| |
De markt
De markt
De marktfunctie ligt aan de oorsprong van de stad, waardoor in iedere
stad een markt is te vinden. Daar worden producten uit de omgeving geruild
tegen goederen die van heinde en verre door rondreizende handelaren worden
aangeboden. Zij voeren hun goederen per schip of hessenwagen aan. De marktfunctie
brengt allerlei nieuwe zaken naar de nederzetting. Een herberg,
om de kooplui onderdak te bieden, een pakhuis om
hun goederen op veilige wijze op te slaan, zodat ze niet gestolen kunnen
worden, een waag om van maat en gewicht zeker te zijn,
een dinghuis om geschillen te beslechten.
Dagelijkse en wekelijkse markt
Over het algemeen kan het economisch verkeer worden afgehandeld op drie
soorten markten. De eenvoudigste zijn de dagelijkse markten voor de dagelijkse
behoeften aan vlees, vis, zout en koren.
De wekelijkse markt wordt gehouden op de dag van de rechtszittingen. Ze
hebben een plaatselijk karakter en zijn tevens bestemd voor de naaste
omgeving. Op deze markten staan prijs en kwaliteit onder strenge controle
van de burgemeesters en later
marktmeesters. De stad heeft een vast verkooppunt
voor ieder artikel.
Op de weekmarkten moeten de vreemde kooplui zich houden aan de plaatselijke
regelingen. Hun plaats is onder aan de markt. De betere plekjes zijn voor
de eigen burgerij gereserveerd. De prijzen worden bij het begin van de
markt onder toezicht van de marktmeester vastgesteld en met een krijtje
op een lei geschreven. De prijzen mogen tijdens de markt niet worden gewijzigd.
Deze strenge regels gelden ook voor artikelen die niet op de markt worden
verkocht, zoals brood en bier. De prijs en kwaliteit ervan staan onder
dagelijkse controle.
De stapelmarkt
De tweede soort markt, de stapelmarkt, komt in De Graafschap niet voor.
Op dit soort markten worden de producenten binnen een bepaald gebied,
bijvoorbeeld een dagreis, verplicht hun waren op die markt aan te bieden.
Langs de IJssel heeft een dergelijke regeling weinig zin, omdat twee rechtsgebieden
vlak bij elkaar liggen. Eenvoudig gezegd verpesten Deventer en Zutphen
het voor elkaar. De kooplui kunnen uitwijken naar de buren over wie de
ander niets heeft te vertellen. Bovendien zijn er voor zo'n markt geen
of te weinig eigen producten die de basis van zo'n markt vormen. Brugge
heeft bijvoorbeeld laken en Keulen wijnen.
De jaarmarkten
De
derde marktvorm is de jaarmarkt. Tijdens deze markt kan de handel worden
vergeleken met de situatie in een vrijhaven. De plaatselijke wetten worden
buiten werking gesteld zolang de jaarmarkt duurt. Handelaren uit staten
waarmee de streek in oorlog is, krijgen een vrijgeleide. De eerste van
de jaarmarkten wordt in het najaar gehouden: de Koldemarkt.
Dan is de oogst binnen, de pacht en de tijnzen moeten worden betaald,
de wintervoorraden worden ingeslagen. De boeren verkopen het vee waarvoor
in de stal geen plaats is. De varkens worden geslacht en verkocht. Het
is nu tijd voor een uitstapje. Nog steeds worden kermissen en dergelijke
feesten op het platteland bij voorkeur in het najaar gevierd. Overtredingen
van de plaatselijke keuren of verordeningen worden tijdens de jaarmarkt
minder streng gestraft. Bij dobbelen, wedden en drinken wordt niet zo
nauw gekeken als anders. We zijn geneigd bij het begrip jaarmarkten het
eerst te denken aan wonderdokters, goochelaars en feestvierders. Die komen
er ook allemaal wel op af, maar dat zijn randverschijnselen. Het gaat
vooral om de handel. Voor het publiek van het platteland is het echter
voornamelijk om het vermaak te doen. Zo'n jaarmarkt is een welkome afwisseling
in het harde bestaan. Er zijn er verschillende in het jaar, bijvoorbeeld
de Johannesmarkt (rond 24 juni), Sint-Jacob
(rond 25 juli) en Sint-Maarten (11 november).
Deze markten duren elk ongeveer twee weken.
|
|