| |
Kastelen
Inleiding
De Graafschap is van oudsher bekend om zijn vele kastelen, havezaten
en buitenplaatsen. Dat er in de loop der eeuwen hier en daar een kasteel
gesloopt of verdwenen is, daar zal niemand van opkijken. Maar dat er
meer dan zeventig kasteelterreinen zijn verdwenen zal menigeen wel verbazen.
Enkele tientallen centimeters onder het aardoppervlak wemelt het van
kastelen, havezates en buitenplaatsen met een bouwgeschiedenis tot voor
1800. Niet alles is verdwenen. Sommige zijn in de loop der tijden zo
verbouwd of vertimmerd dat ze onherkenbaar zijn geworden. In andere
gevallen resteert alleen nog een grachtenstelsel, of een woontoren.
Een militaire betekenis
Sinds
de twaalfde eeuw ontstaat bij steeds meer leenheren
de behoefte te beschikken over eigen versterkte huizen. In de loop van
de tijd zijn huis en kasteel ongeveer synoniem geworden. Bij huis valt
misschien meer de nadruk op het burgerlijk karakter van het gebouw en
bij kasteel misschien meer op het militaire.
In ieder geval wordt er hetzelfde bouwwerk mee bedoeld. Met hof
en kasteel is dit niet het geval. De hof is het economische middelpunt.
Het slot dat ernaast verrijst, heeft in de eerste plaats militaire betekenis.
Het bouwen van kastelen is een zaak die in onze streken formeel aan de
toestemming van de keizer van het Duitse rijk is onderworpen en in het
landsheerlijk tijdperk
aan die van graven en hertogen. Deze verlenen de leenheren het recht versterkte
huizen te bouwen. Vaak wordt echter nergens naar gevraagd en bouwt men
gewoon. De grootgrondbezitter wiens territorium strategischer ligt ten
opzichte van bijvoorbeeld een handelsweg dan dat van zijn buurman, is
alleen al uit dien hoofde beter in staat om (ongeauthoriseerde) tol te
heffen. De zodoende verkregen penningen maken het hem weer mogelijk om
een sterker "huis" te bouwen, waardoor zijn positie nog sterker wordt.
Binnen afzienbare tijd is dit huis dan een "kasteel". Hierdoor staat deze
edelman er beter voor in een oorlog of vete dan zijn buurman die niet
over zo'n versterkt huis beschikt.
Versterkte hoven
De versterkte hoven kunnen we de eerste "kastelen" noemen. Hoe zo'n versterkte
hof eruit ziet, wordt enigszins voorstelbaar gemaakt door de opgraving
van de hof van Oud-Keppel. Deze hof bestaat uit een rond terrein met een
diameter van dertien meter. Hiervan wordt een gedeelte ingenomen door
een aarden wal. Er zijn hier twee grachten om de hof die vermoedelijk
worden gevoed met water uit de Oude IJssel. Op het enigszins verhoogde
middenterrein worden paalgaten gevonden van een houten gebouw en de lemen
vloer van een soort keldertje. Er zijn ook nog onduidelijke sporen van
een soort voorburcht.
Bouwmateriaal en ligging
Als bouwmateriaal wordt voor de twaalfde eeuw in het algemeen
hout of natuursteen gebruikt. De kunst van het stenen bakken, die in ons
land door de Romeinen is geïntroduceerd is na hun vertrek in onbruik
geraakt. Pas in de loop van de twaalfde eeuw komt het bakken van stenen
weer in gebruik. Van die tijd af worden in de buurt van rivieren en andere
kleihoudende streken de zogenaamde kloostermoppen gebakken. De moppen
zijn zware en lompe stenen, gemiddeld dertig cm lang, vijftien cm breed
en 8,5 cm dik.
