Gerard I van Teisterbant 'Flamens' (1044-1067/76)

Graaf van (Betuwe,) Duffelgouw, Hettergouw, Teisterbant en Veluwe

Een valse start

Noot 1Vermoedelijk rond 1010, maar in ieder geval voor 1018, wordt Gerard I 'Flamens' Ψ geboren. Zijn gelijknamige vader Ψ is door omstandigheden zijn leven lang ambtloos burger gebleven, in tegenstelling tot Gerard I.
In het eerste deel van zijn leven heeft Gerard I, ondanks zijn adellijke afkomst, geen uitzicht op een grafelijke titel. Zijn voorouders hebben hun zuidelijk gelegen ambtsgebied onder Vlaamse druk moeten verlaten. Zijn vader is het niettemin gelukt om een rijke vrouw Ψ aan de haak te slaan. Of Gerard I in onze contreien is geboren is niet overgeleverd. Te vermoeden valt dat Gerard I's vader na het huwelijk permanent naar het noorden is gekomen en daar een gezin heeft gesticht. In het zuiden valt immers niets meer te halen.

 

Het speelterrein...

Noot 2De noordelijke landerijen waar Gerard I opgroeit is een verzameling bezittingen uit het erfgoed van Bava, zijn moeder. De bezittingen die zij heeft komen uit de verschillende bloedlijnen die zij in zich heeft verzameld. Haar grootvader aan vaders kant, Immed II Ψ, is graaf van Betuwe, Duffelgouw en Hettergouw. Via haar grootmoeder aan vaders kant, Adela Ψ, komen landerijen mee die in Hamaland en Veluwe liggen. Uit haar moederlijke wortels komen via haar grootvader goederen mee uit Teisterbant, want Bava's grootvader is graaf Unruoch (I) van Teisterbant. Een bijzonder bezit uit diens erfenis is het 'beneficium circa horas Rheni'. Wie Bava's grootmoeder is aan moeders kant en wat uiteindelijk Bava van haar erft, is tot op heden nog niet opgehelderd.
Gerard I erft dan mogelijk geen grafelijke titel, zijn speelterrein is groot genoeg om een riant adellijk leven te kunnen leiden.

... en de speelkameraden

Noot 3Wanneer zijn vader voor 11 juli 1018 overlijdt is Gerard I nog niet meerderjarig. In het genoemde speelterrein zijn de lokale machtigen nog niet uitgespeeld. In Hamaland is de strijd om de prefectuur tussen Balderik Ψ en Wichman III van Vreden Ψ ontaard in de moord op Wichman III, het beleg van Opladen en de ontmanteling van Hamaland. Gerard I en zijn jongere broers Rutger I Ψ en Diederik II Ψ zijn dan nog te jong om in deze grote Nederrijnse geopolitiek een rol te spelen. Jongbloed vermoedt dat de drie broers aan hun oom Godfried II 'de Vredestichter' Ψ zijn toevertrouwd en later, mogelijk op voorspraak van Godfried II, aan de goede zorgen van diens jongere broer Gozelo I 'de Grote' Ψ. Godfried II is met een zus van Bava, misschien Addila Ψ geheten, getrouwd en zo de meest noordelijke verwant van de drie broers Flamens.
Het vervelende voor de drie broers is dat het Verdunse huis door het huwelijk van Godfried II dezelfde erfaanspraken heeft als de drie broers, maar als hertog van Neder-Lotharingen ook de middelen heeft om die aanspraken kracht bij te zetten. Na de ontmanteling van Hamaland blijkt Godfried II enige erfgenaam van enige importantie te zijn.
Voor het graafschap Teisterbant geldt hetzelfde. Hier treedt Unruoch I in de periode van 1000 tot 1006 sowieso op als graaf. Zijn jaar van overlijden is onbekend, maar wordt geschat tussen 1010-1018 (Coldeweij) en voor 1026 (Van Rij). Dit biedt voor de jeugdige Gerard I noch zijn vader kans om zich in Teisterbant te nestelen. Wanneer Unruoch I zonder mannelijke opvolger overlijdt vererft het graafschap Teisterbant aan Diederik I van Kleef en Hamaland Ψ, of indien deze voor Unruoch I is overleden, aan Godfried II 'de Vredestichter'.
Diederik I is mogelijk tot 1014 (Van Winter), 1016 (Kos) 1017/8 (Jongbloed) in de Betuwe, Duffelgouw, Hamaland, Hettergouw en de Veluwe actief en wordt na zijn dood deels opgevolgd door Balderik, waarvan in ieder geval zeker is dat hij pas in 1021 zal overlijden.
Gerard I is bij zijn vaders dood voor 11 juli 1018 omgeven door speelkameraden, die alle beschikbare grafelijke functies bezet houden.

