B.V., Borculo, 1995, p33.
  3. WUB III, nr. 1744.
    J. de Groot, 1935, kolom 269-271.
  4. J.S. van Veen, 1918, p4.
    J. de Groot, 1935, kolom 270, 276.
    ”pie memorie Agnete, matre nostra” aan “illustri viro Reynoldo, comiti Gelrensi, ac domicelle Marie, sorori eius, nostris consanguineis” … (de rest ontbreekt).”
  5. OBO, nr. 362.
    J. de Groot, 1935, kolom 270-271, 329.
    D. Schwennicke, 1980, tafel 45a en 79.
    B. te Vaarwerk, 1995, p37.
  6. OBO, nr. 328, 334.
    J. de Groot, 1935, kolom 271-272.
  7. OBO, nr. 362, 384 en 385.
    J. de Groot, 1935, kolom 273-274.
  8. J. S. van Veen, 1918, p4.
    J. de Groot, 1935, kolom 274-276, 329.
    M. Flokstra en R.G. Jahn, De 'Heraut Gelre', het middeleeuwse herautwezen en de Gelderse adel in de 'Codex Gelre', In: Gelre Geldern Gelderland - Geschiedenis en cultuur van het hertogdom Gelre, Verlag des Historischen Vereins für Geldern und Umgegend, Geldern, 2001, p396.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende V des Wonnesdages nae Joachim en Anna dach, dat was op ten zevenden ende twintigsten dach der maent van Julii.