| |
Het zwaard
Inleiding
Het
meest tot de verbeelding sprekende wapen uit de Middeleeuwen is ongetwijfeld
het zwaard. Dit aanvalswapen maakt zo'n indruk dat, zelfs tegenwoordig
nog, enkele zwaarden magische kracht worden toegedicht. Sommige zwaarden
hebben een naam gekregen, bijvoorbeeld Excalibur
(koning Arthur), Hrunting (koning Beowulf), Joyeuse
(Karel de Grote), Balmung (Siegfried uit de Nibelungen)
en Durandel (Roland).
Deze verdichtselen nemen niet weg dat het zwaard gedurende de gehele Middeleeuwen
een van de belangrijkste wapens is voor de strijd van man tegen man. Het
zwaard wordt onder invloed van de steeds zwaardere wapenrustingen van
de strijders voortdurend ontwikkeld.
Een eigen karakter
Zwaarden
met dezelfde afmetingen, vorm en gewicht liggen verschillend in de hand.
Dit unieke karakter wordt al in de Middeleeuwen herkend en is de oorzaak
van het toedichten van speciale krachten aan het zwaard.
In de tijd voorafgaand aan de kerstening dichten de heidenen ieder voorwerp
een eigen ziel toe, hetgeen ook bij het zwaard het geval is. Het zwaard
wordt vaak aan de eigenaar meegegeven in het graf, waarbij het wordt verbogen
of gebroken. Hierbij komt de ziel van het wapen vrij en hierdoor kan het
niet meer door een ander worden gebruikt. Veel zwaarden zijn overgeleverd
als grafgift, zodat de ontwikkeling van het zwaard door de eeuwen heen
goed te volgen is.
Onderdelen van een zwaard
Het zwaard bestaat uit verschillende onderdelen die in de loop der eeuwen
door voortschrijdend inzicht, technische mogelijkheden en veranderende
functionaliteit van vorm veranderen. Het zwaard bestaat uit twee delen:
de kling en het gevest.
De
kling bestaat uit een angel van zacht ijzer, twee
scherpe sneden en de punt. Meestal heeft de kling een over de lengte aangebrachte
geul. Deze geul dient het zwaard lichter van gewicht te maken en wordt
ten onrechte soms bloedgeul genoemd.
Het gevest bestaat gedurende de Middeleeuwen uit een kruisgevest.
Het heeft een pareerstang ter bescherming van
de hand, een over de angel geschoven greep van hout of hoorn en een knop
om de greep op de plaats te houden.
Met vrij grote zekerheid is uit de bouw af te leiden uit welke tijd het
zwaard stamt. Alle ontwikkelde typen zwaarden passen goed in de min of
meer rechtlijnige evolutie van het wapen. Hoewel veel opgegraven zwaarden
verweerd zijn zullen ze in de Middeleeuwen ongetwijfeld glanzend gepolijst
zijn.
Dragen van het zwaard
Het zwaard wordt meestal aan een riem in een schede
op de heup gedragen. Soms hangt het zwaard aan een riem die over de rechterschouder
kruislings over het lichaam is bevestigd. Riem en schede worden vaak versierd
om de voornaamheid van de drager uit te drukken.
Het
uiteinde van de riem wordt in tweeën gesneden, zodat twee tongen ontstaan.
Aan het andere uiteinde van de riem worden twee inkepingen gemaakt. De
riem wordt nu bevestigd door de twee tongen door de inkepingen te halen
en vast te knopen.
In de dertiende eeuw komt bij de elite de gesp in de mode. Het zwaard
wordt op vernuftige wijze bevestigd. Een uiteinde van de riem krijgt twee
tongen een lange en een korte smalle, beide uitkomend in de gesp. Het
andere uiteinde wordt om de schede bevestigd, vervolgens om de heupen
gedraaid en met behulp van de gesp aan de voorkant vastgezet. De korte
smalle tong wordt vervolgens aan het deel dat om de schede zit bevestigd.
In later tijden wordt de riem met behulp van ijzeren ringen aan de kleding
bevestigd.
De ontwikkeling van het zwaard begint in de Middeleeuwen met vroeg-middeleeuwse
zwaarden als spatha en vikingzwaard, waaruit in de late Middeleeuwen
stootzwaarden en slagzwaarden
ontstaan.
|
|