| |
 |
Bredevoort
Stad sinds 1388
|
 |
Een kasteelstad
De
ontstaansgeschiedenis van Bredevoort is nauw verbonden met het kasteel
te Bredevoort. Op de buiten de slotgracht gelegen gronden ontstaat
een voorburg die met toestemming van de heren van Bredevoort in zogenaamde borgmanplaatsen wordt verdeeld. Op de hiernaast afgebeelde kaart van Jacob van Deventer uit 1560 zijn sommige borgmanplaatsen te zien. Deze plaatsen zijn in de zestiende en zeventiende eeuw verkaveld, zodat er een woonbuurt ontstaat voor burgerambtenaren, ambachtslieden en soldaten. In aanleg onderscheidt Bredevoort
zich van andere steden en dorpen, omdat de aanleg van deze stad door de
kasteelheer wordt bepaald. In Bredevoort wordt het kasteel niet binnen
de latere stadsmuren opgenomen, zodat stad en kasteel beide een eigen
beveiligingsgordel hebben.
Sprake van een stad
In de oorkonden van de verpanding
aan Hendrik III
van Gemen is naast de "borch ende huys tot
Brederuoert, mit de heerscappe" ook sprake van een stad, want Hendrik
III moet "onse borch, huys ende stat tot Brederuoert"
openhouden voor de hertog
van Gelre. Dit kan erop wijzen dat na de vrede
van 1324 er een grotere woongemeenschap bij de burcht is ontstaan,
voorzien van verdedigingswerken en met het aangezicht van een stad. Deze
versterkingen passen wel in het beleid van hertog Reinald
II van Gelre, want hij laat Groenlo en Lochem
ook ommuren.
Pas in 1503 verleend Arend van Bentheim-Steinfurt stadsrechten aan Bredevoort, zodat ook formeel sprake is van een stad.

De borgmannen
Hoe
belangrijk de heer van Gemen het bezit van Bredevoort vindt, blijkt uit
het feit dat hij meer borgmannen aanstelt. In 1376 zijn er drie borgmannen
en in 1402/3 zijn het er zes. Borgmannen moeten de heer bijstaan in de
verdediging van kasteel en stad. Zij worden geacht in de stad zelf te
wonen. Voor hun onderhoud worden ze met goederen beleend. De borglenen
van Bredevoort liggen in 1402 voornamelijk rond Winterswijk: Buninck,
Hermeldonck, Engeringe,
Regenbaginck en Rensinck.
Bij Bredevoort zelf ligt Waldenvort en bij Aalten
Hoenhoff.
In
1492 zijn er nog steeds zes borgmannen actief. De namen van hen zijn overgeleverd:
Sander Oevellonck, Derich
van Lintelo, Godeken van Graes, Rutger
van Diepenbroeck, Engelbert van Sendene
en Gerrit Stroynck. In 1494 is het aantal
borgmannen opgelopen tot 8. Als later de verpanding door vererving overgaat
naar de graven van Bentheim-Steinfurt
zijn borgmannen inmiddels betrokken bij het dagelijkse bestuur van Bredevoort.
De enige borgmansfamilie die toestemming heeft om buiten de stad te wonen
is Van Lintelo, mits zij maar in geval van nood
geharnast te paard in Bredevoort verschijnt om te helpen met de verdediging
van kasteel en stad.
In de 13de eeuw al versterkt
De
strategische ligging van Bredevoort noopt de bewoners al vroeg hun lijf
en goed te verdedigen. Dat mensen niet om Bredevoort heen kunnen,
blijkt uit het feit dat de stad slechts twee poorten heeft, in het westen
de Aalter- en in het oosten de Misterpoort. Je moet door Bredevoort heen
om verder te kunnen reizen. Door deze ligging is Bredevoort door de eeuwen
heen bij allerlei conflicten betrokken. In de adellijke strijd om de macht
in Gelre moet het stadsbestuur vaak partij
kiezen en deze keus is niet altijd even gelukkig. Een sterke defensie
is daarom een voorwaarde om te overleven.
Bodemvondsten uit 1963 tonen aan dat er aan de binnenzijde van de oudste
stadsgracht eiken palen rechtstandig zijn ingegraven. Het aardewerk dat
in deze aardlagen gevonden wordt, kan gedateerd worden in de dertiende
eeuw. Hieruit valt te concluderen dat Bredevoort waarschijnlijk in de
dertiende eeuw al een zware eiken pallisadenwal krijgt. Vrij snel na de
bouw van het kasteel wordt de nederzetting dus voorzien van een omgrachting
en een pallisadenwal.
Uit rentmeesterrekeningen blijkt dat Bredevoort rond 1500 beschikt over
getimmerde 'bollwercken', hetgeen waarschijnlijk houten torens zijn. De
poorten blijken (gedeeltelijk) gemetseld te zijn, want in 1503 en 1504
verricht Arnt Straetenmecker metselwerkzaamheden
aan de 'muyren van de Mysterpoerten'.
Bredevoort wordt een vesting
In
1534 wordt Maarten van Rossem door hertog
Karel van Gelre als drost van Bredevoort aangesteld. Dit ambt zal hij
tot aan zijn dood in 1555 uitoefenen. Bij de overdracht blijken bij de
inventarisatie van de wapenen behalve allerlei hellebaarden en spiesen
ook een aantal kanonnen van diverse kalibers aanwezig te zijn. Onder deze
'ijseren veltstucken', 'scerpetienen' en 'halve kartouwen' bevindt zich
ook 'die Swolsche slange geheyten Langh
Griet'. Dit is een te Zwolle vervaardigd gietijzeren kanon
waarmee met 'ijseren cloiten' van drie tot
twaalf pond kan worden geschoten. Lange Griet is een voor die tijd zeer
exorbitant stuk.
Tussen 1545 en 1555 begint Maarten van Rossum met verbeteringen aan de
verdedigingswerken van Bredevoort. De relatief smalle muren zijn niet
geschikt om kanonnen op te plaatsen en kunnen kanonschoten evenmin weerstaan.
Tegen de binnenkant van de muur wordt daarom een brede aarden wal opgeworpen.
De hoge muurtorens worden afgebroken tot walhoogte en uitgebouwd tot rondelen.
Zo worden de Mister- en de Aalterpoort door een rondeel beschermd, evenals
de zuidzijde. De noordzijde wordt beschermd door het kasteel. Inmiddels is dan de Tachtigjarige
Oorlog begonnen.
Bredevoort anno 2000 is een stad met
vijf hectare aan beschermd stadsgezicht. Van de Middeleeuwen resteert
niet veel, maar een stadswandeling
helpt wel deze tijd voor de geest te halen.
|
|