Hertogdom Lotharingen (906-925)

Deel 2 - Op weg naar zelfstandigheid

Matfriedingers komen in opstand

Noot 1In 906 zien de Matfriedingen hun kans schoon om in opstand komen, omdat de Konradijnen hun handen vol hebben aan de strijd tegen de Babenbergers. De broers Gerhard I van Metzgouw Ψ en Matfried (IV) van Metzgouw Ψ bezetten de abdijen St. Maximin en Oeren in Trier die aan Gebhard II van Lotharingen Ψ zijn gegeven.
Gebhard II is op dat moment reeds in oorlog met de Babenbergers en laat de vervolging van de Matfriedingers over aan zijn neef Koenraad I Ψ, de latere koning van Oost-Franken. Koenraad I verzamelt in 906 een leger in Lotharingen en verslaat beide broers. Gerhard (I) en Matfried (IV) worden verbannen en hun goederen worden verbeurd verklaard. Bij deze verbeurdverklaring treedt Reginar I Ψ ook op, blijkbaar heeft hij zich in rijkskringen weer populair gemaakt.

Enige tijd later verzoenen Gerhard I en Matfried (IV) zich door zich aan het keizerlijk gezag te onderwerpen. Mogelijk is het huwelijken tussen Godfried Ψ, zoon van Gerhard I van Metzgouw, en Kunigunde van Henegouwen Ψ (haar derde huwelijk), dochter van Reginar I een uitvloeisel van deze verzoening. Kunigunde zal binnen een paar jaar overlijden en brengt geen kinderen voort. Godfried hertrouwt in 930/31 met Irmintrud van Frankrijk Ψ, dochter van Karel III 'de Eenvoudige' Ψ.
In 910 trekken Gerhard I en Matfried (IV) samen met Gebhard II van Lotharingen tegen de Hongaren ten strijde. Op het slagveld van Lechfeld bij Augsburg sneuvelen zij alle drie op 22 juni 910. Als vlak daarna in 911 plotseling Lodewijk IV 'het Kind' Ψ ook overlijdt is de toekomst van Lotharingen ongewis. Het einde van Lotharingen als apart koninkrijk is in ieder geval een feit.

Lotharingen komt bij West-Franken

Noot 2Na de dood van Lodewijk IV 'het Kind' stijgt in Oost-Franken de macht van de Konradijnen tot een hoogtepunt. Koenraad I laat zich in november 911 tot koning van Oost-Franken kronen. Reginar I 'Langhals' ziet dit met lede ogen aan, want de Reginaren en Konradijnen zijn nog steeds geen vrienden. Onder invloed van Reginar I betuigt de Lotharingse adel, inclusief de Matfriedingers, mogelijk al voor de dood van Lodewijk IV 'het Kind' zijn steun aan Karel III van Frankrijk Ψ. Reginar I's beweegredenen om naar Karel III over te stappen zijn niet overgeleverd. Volgens Hlawitschka verwacht Reginar I als 'dux regni' Gebhard II in Lotharingen op te volgen. Wanneer deze benoeming uitblijft zoekt Reginar I aansluiting bij Karel III.
Karel III zal de uitbreiding van zijn rijk hebben gezien als een volkomen natuurlijke uitbreiding van zijn Karolingische erfenis. Karel III ondervindt zware concurrentie van zijn markgraven, die allemaal als zelfstandig vorst optreden. Boudewijn II van Vlaanderen Ψ in het noorden, Robert I van Francië Ψ tussen Seine en Loire en Willem I 'de Vrome' Ψ in Aquitanië. Dus alle erkenning is welkom.
Koenraad I legt zich niet neer bij de gang van zaken en valt al in 912 Lotharingen twee keer binnen en in 913 gevolgd door een derde aanval. Geen enkele veldtocht is succesvol. Wanneer aartsbisschop Radboud van Trier Ψ in 913 ook naar Karel III overloopt is het pleit beslecht. Koenraad I moet zich er bij neerleggen dat Lotharingen bij West-Franken komt. De rijksgrens uit 843 wordt weer getrokken.
Karel III laat zich niet tot koning van Lotharingen zalven, een teken dat hij Lotharingen geen aparte status toedicht.
De aanstichter van de aansluiting van Lotharingen bij West-Franken, Reginar I 'Langhals', komt aan het einde van 915 te overlijden en hij wordt opgevolgd door zijn zonen Giselbert Ψ en Reginar II Ψ.

Verraad ...

