| |
 |
Doetinchem
Stadsrecht sinds 1236
|
 |
Frankische oorsprong
Al
voor de Romeinse tijd zijn de hogere delen van Doetinchem bewoond. In
de Romeinse tijd zijn de bewoners merendeels weggetrokken om pas na
de Karolingische tijd terug te
keren. Het Frankische woord 'heem' in Doetinchem doet vermoeden dat
Franken de stad stichten.
De Frankische oorsprong van de naam duidt op een stichtingsdatum tussen
796 en 838. In 796 verslaat Karel
de Grote de Saksen in dit gebied definitief en na deze datum krijgen
Franken de kans een blijvende woonplaats te stichten. In 838 komt Doetinchem
voor het eerst voor in een oorkonde en is het blijkbaar een woonoord van
enige omvang.
Waar het eerste deel van de naam Doetinchem vandaan komt is niet met
zekerheid vast te stellen. Het kan een eigen naam zijn, afkomstig van
Dutto, Dudo of Dodo, maar zeker is dit allerminst. Dodo is de (bij)naam
van een graaf Ricfried die
in de Betuwe actief is. Mogelijk is Doetinchem bezit van zijn familie.

De eerste vermelding
Op 23 maart 838 maakt Albericus, bisschop van
Utrecht, bekend dat gouwgraaf Rodgarius enkele
allodiale goederen schenkt aan de Sint Maartenskerk in Utrecht. Deze
schenking bevat onder andere de kerk met onderhorigen van de "villa
Duetinghem" en alles wat bij die 'villa' (grondheerlijk domein
of vroonhoeve) hoort. De kerk blijkt recent gewijd, want er is sprake
van een "ecclesia dedicata". Uit deze
schenking blijkt dat Doetinchem tot het bisdom Utrecht behoort.
In de schenking is sprake van land, gebouwen, bossen, weidegronden, wateren
en beken. Er zal in 838 ongetwijfeld sprake zijn van een nederzetting
van enige omvang, hetgeen de aanwezigheid van een kerk rechtvaardigt.
Onbekend blijft hoe groot Doetinchem op dat moment is.
Een kleine handelsstad
Doetinchem
is gunstig gelegen voor de handel. De Oude IJssel kan met kleine schepen
bevaren worden, de landweg van Doesburg naar Munsterland gaat via Doetinchem
en de weg van Zutphen, via Toldijk en Hummelo naar Emmerik passeren de
Oude IJssel en Slinge bij Doetinchem. Of deze landwegen druk bereist worden
is onbekend.
In 1228 hoeven Doetinchemse kooplieden geen markttol te betalen in
de stad Rees aan de Rijn. Dit recht geldt ook voor kooplieden uit Rees
in Doetinchem, waaruit kan worden afgeleid dat Doetinchem in 1228 al een
markt heeft. Mogelijk is deze markt in de tweede helft van de twaalfde
eeuw ontstaan. Vanwege deze markt zullen ongetwijfeld verdedigingswerken
aanwezig zijn in de vorm van grachten en aarden wallen.
Otto II van Gelre schenkt in 1236
stadsrechten aan Doetinchem. De oorspronkelijke oorkonde is helaas verdwenen,
maar er bestaat nog wel een bevestiging uit 1312 door graaf Reinald
I van Gelre.
In 1532 getuigen burgemeesters,
schepenen en de stadssecretaris,
die voor de grote stadsbrand in 1527 in dienst zijn, dat in de stedelijke
archiefkist "aldair gefonden guede volgezegelde
ongevicieerde segell ind brieve dairinne de greven ind hertoge van Gelre
ind greve van Zutphen der stadt Doetinchem oir privilegien, vryheyden,
ind rechten gegeven, geconfirmiert ende geappropiert hebben; bysonder
een brieff mit hangenden segell van grave Otto, in latijn geschreven,
welcke int corte vermochte, dat syne genaden der stadt Doetinchem mit
genaden ind gunst gegeven hebben alle privilegien, libertaten, rechten
ind municipalia, die van syn genaden voirvaderen ind heeren der stadt
Zutphen gegeven waren, exceptis officio sculteti et theolonio in Lobith".
De getuigen vermelden niet de volledige inhoud van het door Otto
II van Gelre geschonken recht, noch de datum van de verlening. Mogelijk
wordt Doetinchem eerst een minderstad. In ieder geval behoudt de graaf
zich het recht voor om zelf een schout (judex of richter) te benoemen
en mogen de Doetinchemers Lobith niet tolvrij passeren.
Aan het eind van de dertiende eeuw verkrijgt Doetinchem meer rechten,
waaronder het recht om de stad te versterken.
