| |
Opkomst en ondergang van
hertogdom Lotharingen
Deel 4 - Ondergang
Een aartshertog aan het bewind
De dubbele functie van Bruno,
hij is zowel aartsbisschop van Keulen als hertog van Lotharingen, wordt
door tijdgenoten beschreven als "archidux"
(aartshertog). Niet iedereen in Lotharingen is blij met hem. Opnieuw is
er een vreemde aan de macht.
Reginar III
van Henegouw, die er op rekent hertog te worden, is Bruno's voornaamste
tegenstander. Reginar III behaalt in 955 een belangrijke overwinning wanneer
hij Balderik I, een
neef van hem, tegen de zin van Bruno op de bisschopszetel van Utrecht
weet te krijgen. Bruno laat zijn tegenstanders een eed
afleggen waarin ze beloven dat ze 's koningsgoed zullen eerbiedigen. Maar
een jaar later neemt Reginar III het weduwegoed van zijn tante Gerberga
en goederen van de kerk in Reims in.
In de daarop volgende strijd worden Reginar III's vrouw Adela,
dochter van graaf Lambert van Maasgouw,
en hun kinderen Reginar (IV) en Lambert
(I) gevangen genomen. Vermoed wordt dat Lothar
III, koning van West-Franken (954-986) en zoon van Lodewijk
IV en Gerberga
en halfneef van Reginar III, daarbij een rol speelt.
Reginar III weet door bemiddeling van Bruno en door alle veroverde gebieden
in te leveren zijn familie te bevrijden. Toch keert de rust niet terug.
De opstand van 957
Reginar III ontketent een algemene opstand in 957, hetgeen Bruno te
dol wordt. Samen met Lothar III van West-Franken
valt hij Reginar III van twee kanten aan. Reginar
III ziet het hopeloze van zijn zaak in en geeft zich over. Vervolgens
wordt hij van hoogverraad beschuldigd, omdat hij zijn eed
uit 955 heeft gebroken. Als straf wordt hij verbannen en zijn goederen
aan de kroon getrokken. Voorwaar een rijke buit.
Alle opstandelingen worden gestraft, Reginar III's zonen Reginar IV en
Lambert I vluchten naar West-Franken. Van hen is men in Lotharingen nog
niet af.
Laatste zet der Matfriedingers
Wie denkt dat het nu rustig zal worden heeft het mis. De straffen na
de opstand worden slecht verteerd door de Lotharingse aristocratie. In
958 komt het tot een nog grotere opstand. De Lotharingers worden nu aangevoerd
door Irmfried (II), een
achtergebleven verwant van de Reginaren.
De Matfriedingers hebben met de moord
op koning Zwentibold
de eerste zet gedaan in het spel om het hertogdom Lotharingen, Irmfried
II doet de laatste zet. Opnieuw moet Bruno aan het werk om de vrede te
herstellen. Hiervoor gebruikt hij de van Reginar III geconfisqueerde gebieden.
Lotharingen wordt opgesplitst
De eerste tegenzet van Bruno is het benoemen van graaf Frederik
van Bar als hertog van Opper-Lotharingen.
Frederik I van Opper-Lotharingen is een neef van Reginar III via moeders
kant en kan op die wijze Reginar III's gebieden verwerven. Bovendien trouwt
Frederik I met Bruno's nicht Beatrix, dochter
van Hugo van Francië
'de Grote' en Hadwig van Saksen, zodat
de nieuwe hertog middels huwelijksbanden aan het koningshuis wordt gebonden.
Frederik I heeft zijn ambtsgebied voornamelijk in het zuiden van Lotharingen
liggen.
In het noorden worden de goederen van de Reginaren in 958 in handen van
de Matfriedinger Godfried,
graaf van Keulengouw en paltsgraaf van Lotharingen, gegeven. Godfrieds
ambtsgebied wordt al spoedig Neder-Lotharingen
genoemd. Vanaf nu wordt hij Godfried
I van Neder-Lotharingen genoemd.
|
|