| |
Opkomst en ondergang van
hertogdom Lotharingen
Deel 1 - Opkomst
Einde van een koninkrijk
Na de moord op
Zwentibold in 900 breekt er een periode aan waarin de Lotharingse
adel min of meer zichzelf bestuurd. In naam is Lodewijk
IV 'het Kind' de koning
van Lotharingen, maar gezien zijn zeven levensjaren zal hij een speelbal
in de handen van de machtige adellijke families zijn. Wanneer Lodewijk
IV in 911 overlijdt is het koninkrijk
Lotharingen mede ten dode opgeschreven.
In de tiende eeuw is nog niet echt sprake van dynastieën, zoals in later
eeuwen. De vroegtijdige dood van een zoon, zoals bijvoorbeeld Lodewijk
IV, kan alle dynastieke plannen in de war sturen. Derhalve speelt binnen
een geslacht een ruimer familiebegrip dan alleen de bloedband met eigen
kinderen een rol. In deze tijd zijn geslachten en aan hen verwante groepen
van geslachten bezig om een machtspositie te verwerven.
Er zijn rond 900 drie facties in Lotharingen actief die ongeveer even
machtig zijn. De geslachten zijn herkenbaar aan een eigen naamgeving.
Het betreft de Matfriedingers, Konradijnen
en Reginaren. Zij spelen allen een sluw spel
om de macht in Lotharingen.
De eerste zet in het macabere spel om Lotharingen wordt gedaan door de
Matfriedingers. Uiteraard zijn er meer facties in Lotharingen actief,
maar de genoemde drie bepalen de gang van zaken min of meer. Zo zijn in
Frisia, het westen van het huidige Nederland, de
Unrochingers actief, die een pact vormen met
de Reginaren. In het oosten maken Brunharingen
de dienst uit. Zij hebben banden met de Matfriedingers.
De Matfriedingers
De Matfriedingers ontlenen hun naam aan de veel voorkomende voornaam
Matfried. Naast Matfried komt in hun stamboom
veelvuldig de namen Adalhard, Gerhard en Godfried. Deze familie heeft
zijn machtsbasis langs de Maas in oostelijk Lotharingen. Zij zijn niet
de machtigste familie in Lotharingen, maar wel de eersten die na de Karolingers
hun macht uitbouwen. Dit geslacht bezit voornamelijk grafelijke rechten
op de linkerbank van de Rijn, in onder andere Bidgouw,
Bliesgouw, Chaumontois,
omgeving van de Saar, bovenloop van de Moezel,
Eifelgouw, Zulpichgouw,
Metzgouw en Gulikgouw.
Stamvader van de Matfriedingers is Adalhard
I, bijgenaamd 'Seneschalk'. De stamboom
is nog niet geheel opgehelderd, maar rond 900 zijn in ieder geval de broers
Matfried (IV) van Metzgouw en Gerhard
(I) van Gulikgouw actief. Hun eerste zet in het spel om Lotharingen
is een rigoureuze. In 900 vermoorden zij koning Zwentibold
van Lotharingen. Zwentibold heeft de broers in 896 uit hun gravenambt
gezet en hun goederen geconfisqueerd. In 898 zijn Gerhard (I) en Matfried
(IV) weliswaar in hun eer hersteld, maar zij vergeten en vergeven blijkbaar
niet gemakkelijk. Na de moord haasten de Matfriedingers zich om Lodewijk
IV 'het Kind' als koning te erkennen, diens jonge leeftijd laat immers
alle ruimte voor zelfstandig optreden.
Gerhard (I) van Gulikgouw trouwt meteen na de moord op Zwentibold
met diens weduwe Oda van Saksen, dochter van Otto
van Saksen en zuster van de latere keizer Hendrik
I. Ongetwijfeld een poging om de macht in Lotharingen te grijpen.
Samen met zijn broer Matfried (IV) van Metzgouw voert Gerhard (I) in het
eerste decennium van de tiende eeuw oppositie tegen de Konradijnen,
maar daarin vinden zij vooralsnog weinig medestanders.
