"De bisschop als landsheer"

Bijbehorende noten

Verantwoording

Link naar voetnoten en literatuurverwijzingen Om de leesbaarheid op het web te verhogen heb ik er voor gekozen de tekst niet te ontsieren door voetnoten en literatuurverwijzingen. De geraadpleegde bronnen en literatuur zijn op een aparte pagina verzameld.
Langzamerhand zal op deze literatuurpagina een volledig notensysteem worden gerealiseerd. Voor oudere hoofdstukken geldt dat pas bij een revisie noten worden toegevoegd.
Meer over ontstaan, doel en de uitgebreide verantwoording van deze site.

Terug naar hoofdstuk.

  1. L.A.J.W. Baron Sloet,Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutphen, Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage, 1872-1876, nr. 161.
    C. Dekker, Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen, Stichting Historische Reeks 9, De Walburg Pers, Zutphen, 1983, p377.
    B. Arnold, Princes and territories in medieval Germany, Cambridge University Press, Cambridge, 1991, p116-117.
    A.L.P. Buitelaar, De Stichtse ministerialiteit en de ontginningen in de Utrechtse Vechtstreek, Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1993, p37.
    J.M. van Winter, Bisschop Balderic en de rijkskerk, In: Geschiedenis van de provincie Utrecht tot 1528, Uitgeverij Het Spectrum, Wageningen, 1997, p106 en 108.
  2. A. J. Maris, Van voogdij tot maarschalkambt, Boekhandel H. de Vroede, Utrecht, 1954, p12-13.
    D.P. Blok, Teisterbant, In: Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, Amsterdam, 1963, p475 of p12.
    "Dit ambt nu is steeds in handen van de Ansfried-familie geweest, maar komt na de val van Balderik, de laatste praefect uit deze familie, in 1018 aan de bisschop, die echter de militaire bevoegdheden uitleent aan de Heren van Goor in het Oversticht en die van Ameide in het Nedersticht."
    J.M. van Winter, Otto de Rijke van Zutphen (ca. 1050-1113) - een legpuzzel, In: Bijdragen en Mededelingen, Historisch jaarboek voor Gelderland, deel XCIII, Vereniging Gelre, Arnhem, 2002, p19.
    I. Bejczy, Radboud Universiteit Nijmegen, Museum van de Vaderlandse geschiedenis, (Aarts)bisschoppen van Utrecht, 695-1580, Nijmegen, 2000.
    K.H. Schreiber, Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer (MGDRES) , Wichmann, Balderich.
    K.H. Schreiber, MGDRES, Utrecht, Adalbold II.
  3. R. Fruin, Over de graven van Zutphen vóór 1190, De Nederlandsche Leeuw, Jaargang XLI, nr. 11/12, november-december 1923, kolom 310.
    A. J. Maris, 1954, p13, 26, 28 en 37.
    "Men zou naar analogie hiervan verwachten dat in Utrecht de graaf van Nifterlake, of diens opvolger in de uitoefening van een deel der grafelijke bevoegdheden, de graaf van Utrecht, liber advocatus ecclesie en banierdrager van St. Maarten zou zijn geworden."
    "Nu is de stad Deventer, toen Utrecht in den Noormannentijd verlaten was, een tijdlang hoofdzetel van het Utrechtse bisdom geweest."

    I. Bejczy
    , Radboud Universiteit Nijmegen, Museum van de Vaderlandse geschiedenis, (Aarts)bisschoppen van Utrecht, 695-1580, Nijmegen, 2000.

Terug naar hoofdstuk.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende IV des Wonnesdages op sunte Bruno de Kartuizer dach, dat was op ten zesden dach der maent van Octobris.

Creative Commons LicentieAlfred Stern, 2004-2005

Deze tekst is geplaatst op 6 oktober 2004. Laatste wijziging: 2 april 2005.