Slag bij Hasselt (1328)

In aanzien gestegen

Het aanzien van graaf Reinald II van Gelre Ψ is in het Duitse rijk zo hoog gestegen dat keizer Lodewijk IV van Beieren Ψ hem uitnodigt hem te vergezellen bij zijn kroning te Rome. Met een groot gevolg van ridders en knapen trekt hij in gezelschap van de graven van Gulik, Kleef en Berg met de keizer mee. Tijdens deze reis neemt zijn vrouw Sophia van Berthout Ψ de regering waar en wel zo voortreffelijk, dat men de afwezigheid van Reinald II niet eens merkt, zodat wel eens wordt betwijfeld of hij met de keizer is meegereisd, of dat hij zich nooit met de regering bemoeit.

Een inval

Als de kroningsfeesten nog in volle gang zijn ontvangt Reinald II bericht van Sophia dat hij onmiddellijk terug moet komen. De Luikse opstandelingen, die een van hun talrijke twisten uitvechten met hun Luikse bisschop Arnold van der Mark, hebben in de afwezigheid van de Gelderse graaf kans gezien Gelre binnen te vallen, belust op buit. Reinald II haast zich met zijn gevolg huiswaarts om zijn gebied te beschermen en de Luikse bisschop te helpen de opstand neer te slaan.

Een nieuw strijdmiddel

In zijn thuisland aangekomen brengt hij samen met de bisschop van Luik, de graaf van den Berg en Willem III van Bronckhorst Ψ in 1328 een flink leger op de been. Zijn krijgshaftige vazal Willem III van Bronckhorst voert het bevel over de voorhoede en valt met een kleine troep de vijand aan. Hij sneuvelt voordat Reinald II hem te hulp kan komen. Nabij Hasselt (Hoeselt) ontmoeten de legers elkaar.

Oorlogstafereel uit 1330.

'Soo haest nu het gewoel aengingh, vernam men terstond een sterk kee-geschreeuw, klank van wapenen, getier van basuynen; ende, wanneer de hevigheyd van 't vechten een weynich was verkoeld, een grooten neder-slagh. Hier zagh men de levende met heele zwermen gevangelijk wegh voeren: elders de weeghengestopt met dooden: hier wierd men gewaer het geiuygh van d'een, daer wederom het gehuyl van d'ander. Maer als men eyndelijken alles na-reekende, bleeven de Luyker-waelen verstroyd, ende de overwinning bij de Geldersche, die ze ook Gods hand ende niet hun eygene krachten toe-schreeven, ende al-om bede-en dank daegen lieten uit-schrijven."

Er volgt een hevig gevecht. De Luikenaars hebben zich met een bende Brabantse huurlingen verenigd en zijn 20.000 man sterk. De Gelderse troepen vallen aan en weten de overwinning te behalen. De Luikenaars zijn verslagen onder achterlating van 4.000 doden en 9'.000 man op de vlucht. Luikse verslagen reppen zelfs van 32.000 man. In deze slag maakt de graaf van Gelre voor het eerst kennis met zogenaamde steenstucken (kanonnen). Dit nieuwe dure strijdmiddel wordt door de bisschop van Luik ingezet. Met deze kanonnen kunnen grote stenen worden afgeschoten. Dit breekt de vijandelijke linies. Bovendien zullen het vuur, de knal, de rook en het vallen van stenen uit de hemel een grote negatieve invloed hebben op het moreel van de Luikse opstandelingen. God is duidelijk niet aan hun zijde.

Ontstaan van Monnikhuizen

Reinald II heeft door deze overwinning zijn roem als krijgsman gevestigd, maar het schijnt dat het doden van velen zijn geweten bezwaart. Om zijn geweten te ontlasten sticht hij bij Arnhem het klooster Monnikhuizen. Dit klooster staat bij de Gelderse vorsten in hoog aanzien en ze begiftigen het meermalen met bezittingen en voorrechten. Vaak verblijven ze er en velen van de komende hertogen kiezen het als begraafplaats.

Literatuur

  1. Alle de XIV boeken van de Geldersse geschiedenissen, Arend van Slichtenhorst,
    Jacob van Biesen, Arnhem, 1659.
  2. De historie van het oude Gelre onder eigen vorsten, G. Prop,
    W.J. Thieme & Cie., Zutphen, 1963.
  3. Tweeduizend jaar geschiedenis van Gelderland, Klaas Jansma en Meindet Schoor,
    Uitgeverij Inter-Combi van Seijen, Leeuwarden, 1986.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM des Wonnesdages nae sunte Benedictus dach, dat was op ten viertienden dach der maent van Julii.