Opkomst en ondergang van
hertogdom Neder-Lotharingen

Deel 2 - Opkomst en ondergang van de Karolingers

Karel, 977-992

Via via erfgenaam

Karel wordt in 977 hertog van Neder-Lotharingen. Hij is verbannen uit West-Franken, waar zijn broer Lothar III koning is. De nieuwe hertog is van twee kanten behept met keizerlijk bloed, want zijn vader is de karolinger Lodewijk IV van West-Franken en zijn moeder is Gerberga, dochter van Hendrik I van Saksen. Karel erft de hertogelijke rechten min of meer via zijn moeder, want zij is de weduwe van de illustere hertog Giselbert van Lotharingen.

Oorlog in Lotharingen (978)

Lothar III, koning van West-Franken, ziet de benoeming van zijn verbannen broer Karel als een bedreiging van zijn rechten op Lotharingen. Wanneer ook nog zijn steunpilaren Reginar IV en Lambert I hun voormalige familiegoederen in Lotharingen terugkrijgen trekt Lothar III in 978 met een leger Neder-Lotharingen binnen, waar hij onder andere Aken plundert. Otto II, die toevallig in de buurt is, weet aan Lothar III's mannen te ontkomen, waarop Lothar III Opper-Lotharingen binnentrekt. Deze manoeuvre wordt mogelijk ingegeven door het feit dat Karel zich als heer van heel Lotharingen opwerpt. Al in de herfst van hetzelfde jaar wordt Lothar III in zijn eigen koninkrijk door Otto II aangevallen.
Daarnaast opent Otto II in 979 een politieke tegenaanval door Karel tot tegenkoning van West-Franken uit te roepen. Deze aanval mislukt, omdat Karel niet door de adel en de kerkvaders in West-Franken wordt gesteund. Otto II en Lothar III sluiten daarop vrede.

Lotharingen verdeeld in troonstrijd

Na de dood van Otto II in 983 strijdt de Oost-Frankische adel om het voogdijschap over de minderjarige Otto III. Lothar III valt opnieuw Lotharingen binnen om in de troonstrijd in te grijpen. Karel ondersteunt de voogdijschap van zijn broer tegen koningin-moeder Theophanu en weet de Lotharingse adel mee te krijgen.
Hun grootste tegenstander is bisschop Diederik I van Metz, die de adel er fijntjes aan herinnert dat nog niet zo lang geleden Otto II en Lothar III in oorlog waren. De wereldlijke tegenpartij wordt aangevoerd door de Matfriedinger Godfried van Verdun, achterneef van bisschop Diederik I.

Godfried wordt gevangen genomen

Lothar III neemt daarop Godfried van Verdun gevangen om hem te dwingen afstand te doen van Bergen. Godfried weigert en blijft in hechtenis van de graaf van Vermandois, hieraan dankt Godfried zijn bijnaam 'de Gevangene'. Het lukt beide karolingers niet hun plannen met Otto III door te zetten.
Wanneer in 986 Lothar III en vlak daarna in 987 diens zoon Lodewijk V overlijden, onderneemt Karel een nieuwe poging om koning van West-Franken te worden. Helaas voor hem kiest de adel onder leiding van aartsbisschop Adalbero van Reims en zijn raadgever Gerbert van Aurillac voor Hugo Capet. Het einde van de karolingische macht is daarmee en feit geworden en is de vestiging van de macht der Capetingers een feit.
Hugo moet (uiteraard) enkele wederdiensten plegen. Voor wat hoort wat. Zo beëindigt hij de strijd om het voogdijschap van Otto III ten faveure van koningin-moeder Theophanu en laat hij Adalbero's broer Godfried 'de Gevangene' vrij.
Wanneer Hugo een byzantijnse prinses voor zijn zoon zoekt zet de geërgerde Theophanu Karel tegen hem op. Karel keert zich tegen Hugo Capet, hetgeen niet verstandig blijkt te zijn. In 991 wordt Karel verraden door bisschop Adalbero van Laon en door Hugo gevangen genomen, waarna hij een jaar later in gevangenschap in Orleans overlijdt. Zijn zoon Otto volgt hem op.

Otto, 992-1003

Rust in Lotharingen

Uit de naamgeving van zijn kinderen blijkt dat de karolinger Karel meer op de Liudolfingers is gericht dan op zijn eigen afkomst, want zijn oudste kinderen heten Otto en Gerberga, typische Liudolfinger namen. Geen wonder dat de clan rondom Otto III Otto als hertog in Lotharingen aanhoudt.
Bovendien is na alle commotie rust zeer welkom in Lotharingen. Het is zelfs zo rustig geworden dat Godfried 'de Gevangene' Bergen terug moet geven aan Reginar IV. De band tussen de Reginaren en het nieuwe koningshuis der Capetingers is ook innig. Reginar IV trouwt namelijk met Hadwig, een dochter van Hugo Capet. Lambert I trouwt met de hertogsdochter Gerberga.
Otto bemoeit zich niet met de koningstroon van Frankrijk, waardoor de laatste karolinger niet met de koninklijke tekenen wordt bekleed. De tijden zijn veranderd.

De laatste karolinger

Uit Lotharingen zijn ook geen politieke activiteiten van Otto bekend, behalve dat hij op goede voet met keizer Otto III staat, want in 1000 begeleidt hij deze op zijn Italiaanse veldtocht. Ook behoort hij tot de vertrouwelingen die in 1002 het lijk van Otto III naar Aken terugbrengen.
Nadien wordt weinig van Otto vernomen, geen huwelijk en geen kinderen. Vermoedelijk is hij rond 1003 gestorven, zodat de laatste karolinger van mannelijke afkomst zonder ruchtbaarheid verdwijnt. De karolinger dochters zullen nog wel vele adellijke geslachten met het gewenste voorname karolinger bloed injecteren en zo een rol spelen.

Voorlopig geen opvolger

Na de dood van Otto houdt Hendrik II, de opvolger van Otto III, het hertogdom in eigen hand, totdat er een geschikte opvolger is gevonden. De Lotharingers hebben Hendrik II's tegenstrever voor de kroon, Herman II van Zwaben, gesteund en Hendrik II wenst zijn tegenstanders niet meteen tegemoet te komen.
Lambert I 'met de baard', graaf van Leuven, vindt zichzelf toch een geschikte kandidaat voor de hertogstitel, omdat hij met Gerberga is getrouwd, maar Hendrik II is het niet met hem eens. Lambert I staat niet bekend om zijn trouw aan het koninkrijk. Lambert I erft in 1003 wel de landgoederen van hertog Otto, waaronder Leuven en Brussel. In plaats van een nieuwe hertog te benoemen besluit Hendrik II zijn zaken in het vervolg in Neder-Lotharingen zelf te behartigen.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Saterdages op Heilige Hart van Jezus dach, dat was op ten achtsten dach der maent van Junio.

Creative Commons LicentieAlfred Stern, 2003

Geraadpleegde bronnen. Deze tekst is geplaatst op 8 juni 2003. Laatste wijziging: 31 augustus 2003.