| |
Beleg van Opladen (1016)
Aanloop naar het beleg
Adela, de vrouw van graaf Balderik,
laat in 1016 Wichman III van Vreden
vermoorden om zo wraak te nemen op het haar aangedane leed.
Een groot tumult ontstaat als het bebloede lijk van Wichman III wordt
ontdekt. Onbekend is wat er is gebeurd, maar eenstemmig krijgt Balderik
de schuld. Niemand zal geloven dat hij onschuldig is aan de dood van zijn
gast, met wie hij net vrede heeft gesloten. Bang geworden verschanst hij
zich in Opladen, want hij vreest
gevaar. Dit is voor zijn tegenstanders het teken dat hij schuldig is;
waarom zou hij zich anders verstoppen? Een eerlijk man vreest tenslotte
alleen God. De middeleeuwse wereld is rechtoe rechtaan.
Prompt drommen er troepen tegen hem samen. Vrienden van Wichman III, waaronder
bisschop Adelbold van Utrecht, klagen Balderik
aan bij keizer Hendrik II.
De keizer beveelt dat de moordenaar vervolgd zal worden en dat hij persoonlijk
zijn bezittingen zal verwoesten. Hij zal zo spoedig als mogelijk is komen.
Dat de keizer zich er persoonlijk mee bemoeit, geeft wel aan dat het een
zaak van groot belang is, maar de macht van Balderik
is al jaren een doorn in zijn oog.
Kasteel in staat van oorlog
Balderik
ziet het niet meer zitten, maar Adela vuurt hem aan. Opladen wordt in
staat van oorlog gebracht. De nodige voorraden worden ingeslagen om een
langdurig beleg te kunnen
doorstaan. Vrienden wordt gevraagd bijstand te verlenen. Een groot aantal
troepen komt nu in beweging. Vorsten en edelen uit de wijde omtrek voelen
zich geroepen om deze lafhartige moord te wreken. De verontwaardiging
is alom groot. De bisschoppen van Munster, Utrecht en Meinwerk,
bisschopvan Paderborn, de hertog van Saksen en hertog
van Neder-Lotharingen en tal van kleinere heren sluiten zich aaneen
om Opladen te belegeren. Balderik wacht de slag niet af en met enkele
gezellen weet hij in het holst van de nacht te ontkomen.
Opladen wordt aangevallen
Zoals
in die tijd gebruikelijk worden huizen en boerderijen
in brand gestoken en vee geroofd. De troepen stormen tegen de hellingen
op, maar worden bij de muren warm ontvangen door gravin Adela
die het commando van haar gevluchte man heeft overgenomen. Adela weert
zich dapper, maar vergeleken met het leger dat voor haar deur staat, is
haar bezetting minimaal. Om de vijandelijke legers in de waan te brengen
dat ze een groot leger heeft verzameld laat ze vrouwen met helmen over
de muur lopen. Zo kan ze het beleg enkele dagen volhouden.
Wanneer ze in de verte de legers van keizer Hendrik II ziet komen, zoals
deze heeft beloofd, laat ze de moed zakken. Ze ziet de enorme legerplaats
op de vlakte en kiest eieren voor haar geld. Ze stuurt enkele afgezanten
naar de vijand om te onderhandelen. Op onnavolgbare wijze weet ze een
vrije aftocht te bedingen, maar bisschop Adelbold van Utrecht neemt de
burcht in en sloopt deze tot op zijn grondvesten.
Het paar Balderik en Adela wordt
nog even herenigt, maar
hun macht is gebroken; hun bezittingen worden verdeeld
onder diverse belanghebbenden.
|
|