De ligging van de kastelen moet voldoen aan twee voorwaarden. Ten eerste
moet het kasteel nabij een strategisch punt aan een rivier, weg of moeras
liggen. En ten tweede moet deze plaats door haar natuurlijke ligging in
het terrein gemakkelijk en goed te verdedigen zijn. Een goed voorbeeld
van zo'n kasteel is de Wildenborch bij Vorden dat temidden van moerassen
ligt.
Het motte-kasteel
Het eerste soort kasteel in onze contreien is de motte. Op een kunstmatige
heuvel om de voordelen van een kasteel op een berg na te bootsen ligt
het huis van de heer. In het beginstadium is dit niet meer dan een houten
toren. Om deze motte wordt een gracht aangelegd, die het voor de aanvallers
nog moeilijker maakt. Vaak ligt naast de motte een voorhof, die eveneens
omgracht is en voorzien van een palissade op een aarden wal. Onneembaar
is de motte niet. De berg is door belegeraars gemakkelijk te ondergraven
zonder dat ze last krijgen van het grondwater.
Mottes
worden alleen opgeworpen wanneer er geen natuurlijke heuvels zijn waarop
de heer zijn woning kon bouwen, vandaar dat dit type in de Achterhoek
voorkomt. In vele gevallen worden de hoven omgebouwd tot mottes. Soms
komt de motte ter verdediging in de buurt van de hof te liggen, als de
plek niet helemaal ideaal is.
In de loop der jaren begint het zand te verzakken, instortingen komen
dan ook geregeld voor. Ter versteviging wordt dan een ringmuur
gebouwd.
De donjon
In
de meeste gevallen wordt de alleenstaande houten toren vervangen door
een stenen versie met zeer dikke muren, waarin slechts enkele lichtspleten
zitten en die voorzien zijn van een gekanteelde borstwering. Een dergelijke
toren wordt meestal, met een woord van Latijns-Germaanse oorsprong,
donjon genoemd. De aanduiding 'bergvrede' komt ook voor. Men bouwt de
toren volgens een rond of vierkant grondplan. Ze staan al dan niet op
een hoogte en worden omringd door een weermuur, gracht of door beide.
Verschillende van deze donjons zijn in latere tijden een deel geworden
van een uitgebreider complex, waarin ze de functie van laatste toevluchtsoord
vervullen. Het is niet altijd duidelijk geworden of deze donjons in oorsprong
gezien moeten worden als geregeld bewoonde verdedigingstorens. Het lijkt
meer waarschijnlijk dat deze in het begin uitsluitend een defensieve functie
hebben en pas in tijden van gevaar bezet worden door een meestal zeer
klein garnizoen. In tijden van vrede
zullen houten opstallen dicht bij de toren tot vaste bewoning hebben gediend.
Deze torens moeten nauwelijks bewoonbaar zijn geweest. Gedurende een periode
van meer dan drie eeuwen is het "kasteel" van de edelman, die niet over
een ruime beurs beschikt, de eenvoudige woontoren.
De meest voorkomende woontoren is de vierkante of rechthoekige. De woontorens
uit de dertiende eeuw hebben zware muren, tot soms drie meter dik.
Het is merkwaardig dat die woontorens in die drie eeuwen praktisch geen
veranderingen of verbeteringen vertonen. Soms wordt er meer dan één kamer
per verdieping gevonden. Er schijnt verder helemaal geen stijlontwikkeling
te zijn. De woontorens worden gezien als noodzakelijke bouwsels waaraan
geen rompslomp te pas behoeft te komen. Gewoonlijk hebben ze maar drie
verdiepingen, daarbij inbegrepen de kelder. Een verbrede dakgoot achter
de kantelen dient vermoedelijk als weergang. In
de tijd van onveiligheid op het platteland biedt de woontoren enige beschutting,
al is hij niet zo sterk als een kasteel of een motte.
