| |
Wapengekletter
De macht aan het (voet)volk
Door de onder feodalisme geschetste
veranderingen in de maatschappij tegen het eind van de Middeleeuwen is
er behoefte aan geregelde troepen, die op permanente basis gezag kunnen
uitoefenen. In het begin van de veertiende eeuw verschuift tevens de gevechtswijze
van het leger van de "dure" ridder
naar het voetvolk. De zwaar bewapende ridders lijden enkele gevoelige
nederlagen, waarbij vooral de eenvoudige goedendag
van het voetvolk veel slachtoffers eist. Het voetvolk is veel beweeglijker
en zijn bewapening wordt aanzienlijk verbeterd. Het is met de bewapening
der vroeg veertiende-eeuwse militairen een moeilijke zaak. Een betrekkelijk
groot aantal termen van uitrustingsstukken is in vele talen overgeleverd,
maar helaas zijn er onder die termen enkele die bij de huidige historicus
geen enkele voorstelling oproepen. Bijvoorbeeld over de alom in de bronnen
genoemde goedendag van de voetknechten bestaat geen zekerheid. Men weet
eigenlijk niet welke van de gevonden slag- of stootwapens die naam mag
dragen.
Kleren maken de man
Inleiding
Wat betreft de defensieve bewapening ligt de zaak nog wat moeilijker,
doordat in onze militaire en andere musea dergelijke wapenen uit deze
tijd ontbreken.
In de Middeleeuwen streeft de ridder, en na verloop van tijd ook de gewone
soldaat, naar een zo groot mogelijke bepantsering van het lichaam. Deze
moet hem bescherming bieden tegen slag- en steekwapens van divers pluimage.
Daarnaast wil hij ook nog wendbaar in het zadel kunnen manoeuvreren en
op de grond strijd kunnen leveren. Het is voor hem dus zoeken naar het
optimum van bescherming en beweeglijkheid. De wapenrusting moet sterk
zijn en makkelijk draagbaar. Daar de aanvalswapens steeds vervaarlijker
en krachtiger worden moet de bepantsering mee in deze wedloop en vice
versa. Vandaar dat deze in de loop van de Middeleeuwen geregeld van materiaal
en constructie verandert.
Bepantsering van het lichaam
In de achtste en negende eeuw draagt men een maliënkolder
of byrnie. Deze naam blijft een
tijd bestaan voor alle andere op hemden gelijkende beschermende kleding.
De kunst van de vervaardiging van maliën,
uit kleine metalen ringetjes "geweven" hemden, is nooit verloren gegaan.
Uit 773 stamt een beschrijving
van koning Karel de Grote
die zijn dijen beschermt met ijzeren maliën. De maliën zijn verscheidenen
eeuwen de belangrijkste bepantsering van de krijgsman.
De harnassen van zware en grote metalen platen ontstaan in de twaalfde
eeuw, als meer bescherming nodig is tegen wapens met spitse punten, zoals
pijlen en hellebaarden.
Door deze voortdurende veranderingen bestaat er eigenlijk geen gelijkvormige
bewapening op enig tijdstip. Verouderde en aan de nieuwe eisen des tijds
aangepaste soorten bewapening bestaan naast elkaar. Te meer omdat ijzer
een dure grondstof is en vaak wordt hergebruikt. Ook is er een groot verschil
tussen de ridder, meestal van goede komaf, en de eenvoudige (boeren)soldaat.
De helm
Helmen
behoren al eeuwenlang tot de uitrusting van de soldaat. Vooral in de Middeleeuwen
met haar vele slagwapens is de helm een onmisbaar attribuut. Tot de elfde
eeuw bestaat er eigenlijk maar één type helm, de spangenhelm.
Dan komen er gevarieerde types op de markt, zoals bijvoorbeeld de spits-conische
helm. Er wordt voortdurend op het thema helm gevarieerd, omdat de aanvalswapens
steeds zwaarder uitgevoerd worden. In de veertiende eeuw verschijnen voor
het eerst vizierhelmen op de markt.
Tot het begin van de vijftiende eeuw is de helm het enige geheel uit ijzer
vervaardigde onderdeel van de wapenrusting. Hierdoor staat de helmsmid
al vroeg in de Middeleeuwen in hoog aanzien.