Omgeving van Gerard I Flamens.

Jonge jaren

Noot 4 De grootste concurrentie voor promotie tot graaf ontmoet Gerard I van het Verdunse huis, dat over dezelfde aanspraken beschikt. Het gebrek aan de vurig gewenste titel belet Gerard I niet om van zich te laten horen, daarbij verloochent hij zijn zuidelijke wortels niet.
In de zogenaamde Reinmod oorkonde, waarin Reinmod Ψ, weduwe van Wichman III van Vreden, en haar dochter Frederuna Ψ zeven kerken stichten komt een getuige voor die Gero of Geto heet. Balzer vermoedt dat achter deze Gero Gerard 'Flamens' verschuild gaat. De oorkonde is waarschijnlijk rond 1022 of 1023 opgesteld, omdat Godfried II 'de Vredestichter' (†1023) er in wordt genoemd. Dat betekent dat eerder Gerard I in plaats van zijn vader als getuige in aanmerking komt. Dat zou betekenen dat in deze oorkonde Gerard I's eerste officiële optreden is opgetekend. Als pleegkind van Godfried II en oud-achterneef van Godfried III 'de Prefect' is zijn aanwezigheid bij deze stichting niet zo vreemd, ware het niet dat Gero niet persé een verkorte vorm van Gerard hoeft te zijn.
In een moeite door beschouwd Balzer Gerard 'Flamens', hier dus Gerard I 'Flamens', als voorvader van de graven van Lohn op basis van de aanwezigheid van Gerard I, dit keer als Gezo, bij de schenking van Udo van Hammerstein Ψ (†1034) aan het klooster Werden. Op deze website wordt Lohn als afsplitsing van Otto II van Zutphen Ψ zijn bezit gezien. Indien Gezo te vereenzelvigen is met Gerard I, dan ligt wederom Gerard I's connectie met het Verdunse huis aan dit optreden ten grondslag en niet de vermeende band met het latere Lohn. Udo's moeder is namelijk Irmengard van Verdun Ψ, een zus van Gerard I's peetvader.
Balzer leunt bij haar hypothese sterk op naamkunde, maar zonder andere voorbeelden van Gezo of Gero als verkorte vorm van Gerard aan te halen, maar het is mogelijk.

Nog ambteloos komt Gerard I 'Flamens' in ieder geval voor als jongeman in 1033, wanneer er een goederenruil plaatsvindt tussen de kloosters Stavelot en Saint-Martin-devant-Metz. Bij deze transactie is hij de vierde getuige na Becelin, graaf van Bitburg, Godfried, graaf van Amblève en Gozelo, graaf van Engis, gevolgd door Herman van Groules. De getuigen Godfried en Gozelo zijn, volgens Verdonk, niemand minder dan Gozelo I's zonen Godfried III 'met de baard' Ψ en Gozelo II 'de Slome' Ψ. In 1042 is Gerard I opnieuw bij een goederenruil tussen twee kloosters betrokken. Dit keer tussen Saint-Martin en Sint Maximinus (in Trier). Hier staat Gerard I, na Herman van Groules, met zijn bijnaam 'Flammeins' genoemd.
Verdonk concludeert uit het feit dat Gerard I in 1033 vóór en in 1042 ná Herman van Groules wordt genoemd dat er sprake is van een vader en zoon Flamens. Verdonk gaat er daarbij vanuit dat beide getuigenrijen op leeftijd zijn gesorteerd, zodat tussen 1033 en 1042 Gerard I door Gerard II is opgevolgd. Jongbloed maakt aannemelijker dat de getuigenrijen per ruilende partij zijn gesorteerd en daarbinnen weer op rang en leeftijd. Daarmee staat het door Verdonk voorgestelde overlijden van Gerard I tussen 1033 en 1042 op losse schroeven en daardoor ook zijn hypothetische stamboom. Op deze website wordt om deze reden de hypothese van Jongbloed gevolgd. De verschillen tussen Jongbloed en Verdonk zijn in een apart hoofdstuk op een rijtje gezet.
Dat Gerard I in 1033 bij de Verdunse partij met Godfried III en Gozelo II staat is logisch als Gozelo I zijn voogd is. Jongbloed vermoedt dat de eerste getuige Becelin te identificeren is als Werner I Ψ (Wecelo/Wecelin) die even als voorganger van Gerard I als (tussen?)graaf in Zuid-Hamaland optreedt. Gerard I wordt in 1033 en 1042 nog zonder ambt vermeld. Daar komt een paar jaar later verandering in.

