Slag bij Baesweiler (1371)

Aanleiding tot de slag

In de zomer van 1371 zwerven er in het gebied tussen Rijn en Maas groepen huurlingen rond, die dienen of hebben gediend in de Frans-Engelse oorlog. Zij maken het land onveilig en beroven kooplieden.
Hertog Willem VI van Gulik Ψ weigert in 1371 om een schadevergoeding aan hertog Wenceslaus van Brabant te betalen, nadat afgedankte (Franse) huursoldaten enkele Brabantse kooplieden op Guliks grondgebied hebben beroofd. De hertog van Gulik beschermt de huursoldaten en neemt een dreigende houding tegenover Brabant aan. Hij neemt enkele groepen huursoldaten in dienst.


Daarop besluit hertog Wenceslaus als hoofd van een in 1369 gesloten landvrede de orde te gaan herstellen. De hertog van Brabant komt, gesteund door de graven van Namen en Luxemburg, zijn recht in Gulik ophalen. De hertog van Gulik stuurt een ijlbode naar zijn zwager Eduard van Gelre Ψ om hem bij te staan.

Nieuwe troepen

Oorlog in de 14de eeuw.Eduard van Gelre verschijnt op 22 augustus 1371 net op tijd met een grote legermacht op het slagveld bij Baesweiler, ten noorden van Aken. Op zijn moment van verschijning slaan de Gulikers op de vlucht voor de troepen van Brabant.
De hertog van Gulik en zijn bondgenoot de hertog van Berg zijn tijdens deze vlucht gevangen genomen. De troepen van Gelre vallen onder hun bij de Brabanders inmiddels beruchte kreet: 'Gelre! Gelre!' meteen aan. Dit geeft de Gulikse troepen weer nieuwe moed en zij keren terug. Dit wordt de inmiddels vermoeide Brabanders te veel. Zij kunnen geen stand houden en worden teruggedreven. Hertog Wenceslaus van Brabant en de graaf van Namen worden gevangen genomen.

Verraad

De bloedige slag is afgelopen. De snelle interventie van Gelre is beslissend geweest. Chirurgijnen lopen over het slagveld om de gewonden bij te staan. Men komt bij van de krachtinspanning en de opwinding en maakt zich op om de doden zo spoedig mogelijk te begraven.
Hertog Eduard van Gelre zit met opgeslagen vizier uit te rusten, verrukt van de nieuwe zege die hij heeft behaald op zijn machtige vijand in Brabant. Zijn vijanden zullen hem vrezen en zijn eigen edelen zullen hem onvoorwaardelijk steunen nu hij een geducht veldheer is gebleken. Bovendien heeft hij een sterk politiek huwelijk gesloten met Holland. Eduard zit stevig op de troon in Gelre.
Op dat moment wordt hij door een verraderlijk pijlschot in het voorhoofd getroffen. De pijl wordt door iemand uit zijn eigen gevolg afgeschoten. Herman Leers van Hees heeft mogelijk deze sluipmoord gepleegd. Herman is lid van de partij der Heekerens. Daarnaast verdenkt Herman Eduard ervan dat deze zijn toekomstige vrouw, naar men zegt een beeldschoon meisje, heeft laten verdwijnen. Of dit waar is, zal nooit meer achterhaald worden. Eduard sterft op 24 augustus 1371 en tijdens zijn verpleegbed verbiedt hij Herman te laten vervolgen. Misschien had Herman dit liever gehad, want nu is hij veroordeeld rond te zwerven, door iedereen gemeden en geplaagd door berouw. Zijn aanstaande vrouw wordt nooit teruggevonden en Herman sterft eenzaam en verarmd.
Gulik en Gelre hebben misschien gewonnen, maar de prijs is hoog.

Literatuur

  1. Alle de XIV boeken van de Geldersse geschiedenissen, Arend van Slichtenhorst,
    Jacob van Biesen, Arnhem, 1659.
  2. Geschiedenis van het Land van Berkel en Schipbeek, H.W. Heuvel,
    Gijsbers & Van Loon, Arnhem, 1903.
  3. De Achterhoek, Langs Berkel en Slinge, Willy H. Heitling,
    De Tijdstroom, Lochem, 1959.
  4. De historie van het oude Gelre onder eigen vorsten, G. Prop,
    W.J. Thieme & Cie., Zutphen, 1963.
  5. Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der Middeleeuwen, Dr. W. Jappe Alberts,
    N.V. Martinus Nijhoff's Boekhandel en Uitgeversmaatschappij, 's-Gravenhage, 1966.
  6. Tweeduizend jaar geschiedenis van Gelderland, Klaas Jansma en Meindet Schoor,
    Uitgeverij Inter-Combi van Seijen, Leeuwarden, 1986.
  7. Vijftig eeuwen volk langs de IJssel, Willy H. Heitling en Leo Lensen,
    Terra, Zutphen, 1990.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I des Dingxdages nae Palmpasen, dat was op ten tienden dach der maent van Aprilis.