Middels de helm is vaak te duiden uit welke tijd in de Middeleeuwen een
bepaalde afbeelding komt. Bepaalde types helm volgen elkaar in de tijd
op. Toch is het gevaarlijk alleen op het type helm af te gaan. Helmen
zijn een kostbaar bezit en worden in de familie van generatie op generatie
doorgegeven. Zij gaan derhalve lang mee, zodat van een afbeelding uit
de Middeleeuwen hoogstens te zeggen is dat die niet uit een bepaald jaar
afkomstig is, omdat dat type helm dan nog niet bestaat.
Het schild
Een der oudste verdedigingswapens van de krijgsman is het
schild. Het wordt steeds aan de linkerarm gedragen om met de vrije
rechterhand het aanvalswapen te kunnen hanteren. Evenals bij de helm is
ook hier een ontwikkeling in vorm en functie te bespeuren. Ook is het
schild van invloed op het ontwerpen en bouwen van verdedigingswerken.
De onbeschermde kant wordt dan het meest blootgesteld.
In de dertiende eeuw wordt het schild voor het eerst beschilderd met het
blazoen van de ridder. Deze versiering zal een hoge vlucht nemen en een
aparte wetenschap worden; de heraldiek.
Ten aanval
Het zwaard
Tot de oudste wapens van de krijgsman behoort het zwaard,
dat in de Middeleeuwen een van de belangrijkste wapens voor de strijd
van man tegen man is. De vroeg-middeleeuwse
zwaarden ontwikkelen zich tot geduchte slagzwaarden
en stootzwaarden in de late Middeleeuwen.
Deze ontwikkeling wordt mede ingegeven door de steeds betere bescherming
middels maliën en plaatwerk. De vorm van de kling wordt steeds spitser
en de pareerstang wordt volledig ontwikkeld. De knop aan het eind zorgt
voor een betere wendbaarheid.
De aanzienlijke sterkte der wapenrusting van de ridder
maakt deze vrijwel onkwetsbaar voor de slagwapens van de voetsoldaten,
waardoor deze in het gevecht op de korte afstand sterk in het nadeel zijn.
Om dit nadeel op te heffen worden de boorzwaarden
ontwikkeld.

De hellebaard
De strijdbijl, het zwaard en de dolk reiken niet hoog genoeg om een ernstige
bedreiging voor een man te paard te vormen. Reeds in de dertiende eeuw
worden echter stokwapens opgenomen in de algemene bewapening der voetsoldaten,
die hierdoor tot geduchte en in vele gevallen zelfs superieure tegenstanders
van de ruiters worden.
Onder stokwapens worden de op lange houten stokken of schachten gemonteerde
wapens verstaan, die voor houwen, steken of beide gebruikt worden. Het
bekendste stokwapen is de hellebaard. Het is een in hoofdzaak tot houwen
bestemd stokwapen. In de dertiende eeuw wordt gestreefd naar een gecombineerd
houw- en stootwapen. Aanvankelijk is de strijdbijl, de scramasax,
nog in de hellebaard te herkennen. In de veertiende eeuw wordt een sterke
haak aan de rugzijde geplaatst die er onder andere voor dient om ruiters
van hun paard te trekken of hun wapenrustingen te doorboren.
Dat de hellebaard een verschrikkelijk wapen is, blijkt wel uit beschrijvingen
die melden dat "ros unde man diu beide"
worden doorkliefd. De wonden van dit wapen moeten inderdaad vreselijk
zijn geweest.
De goedendag
Een
belangrijk stokwapen is de 'godendac'. De goedendag wordt reeds vroeg
beschouwd als een woordspeling. Waarschijnlijk moet men het lezen als
"goden dac", oftewel een dolk van goede
kwaliteit; vergelijk het Engelse "dagger". De goedendag is een dolk van
goede kwaliteit met sterke drie- of vierkante kling, gemonteerd op een
houten schacht. Het is dus een eenvoudig maar doeltreffend stokwapen.
Het wordt voornamelijk door boeren gebruikt.
De morgenster
Als slagwapen heeft men nog beschikking over de morgenster. Dit wapen
dat vaak wordt verward met de goedendag bestaat uit een houten schacht
met een verdikt en met scherpe ijzeren punten beslagen uiteinde. Het is
een slagwapen en zijn doelmatigheid wordt bepaald door zijn gewicht en
het aantal scherpe punten.
Pijl en boog
Onder de bogen die gedurende het grootste gedeelte van de Middeleeuwen
in Europa worden gebruikt kunnen we twee typen onderscheiden. Het eerste
type is de korte boog, of ruiterboog. Het is de vraag of dit type boog in de middeleeuwen in Nederland voorkomt. Oorspronkelijk komen deze bogen uit het oosten (b.v. Hongarije).