Het echte werk

Noot 5In 1044 wordt Godfried III door keizer Hendrik III Ψ gepasseerd voor de functie van hertog van Neder-Lotharingen. Hendrik III benoemt in plaats daarvan Godfried III's , jongere en domme broer Gozelo II tot hertog. Godfried III komt in opstand tegen de keizer. In 1046 verzoent Godfried III zich met de keizer, maar als straf raakt hij enkele graafschappen kwijt. Hendrik III ziet zijn kans schoon om te verdelen en te heersen en geeft de verschillende graafschappen in leen uit aan verschillende personen. Bij gebrek aan nauwe verwanten in de Averarda-tak van het Meginhardse huis wordt Drenthe en Salland aan het bisdom Utrecht gegeven.
Voor de Betuwe, Duffelgouw, Hettergouw, Teisterbant en Veluwe is er wel een nauwe verwant beschikbaar, die de keizer niet kan passeren. In 1046 is Gerard I inmiddels volwassen en Hendrik III zit niet op nog meer onrust in Neder-Lotharingen te wachten. Een legitiem bestuur, waar geen vraagtekens bij kunnen worden gezet zal zijn voorkeur hebben gehad. Hendrik III besluit dat Gerard I het grafelijke ambt in de Betuwe (vermoedelijk), Duffelgouw, Hettergouw en Teisterbant krijgt. Uit de genoemde ambten kan door de oogharen heen het aanstaande Gelre worden gezien, maar dat zal nog enige generaties duren. De allodiale bezittingen die hij eerder via zijn moeder heeft georven vormen de perfecte economische basis om zijn nieuw verkregen ambtelijke macht te steunen.

Geheel tegen de regels in geeft Gerard I de Duffelgouw in onderleen aan zijn broer Rutger I uit en legt daarmee de basis voor het later graafschap Kleef. Zo komen Gerard I en Rutger I in de annalen van het klooster terecht als de broers 'Flamens'. Diederik II krijgt als compensatie in of voor 1018 het 'beneficium circa horas Rheni' uit de erfenis van Unruoch I, wat voor de nodige hoofdbrekens zorgt.
Gerard I is de eerste graaf van een nieuw Nederrijns grafelijk huis: Gelre. Broer Rutger I is dat op zijn beurt van Kleef. Om deze reden krijgen zij in tegenstelling tot hun vader wel een rangnummer. Hun vader is door omstandigheden zijn leven lang ambteloos burger gebleven en 'verdiend' derhalve geen nadere naamsonderscheiding.
In 1052 staat Gerard I voor het eerst met zijn titel in de bronnen vermeldt; als graaf van Teisterbant en Veluwe. In 1067 als graaf van de Hettergouw, waarin ook Geldern is gelegen. Deze vermelding is de laatste waarin Gerard I nog levend voorkomt.

In bezit van Gelder

Noot 6Gerard I is waarschijnlijk twee keer getrouwd. Hij krijgt de gewenste zonen uit zijn tweede huwelijk : Gerard (II) Ψ en Hendrik (I). Fragment kaart van Jansonius, 1658.Wie zijn echtgenotes zijn is niet overgeleverd. Een aanwijzing is dat de naam 'Hendrik' in de familie wordt geïntroduceerd. Hendrik I zal later bekend worden onder de naam Hendrik I van Kriekenbeek Ψ, terwijl Gerard II zijn vader in alle graafschappen zal opvolgen en bekend wordt met de bijnaam 'de Lange'. Het kan ook zijn dat Hendrik I als eerbetoon naar keizer Hendrik III, aan wie de familie veel te danken heeft, is vernoemd.
Een andere aanwijzing is dat Geldern in de bezittingen van de familie wordt opgenomen, want Gerard II zal zich afwisselend naar Wassenberg (Molengouw) en Geldern (Hettergouw) gaan noemen. Geldern behoort echter tot de bezittingen van Megingoz Ψ (†998). Megingoz is getrouwd met Gerberga Ψ. Zij krijgen vijf kinderen: Adelheid Ψ, Godfried Ψ, Irmentrud Ψ, Alverada Ψ en Bertrada Ψ. Godfried overlijdt voor zijn vader in 977, zodat de bezittingen via de overlevende dochters verspreid zullen raken. Jongbloed vermoedt dat Alverada Geldern heeft doorgegeven.
Gerard I overlijdt tussen 1067 en 1076, voordat zijn zoontjes meerderjarig zijn; een ongeluk dat de familie blijft achtervolgen. In 1076 staat Diederik II te boek als graaf van Veluwe, zodat hij als voogd voor zijn neefjes zal zijn optreden.

