Belegeringswapens

Inleiding

Bij een belegering maken de belegeraars onder andere gebruik van ladders, bruggen, rammen, katten, belegeringstorens en werpmachines. Vaak is de vesting omgeven door een natte gracht, zodat bruggen gelegd worden om over te kunnen steken. Deze bruggen kunnen op wielen over het land rijden en worden vervolgens over de gracht heen tot op de andere oever geschoven. Voor het dicht bij de muur brengen van zware belegeringswerktuigen, die niet over deze lichte bruggen vervoerd kunnen, is steeds een dam in de gracht leggen noodzakelijk. Aangezien een massale bestorming vaak een hachelijke onderneming is, proberen de aanvallers een bres in de muur te maken. Hoewel de muren over het algemeen zeer hecht zijn, bevinden zich hierin meestal ook oude en enigszins verzwakte gedeelten.

 

De stormram

Voor het maken van een bres in de muur dienen stormrammen. De aanvallers rollen daartoe een machine, beschermd door een stevig dak, tot aan de muur, waarna zij in het inwendige een enorme balk met behulp van een windas naar achteren brengen, om hem vervolgens met een geweldige zwaai tegen de muur te laten slaan. Wanneer deze balk steeds weer slaat, maakt het ieder metselwerk los. Vaak is de kop van de balk verstevigd met ijzerwerk. Deze machine is een geducht gevaar, waartegen vrijwel niets uit te richten is.

De kat

Evenhoog.Evenmin niet te onderschatten is het ondergraven van de muren. Ter bescherming van de gravers worden katten gebruikt. Deze bestaan uit lichte, lage en langwerpige constructies, die aan alle kanten meestal uit hout of gevlochten twijgen bestaan. De enige verdediging hiertegen is ze in brand te schieten.

De evenhoge

Vervaarlijk ziet de evenhoge er uit. Deze belegeringstoren is even hoog als de muur van de vesting. Meestal bestaat een dergelijke toren uit drie of meer verdiepingen; hij wordt door timmerlieden uit de legertros ter plaatse uit hout vervaardigd. Dit gevaarte wordt tegen de vijandelijke veste gerold, waarna de belegeraars op de muur springen. Om het in brand schieten van een evenhoge te voorkomen wordt deze dikwijls aan de buitenkant nog bekleed met huiden, die nat gehouden worden.

Werpmachines

Trebuchet (Replica in Chinon, Frankrijk).In de Middeleeuwen hebben bij een belegeringsoorlog vooral de werpmachines (blijde en trebuchet) een zeer belangrijke rol vervuld. Deze machines zijn als voorlopers van het geschut te beschouwen. Om buiten het bereik van de pijlen van de verdedigers te blijven, die vanaf hun muren toch zo'n 250 meter halen, moet de werpafstand beduidend groter zijn. Bedenk dat als projectielen zowel zware als kleine stenen (hagel), brandende vuurtonnen en bijenkorven, maar ook kadavers van dieren, inhoud van latrines en andere ziekte verspreidende voorwerpen in de belegerde vesting geworpen worden. Dit geeft een duidelijk inzicht in de doeltreffendheid van deze werpmachines.
Ook plaatsen de verdedigers op de muren en torens werpmachines, maar deze kunnen door de beschikbare ruimte meestal slechts gering in aantal en beperkt van afmetingen zijn.

De blijde

De bekendste werpmachine die ook in De Graafschap wordt gebruikt is de blijde. De blijde behoord tot het hevelgeschut. De werpkracht wordt verkregen door een soort wip. Aan een uiteinde bevond zich een zwaar gewicht en aan de andere zijde de zogenaamde schoen. Dit werpgeschut werpt het meest nauwkeurig, omdat het gewicht steeds gelijkmatig werkt. Met deze machine kan de schutter, zoals een middeleeuwse bron ons meldt, een naald raken. Er zijn nog drie soorten hevelgeschut, maar deze worden voornamelijk bij grote belegeringen, door de hoogste heren, gebruikt en kwamen in Gelre bij hoge uitzondering voor.

Lepelblijde (Replica in Chinon, Frankrijk).

De donderbus

Het buskruit, aanvankelijk 'donrecruyt' (donderkruit) genoemd, wordt halverwege de dertiende eeuw ontdekt en in Europa vanaf het begin van de veertiende eeuw als aandrijfmiddel gebruikt voor het verschieten van projectielen vanuit een vuurwapen. De Chinezen gebruiken het kruit al om kleiballen uit een aan een kant gesloten bamboebuis weg te schieten. Arabieren verbeteren het systeem door meer kruit te nemen en een buis van ijzer te maken. In de eerste helft van de veertiende eeuw zou de vervaardiging en het gebruik van vuurwapens zich langzaam door Europa verspreiden.
In 1346 verschijnen de eerste donrebussen, ook wel pothonden genoemd, in de lage landen. De eerste geschutsoorten zijn meestal zeer gering van afmeting en hebben de vorm van een vaas of pot. Bij het afvuren worden ze in het zand gesteund en zo geplaatst, dat ze in een hoek van 45° staan. Het zijn voorladers, dus eerst gaat het kruit erin. Daarna slaat men een houten prop in de vernauwing en daarvoor komt het projectiel te liggen. Het kruit wordt ontstoken door een brandende lont of gloeiend stuk ijzer bij het zundgat te houden. Dus zowel het projectiel als de houten prop wordt weggeschoten. Wat voor projectielen gebruikt werden, is niet duidelijk; zware pijlen en stenen zijn het meest waarschijnlijk. Snel schieten is er ook niet bij. Slechts enkele schoten per dag zijn mogelijk en dan nog scheuren de lopen dikwijls bij het afvuren.

De haakbus

Uit dit eerste geschut worden de eerste handwapens, de hand- en haakbussen, ontwikkeld, waarna tevens de naam donderkruit wordt vervangen door buskruit. Door de primitieve bewerking en de onzuiverheid van de bestanddelen is het buskruit in de veertiende eeuw echter nog zeer onstabiel, zodat zijn kracht en daarmee de baan van het projectiel niet exact is te bepalen. Toch moet de uitwerking van de heftige explosie, de felle lichtflits en de sterke rookontwikkeling op de bijgelovige middeleeuwer niet worden onderschat. Bij de paniek die vaak ontstaat bij het aanschouwen van het vijandelijke leger voor de eigen vertrouwde poorten is de donderbus de nieuwigheid die alle vertrouwen in een goede afloop van de oorlog doet verdwijnen.

Literatuur

  1. Ancient armour & weapons, John Hewitt,
    Bracken Books, London, 1855 (1996).
  2. Waffen und Rüstungen, Vesey Norman,
    Parkland Verlag, Stuttgart, 1977.
  3. Middeleeuws Wapentuig, Drs. R.B.F. van der Sloot,
    C.A.J. van Dishoeck, Bussum,1964.
  4. Over hellebaarden donderbussen en huurlingen, J.H.W. Koch,
    Elsevier, Amsterdam, 1980.
  5. Knights, Andrea Hopkins,
    Grange Books, London, 1990.
  6. Knight, Christopher Gravett,
    Dorling Kindersley, London, 1993.
  7. The medieval knight at war, Brooks Robards,
    Tiger Books International, London, 1997.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnendages voor Heilige Laurentius dach, dat was op ten negenden dach der maent van Augusti.