Noot 3Giselbert staat om onbekende redenen niet in de gunst van Karel III 'de Eenvoudige'. Het wordt zelfs betwijfeld of Giselbert de graventitel voert. Dit in tegenstelling tot zijn broer, die vrijwel meteen na de dood van zijn vader als graaf van Henegouwen optreedt. De zaak loopt zo hoog op dat Giselbert in 919 Lotharingen ontvlucht en zijn heil zoekt bij de nieuwe oost-Frankische koning Hendrik I Ψ.
Hendrik I ziet hierin de kans om zich met de politiek in Lotharingen te bemoeien. Het wegsturen van Giselbert is een grote inschattingsfout van Karel III, want een groot deel van de Lotharingse adel komt in opstand en kiest Giselbert tot 'princeps' (rechtmatig heerser).
In 921 sluiten Karel III en Hendrik I op een boot in het midden van de Rijn met het zogenaamde vriendschapsverdrag, een wapenstilstand waarbij Hendrik I geen aanspraken op Lotharingen doet gelden en Karel III 'de Eenvoudige' Hendrik I als gelijke erkent. Dat voor Giselbert bij dit verdrag geen rol is weggelegd houdt mogelijk in dat Hendrik I Giselberts erkenning opoffert voor zijn eigen belangen.

... dubbelverraad ...

Noot 4Giselbert ziet in dat Hendrik I hem niet als 'princeps' zal erkennen. Hij ondersteunt vervolgens de troonaanspraken van hertog Robert I van Francië. Giselbert gaat er waarschijnlijk van uit dat als hij Robert I als koning erkent, Robert I op zijn beurt hem als 'princeps' zal erkennen.
Na enkele veldslagen wordt Robert I in 922 tot koning van Frankrijk uitgeroepen, waarbij Karel III verder Lotharingen in wordt gedreven. Karel III doet tijdens de strijd een tevergeefs beroep op het vriendschapsverdrag met Hendrik I om hem bij te staan. Robert I zoekt na zijn uitroeping tot tegenkoning van West-Franken contact met Hendrik I. Het resultaat van deze ontmoeting is dat Hendrik I zijn verbond met Karel III opzegt. Vervolgens wordt Karel III in 923 in Soissons door Hugo van Francië Ψ, de zoon van Robert I, verslagen. Robert I sneuvelt in deze slag en Karel III wordt door Heribert II van Vermandois Ψ, schoonzoon van Robert I, gevangen genomen. Karel III zal in 929 in gevangenschap overlijden.
Een andere schoonzoon van Robert I, Rudolf I van Bourgondië Ψ, wordt vervolgens tot koning van Frankrijk uitgeroepen. Opnieuw loopt Giselbert over naar Hendrik I. Blijkbaar is Rudolf I niet van zins Giselbert als princeps te erkennen. Twee korte invallen laten zien hoe machtig Hendrik I inmiddels is geworden. De Lotharingse edelen kiezen na dit machtsvertoon eieren voor hun geld en erkennen Hendrik I als hun koning. Na een inval van koning Rudolf I sluit Hendrik I met hem een wapenstilstand.

... en driedubbelverraad

Noot 5In 925 is Giselbert wederom overgelopen, ditmaal naar het kamp van koning Rudolf I. Hendrik I is de trouweloosheid van de Lotharingse aristocratie meer dan zat. Hij benoemt een Matfriedinger als bisschop van Verdun en stuurt de Konradijn Eberhard Ψ, hertog van Franconia (Franken), naar Lotharingen om de adel voor zich te winnen. Hendrik I zelf belegerd Giselberts burcht in Zulpich.
Het lukt Hendrik I om de Lotharingers te paaien, maar het pleit is nog niet beslecht. De Lotharingers zijn inmiddels gewend zelfstandig op te treden, door voortdurend van kamp te wisselen. Van integratie in het Oost-Frankische rijk is nog geen sprake. Hendrik I doet vervolgens zijn beste zet om Lotharingen in rustiger vaarwater te brengen. Hij verheft Giselbert tot hertog van Lotharingen.

Literatuur

  1. Hlawitschka, E. "Lotharingien und das Reich an der Schwelle der deutschen Geschichte." Schriften der Monumenta Germaniae historica, Band 21, Anton Hiersemann, Stuttgart, 1968, p190-195;
    Linssen, C.A.A. “Historische Opstellen over Lotharingen En Maastricht in de Middeleeuwen.” Doctoraalscriptie, Rijksuniversiteit van Leiden, 1985, p14-15.
  2.  Hlawitschka, 1968, p198-201.
    'Nach solchen Feststellungen ist nun wohl unschwer auf die unbeantwortetet gebliebene Frage zurückzukommen, wie Reginar Langhals das Bemühen des ostfränkischen Hofes, die lotharingischen Herzogsfrage nach dem Tode des Herzogs Gebhard in der Schwebe zu halten, bewertet habe mag.'
  3. Hlawitschka, 1968, p202-205.
  4. Hlawitschka, 1968, p205.
  5. Hlawitschka, 1968, p205.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Wonnesdages nae sunte Onse Lieve vrouwe van Lourdes dach, dat was op ten twaalfden dach der maent van Februarii.