Literatuur

  1. H.H. Jongbloed, De Flamenses in de elfde eeuw, In: Bijdragen en Mededelingen, deel XCIX, Vereniging Gelre, Arnhem, 2008a, p40-45.
  2. J.A. Coldeweij, De heren van Kuyc (1096-1400), Stichting Zuidelijk Historisch Contact, 1981, p8, 13, 15.
    H. Halbertsma, Frieslands Oudheid, Uitgeverij Matrijs, 2000, p116.
    J.M. van Winter, Het (palts)graafschap Zutphen en het Hamalandse gravenhuis, In: Bijdragen en Mededelingen Gelre XCII, Arnhem, 2001, p57.
    A. Kos, Machtsstrijd in Hamaland, In: Jaarboek Middeleeuwse Geschiedenis, Uitgeverij Verloren BV, 2002, p36.
    H.H. Jongbloed, Tussen 'paltsverhaal' en 'IJssellinie', In: Bijdragen en mededelingen, deel XCVII, Vereniging Gelre, Arnhem, 2006a, tabel.
    H.H. Jongbloed, Immed "von Kleve" (um 950) - Das erste Klevische Grafenhaus (ca. 885 - ca. 1015) als Vorstufe des geldrischen Fürstentums, In: Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein, Heft 209, 2006b, p35.
    H.H. Jongbloed, 2008a, tabel.
  3. OGZ, nr. 121, 130.
    Alpertus, Gebeurtenissen van deze tijd, vertaald en ingeleid door H. van Rij, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1999, p51, 69-73.
    J.A. Coldeweij, 1981, p17.
    J.M. van Winter, Ansfried en Dirk, twee namen uit de Nederlandse geschiedenis van de 10e en 11e eeuw, In: Naamkunde, Jg. 13, 1981, p61.
    J.M. van Winter, 2001, p57.
    A. Kos, 2002, p35.
    H.H. Jongbloed, 2008a, p40, 46, tabel.
    K.H. Schreiber, Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer (MGDRES), Ardennergrafen, Godfried II.
  4. dMGH, SS XVI, p699.
    dMGH, DD K II, nr. 189.
    dMGH, DD H III, nr. 208.
    R. Kötzke, Die Urbare der Abtei Werden a.d. Ruhr, Bd. 2, Droste Verlag, Düsseldorf, 1978, p124 §39.
    H. Verdonk, De oorsprong der graven van Gelre, Lelystad, 1992, p6.
    E. Balzer, Adel - Kirche - Stiftung Studien zur Geschichte des Bistums Münster im 11. Jahrhundert, Aschendorff Verlag, Munster, 2006, p156-159.
    H.H. Jongbloed, 2006a, p90, 125 noot 190.
    H.H. Jongbloed, 2008a, p42-45, 79-80 noot 86.
    H.H. Jongbloed, 'Cold case' Upladen (oktober 1016), In: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, Volume 11, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 2008b, p51-52.
  5. dMGH, SS XVI, p689.
    OGZ, nr. 168.
    UB Niederrhein, nr. 207.
    J.M. van Winter, 1981, p63.
    H.H. Jongbloed, 2008a, p45-46, tabel.
    K.H. Schreiber, MGDRESArdennergrafen, Gozelo I, Gozelo II, Godfried III.
  6. OGZ, nr. 185.
    H. Verdonk, De oorsprong der graven van Gelre, Lelystad, 1992, p13-14, 27.
    H.H. Jongbloed, 2006a, p130 noot 240.
    H.H. Jongbloed, 2008a, p35, 46-47, 80-81 noot 96, tabel.
    K.H. Schreiber, MGDRES, Matfriede, Megingoz.
    K.H. Schreiber, MGDRES, Luxemburger, Friedrich II.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I op Tweede Paasdach.