Eigenkerk, tienden en aflaten

De eigenkerk

Het christendom was tot de IJssel doorgedrongen voordat er sprake was van een Zutphense nederzetting. Wilp, Deventer, Wichmond en Zelhem hadden al eerder kerkjes. Sinds Zutphen als sterkte werd ingericht zal er wel een kerkje binnen de vesting hebben gestaan. Het is niet duidelijk of dit een bisschoppelijke kerk was of een 'eigenkerk' van de heren van Zutphen. Het lijkt erop dat het een eigenkerk was. Met een eigenkerk betaalde de graaf een subsidie aan de zielzorger en had hij een eigen altaar in de kerk.


Het gebeurde in de Middeleeuwen vaker dat een leek op zijn grond een kerk stichtte voor zijn gelovige horigen. De kerk met haar opbrengsten bleef dan zijn eigendom. Tevens benoemde en ontsloeg hij naar eigen goeddunken de priesters. In de elfde eeuw kwam hier vanuit de geestelijkheid verzet tegen. Als reactie daarop schonken sommige leken hun bezit weg aan andere kerken of kloosters.

Tienden

De kosten van het onderhoud van de geestelijken werden betaald uit tienden die over heel Gelre waren verspreid. De kerken en kloosters hadden horigen die op hoeves het land bebouwden. Daarnaast werden landerijen aan derden verpacht en waren er allerlei vormen van renten die werden getrokken.
Er kwam een stroom mensen naar de kerk voor de gewone diensten, voor doopplechtigheden, de trouwerijen, de begrafenissen, de processies en de diensten voor speciale broederschappen en gilden, waarvan er in bijvoorbeeld Zutphen elf waren. Alle mededelingen over verkopingen en militaire zaken en belastingen werden in de kerk aangekondigd. Het kerkelijk hoogtepunt was Pasen, wanneer werkelijk iedereen ter kerke ging. Regelmaat zat er echter niet in het kerkelijk leven van de gewone man. Die probeerde de clerus vaker naar de kerk te lokken met aflaten.

Aflaten

Het aflatenstelsel stamt uit de elfde eeuw. Een aflaat is min of meer het afkopen van zonden. Dit brengt een vermindering mee van de straf die God de zondaar laat uitboeten in het vagevuur of op de louteringsberg. Door goede werken te doen zouden de boetetijd en de straftijd bekort worden. De middeleeuwse theologen meenden precies te weten hoeveel straf er op een bepaalde zonde stond. Wie een 'gewone' zonde beging, kon daarvan vergiffenis krijgen in de biecht en kreeg dan een straf opgelegd. Was de straf uitgevoerd dan was de zonde vergeven, maar nog niet uitgeboet. De zondaar kwam door een doodzonde nog zeven jaar in het vagevuur. Om die straf kwijt te raken moest hij of zij voorbeeldig gaan leven, op bepaalde dagen vasten, zich op een bepaalde manier kleden, waardoor de boetedoening uiterlijk kenbaar werd. Op deze wijze kon de zondaar de straf in het vagevuur uitwissen.
Dit kon echter ook door goede werken te doen, zoals het behalen van een aflaat. De ene aflaat was de andere niet, hetgeen leidde tot een soort boekhouding. Aan iedere aflaat die een geestelijke weggaf, hing een tegenprestatie in de vorm van een bijdrage aan de bouw van de kerk. Zo werden twee vliegen in één klap geslagen. Het verblijf van de zondaar in het vagevuur werd verminderd en de bouw van de kerk kreeg een financiële injectie.
Met questen werd eveneens geld opgehaald. Hierbij liep een bedelprediker vergezeld van enige assistenten van parochie tot parochie. Hier konden de mensen eveneens aflaten behalen. Verder waren er nog jubileumaflaten en inkomsten uit het lezen van diensten voor bepaalde doeleinden.

Literatuur

  1. De stedebouwkundige ontwikkeling in Nederland, Dr. Ir. W.B. Kloos,
    Allert de Lange, Amsterdam, 1947.
  2. De opkomst van Zutphen, Willem de Vries,
    Van Gorcum & Comp. N.V., Assen, 1960.
  3. Ridderschap, ideaal en werkelijkheid, Jkvr. dr. J.M. van Winter,
    C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1965.
  4. De Middeleeuwse Stad, Prof. dr. W. Jappe Alberts,
    Fibula-van Dishoeck, Bussum, 1968.
  5. Stad en platteland in de Middeleeuwen, Prof. dr. David Nicholas,
    Fibula - van Dishoeck, Bussum, 1971.
  6. De Sint-Walburgiskerk in Zutphen, momenten uit de geschiedenis van een middeleeuwse kerk, diverse auteurs,
    Walburg Pers, Zutphen, 1999.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnedages op Allerheiligen dach.