Na de kruistochten
Later
wordt de woontoren, net als de motte, uitgebreid. De kennismaking met
de superieure beschaving in het Oosten tijdens de kruistochten veroorzaakt
een verandering in levensgewoonte. Vele ridders
maken tijdens de kruistochten kennis met tapijten, kostbare stoffen, meubilair
dat niet alleen gebruiksvoorwerp is maar ook een zeker comfort biedt,
en andere luxe. De bestaande donjons en woontorens bieden echter niet
veel woonruimte. Een kelder als opslagplaats, een kamer of zaal, waar
iedereen de dag doorbrengt en waar vermoedelijk ook een gedeelte van de
kasteelgenoten slapen, en nog een kamer op de verdieping, waar vermoedelijk
alleen wordt geslapen.
Uitbreiding blijkt gewenst. Vooral sinds het begin van de veertiende eeuw
is er een grote bouwactiviteit. Speciaal in Gelderland is er omstreeks
deze tijd een enorme aanwas van
het ridderschap, die zich natuurlijk ook stenen huizen wil laten bouwen.
Meer financiele armslag
Deze bouwactiviteit moet ook worden gezien als een gevolg van grote economische
veranderingen. De toenemende ontwatering van de drassige streken en het
geweken gevaar voor overstromingen brengen meer land in cultuur. Ook de
opkomst van de steden speelt een grote rol. Voordat de groeiende bevolking
der steden een economische factor van betekenis wordt, heeft de edelman
er geen belang bij op zijn land meer te laten produceren dan hij op kan.
Er is vrijwel geen sprake van enig transport van een surplus. Maar met
de opkomst van de steden ontstaat een vraag naar producten die alleen
door de plattelandsbevolking, en dat betekent dus de adel,
kunnen worden geleverd. Hierdoor aangespoord wordt meer geëist van de
grond die al in gebruik is en wordt ook getracht nieuwe grond te ontginnen
en geschikt te maken voor landbouw en veeteelt. Het geld dat door de steden
wordt besteed gaat naar de adel, die het zich nu kan veroorloven een sterk
huis te bouwen.
Donjon wordt uitgebreid
In
de loop der tijden zijn diverse kasteeltypen ontstaan. De kastelen op
ronde, ovale of veelhoekige grondslag moeten tot de oudste worden gerekend.
Die met een rechthoekig grondplan komen vooral sinds de dertiende eeuw
voor. Een variant van het vierkante kasteeltype met een toren op één van
de hoeken aan de voorkant is alleen nog bekend uit het oosten van Nederland.
Dit is een vrijwel vierkant kasteel met twee woonvleugels die loodrecht
op elkaar staan. In de binnenhoek bevindt zich een traptoren en op de
buitenhoek meestal een zware toren. Aan de twee andere zijden van het
kasteel bevindt zich hoogstwaarschijnlijk een schildmuur met een toegangspoort.
Soms kan er ook op de hoek waar de twee weermuren elkaar raken een toren
staan, hoewel dit meestal niet het geval schijnt te zijn.
Het kasteel van Vorden vertoont bijvoorbeeld een dergelijk grondplan.
De bestaande donjon of woontoren blijft in deze constructie een grote
rol spelen. In ons waterrijke land wordt vaak gebruik gemaakt van het
water als verdedigingselement. Dit komt goed van pas om het naderen van
het kasteel te bemoeilijken. Zeker als kanonnen gemeengoed worden. De
draagwijdte van het eerste geschut bedraagt zo'n tweehonderd passen. Dubbele
grachten geven hiervoor een oplossing.
Vrijwel de meeste nog bestaande kastelen hebben een lange bouwgeschiedenis,
tijdens welke vele malen sprake was van verbouwingen en uitbreidingen.
Na de toepassing van het buskruit begint de betekenis van de kastelen
als moeilijk te veroveren bolwerken te verminderen. Langzamerhand legt
men zich erop toe deze, van oorsprong slecht voor bewoning geschikte burchten,
geriefelijker in te richten. Vooral in de zeventiende eeuw zijn vele kastelen
verbouwd tot buitenverblijven.
|
|