Korte bogen zijn langer dan 120 cm en wordt zowel door voetsoldaten als ruiters gehanteerd. Korte bogen zijn vaak samengesteld uit pees, hout en hoorn of bot. Wanneer de boog uitsluitend uit hout wordt gemaakt wordt de spanning te hoog en zal de boog breken. Het best beschikbaar in Nederland en omstreken is schapenhoorn en koeienpees, maar dit zijn niet de meest geschikte materialen. Als hout wordt iep, elm, essen, of voor de zwaarste bogen taxus-kernhout gebruikt. Al deze materialen worden samengeplakt met lijm van vissenblaas, liefst steur, of lijm van koeienpees.
Het tweede type,
de lange handboog (lattenboog of platboog), kan door zijn grote lengte
van 160 tot 170 cm uitsluitend door voetsoldaten worden gebruikt. In de meeste bronnen over Nederland, Frankrijk, Engeland en Duitsland komen voornamelijk dit soort bogen voor. Ze zijn snel te maken, met enige ervaring in 6 tot 8 uur en de goede houtsoorten zijn hier beschikbaar Taxus voor de zwaardere bogen en essen, iep en elm voor de minder zware bogen. Op een afstand van circa 90 m waren zijn
pijlen met stalen punten dodelijk.
De korte boog heeft door zijn kortere lengte een groter bereik dan de lange boog. Dat lijkt raar, maar de spanning in een korte boog is veel groter dan bij een lange boog. Een goede korte boog schiet bovendien anderhalf tot twee keer zo snel als een net zo zware langboog. Een langboog is mogelijk nauwkeuriger.
De kruisboog
Uit de gewone handboog ontwikkelt zich al in de klassieke oudheid het
eerste mechanische handwapen, de kruisboog. Wat er in het begin van de
Middeleeuwen met dit wapen gebeurt, is onbekend, maar in 1139 verbiedt
de kerk het gebruik ervan in oorlogen tussen christenen. Niettemin is
de kruisboog wijd verspreid in Zuid- en Oost-Europa en de meestal zijn
kruisboogschutters huurlingen uit deze contreien. Vanaf de dertiende eeuw
komen ze ook uit Vlaanderen en Frankrijk.
Er bestaan diverse types van de kruisboog. De bekendste is de 'tweevoeter'.
Het spannen van de hoornen boog gebeurt met behulp van de spanhaak (een
soort stijgbeugel), die aan een gordel om het middel van de kruisboogschutter
hangt. Men spant de kruisboog hiermee door zowel het bovenlichaam als
de gebogen benen in de stijgbeugel met kracht te strekken. Hoewel hiermee
slechts één of twee schoten per minuut gelost kunnen worden, is het door
zijn zwaardere pijlen en de grotere schotsafstand een doelmatiger wapen
dan de handboog. Het vak van kruisboogschutter is veeleisend en vergt
veel vaardigheid, maar daar staat tegenover dat de soldij navenant is.
Zij verdienen in de twaalfde eeuw ongeveer tweederde van wat een ridder
verdient. Bovendien wordt zijn kruisboog door de werkgever gerepareerd
en worden pijlen gratis verschaft.
De versterkingen van de wapenrustingen met ijzeren platen is waarschijnlijk
ook het gevolg geweest van het toenemende gebruik van kruisbogen. Wegens
de geluidloosheid, grote schotsafstand en doorslagkracht wordt het door
de ridders als een onridderlijk wapen beschouwd, al bekwamen enkele heren
zich wel in het schieten ermee. Gezien de op grote afstand nog dodelijke
uitwerking van dit wapen is deze afkeer voor de kruisboog gemakkelijk
te verklaren.
Overigens bleven de handboog en de kruisboog naast elkaar bestaan, omdat
beide hun voor- en nadelen hebben. Zo is de kruisboog bijvoorbeeld accurater
en dodelijker. De kruisboog heeft een groter bereik, maar een lagere vuursnelheid
dan de handboog. Kruisbogen zijn echter veel duurder om te maken. Bovendien
zijn de handbogen onder slechte weersomstandigheden betrouwbaarder dan
de houten kruisbogen. Veel middeleeuwse
legers telden zowel korpsen handboogschutters als kruisboogschutters.
|
|