De Konradijnen
De aan de Matfriedingers verwante Konradijnen
ontlenen hun naam aan de voornaam Koenraad (Konrad). Zonen krijgen, naast
Koenraad, veelvuldig de naam Gebhard, Udo (Otto) of Eberhard. Zij zijn
in deze tijd de machtigste familie in het Oost-Frankische rijk. In de
stamboom van deze familie
zijn drie belangrijke takken te onderscheiden, vernoemd
naar de zonen van graaf Udo van Lahngouw en
Judith, dochter van graaf Koenraad
van Argengouw: De seniortak (Koenraad
'de Oudere') en vervolgens naar de jongere zonen Eberhard
(I) van Ortenau en Gebhard (van Lotharingen)
de Eberhardingers en Gebhardingers.
De Konradijnen zijn door keizer Arnulf gevraagd als beschermers van zijn
zoon Lodewijk IV op te treden. De Konradijnen zijn vooral gegoed in Franken
en zuidelijk Hessen. Hun bezittingen in Lotharingen
concentreren zich op de rechterbank van de Rijn met onder andere Avelgouw,
Keldachgouw, Engersgouw
en Hattuarië. Deze decentrale machtsbasis
beperkt hun mogelijkheden in Lotharingen ten opzichte van de centraal
in Lotharingen gevestigde aristocratie. De eerste helft van de tiende
eeuw bezit de Eberhardinger-tak de hertogelijke
titel van Elzas.
De Konradijnen moeten zich op meerdere fronten verdedigen. In
hun oost-Frankische thuisland vechten ze een vete op leven en dood uit
met de Babenbergers, de nazaten van Hendrik
van Babenberg, waarmee ze in 906 definitief weten af te rekenen.
De voornaamste Konradijn in Lotharingen is Gebhard,
graaf van Niddagouw, Rijngouw,
Neder-Lahngouw en Wetterau.
Hij benoemt zichzelf enkele jaren na Zwentibolds dood namens Lodewijk
IV 'het Kind' tot "dux regni guod a multis
Hlotharii dicitur" (hertog van het rijk) in Lotharingen. Als een
soort plaatsvervanger van de jonge koning vertegenwoordigt hij de kroon.
En misschien ziet hij zichzelf wel als de initiator van een nieuw hertogdom:
Lotharingen. Voor het gemak wordt hij als ambsthertog op deze site Gebhard
van Lotharingen genoemd.
De Reginaren
De derde factie in Lotharingen en wellicht de machtigste in dit gebied
is de familie der Reginaren.
Binnen deze familie is de voornaam Reginar (Reinier) populair, evenals
de naam Giselbert. Dit geslacht is voornamelijk gegoed in het zuidwesten
van Lotharingen. De Reginaren oefenen de grafelijke macht onder andere
uit in Henegouw, Lommegouw,
Haspengouw (Hasbania) en Maasgouw.
Rond 900 is de belangrijkste vertegenwoordiger van dit geslacht Reginar
I, bijgenaamd 'Langhals'. Reginar I zal ongetwijfeld ambities in de
richting van het koninkrijk Lotharingen koesteren, want hij is de oudste
kleinzoon van keizer Lothar
I. Reginar I's vader Giselbert II van
Maasgouw heeft namelijk in 846 Ermengard,
een dochter van Lothar I, geschaakt. Reginar I is getrouwd met Ermentrud,
mogelijk een dochter van Lodewijk II van
West-Franken. Er vloeit dus karolingisch bloed in deze familie.
Reginar I is koning Zwentibolds voornaamste raadsheer, totdat hij in 898
wegens hoogverraad aan de kant wordt gezet. Reginar I van Henegouw verschanst
zich in Durfos aan de Maas, waar hij de aanvallen van Zwentibold
overleeft. Vervolgens vlucht hij naar Karel
III 'de Eenvoudige', koning van West-Franken en tevens broer
van Ermentrud. Karel III valt op zijn beurt Lotharingen
nog tevergeefs binnen.
Na de dood van Zwentibold huldigen de Reginaren Lodewijk IV ook als hun
koning. Ook al zijn de Reginaren tegenstanders van de Konradijnen, toch
steunen zij de Matfriedingers niet in hun verzet
dat spoedig uitbreekt.
|
|