De stad wordt versterkt
In
1231 is er voor het eerst sprake van grachten rondom Doetinchem. In dat
jaar verkrijgen de burgers enkele tijnsgoederen van het nabij gelegen
klooster Betlehem die "infra exteriora fossata
de Dutinghem" binnen de buitenste grachten van Doetinchem liggen.
Dit doet vermoeden dat Doetinchem over een dubbel grachtenstelsel beschikt.
Er is dan nog geen sprake van muren en poorten. Mogelijk bestaat er wel
een aarden wal.
Voor 1282 verwerft Doetinchem het recht stadsmuren te mogen bouwen, want
in dat jaar worden voor het eerst stadspoorten in de oorkondes genoemd.
In dat jaar geven de richter en schepenen
burgerrecht aan de kloosterlingen
van Betlehem, waarvoor zij in ruil waarschijnlijk de Homburger- of andere
poort hebben laten bouwen.
Stadsmuren verschijnen aan het begin van de veertiende eeuw, want dan
verschijnt er een artikel in het keurboek dat met straf dreigt voor diegene
die een steen "van der stadt muren" afbreekt.
Rond 1350 zal de ommuring met vier poorten gereed zijn. Naast de reeds
genoemde Homburger- zijn er de Heeze-, de Water- en de Gruitpoort. Alle
vier poorten zijn in de negentiende eeuw afgebroken.
Doetinchemse getuigenissen
Evenals
voor de andere Achterhoekse steden, met uitzondering van Zutphen, is voor
Doetinchem geen hoofdrol in middeleeuws Gelre weggelegd. Niettemin zijn
Doetinchemers wel bij het sluiten van de belangrijkste verdragen aanwezig.
Zo hangen de vertegenwoordigers van Doetinchem in 1318 hun zegel aan een
uitspraak van Willem III van Holland in
de vete tussen Reinald I en Reinald
II. In 1343 is Doetinchem ook aanwezig bij het stedenverbond om recht
en veiligheid in Gelre veilig te stellen. In 1350 getuigen Doetinchemers
bij de landvrede tussen Gelre en Kleef. Bij het verbond van 1418 en dat
van 1436 tussen de Gelderse steden en ridderschap is Doetinchem ook aanwezig.
In 1471 sluiten Zutphen, Arnhem en Nijmegen een verbond om schendingen
van de wet door de landsheer te voorkomen, waarbij Doetinchem wederom
zegelt. Aan het eind van de vijftiende eeuw behoort de stad tot het verbond
dat onder leiding van Vincentius van Meurs
tegen Bourgondië samenspant. Dit verbond houdt geen stand, zodat Doetinchem
in 1481 zich aan Maximiliaan
I moet overgeven.
Oorlogstoneel
Het middeleeuws oorlogstafereel gaat niet aan Doetinchem voorbij. De
stad heeft vooral te lijden van Sweder
van Voorst en Keppel die halverwege de veertiende eeuw vanuit kasteel
Keppel de omgeving teistert.
Ook de opvolgingsperikelen na de dood van Reinald
IV van Gelre in 1371 leveren moeilijkheden op. In de vijftiende eeuw
is het rustig rondom Doetinchem. In 1473 neemt Karel
van Gelre Doetinchem zonder slag of stoot in. De stad krijgt wel 43.000
Rijnse guldens als oorlogsschatting opgelegd.
De overgave aan Maximiliaan
I in 1481 verloopt ook zonder wapenvertoon. Kort daarna neemt hertog
Johan van Kleef, tegen de Bourgondische belangen
in, Doetinchem in, maar hij moet in 1484 de stad al weer verlaten.
In 1499 belegert Johan II van Kleef Doetinchem. Hierbij wordt de Gruitpoort
met kanonnen beschoten, dus niet alle conflicten verlopen geweldloos.
Aan deze belegering komt een eind wanneer Karel van Gelre op zijn beurt
Kleef binnenvalt en Johan II van Kleef dwingt zijn land te verdedigen.

Een rijk geestelijk leven
Doetinchem kent een rijk geestelijk leven. Zo zijn er twee kerken, de
vanaf 1200 gebouwde Sint Catharinakerk en de omstreeks 1350 gestichte
kapel bij het gasthuis.
Het gasthuis verricht zorg aan armen, ouderen en zieken. Deze zorg wordt
betaald uit de vele schenkingen aan het gasthuis en door de broederschap
van Onze Lieve Vrouwe, zoals die elders ook in steden bestaat. Deze broederschap
houdt zich voornamelijk bezig met armenzorg en kent als leden de welgestelde
burgerij van de stad.
Aan
het begin van de vijftiende eeuw is er een convent (gemeenschap) van zusters
van het gemene leven, de Sint Agnieten. Na enige jaren sluiten zij zich
aan bij de regularissen van Sint Augustinus. In 1439 bouwen zij een kapel
en in 1451 gaan zij over naar de tertiarissen van Sint-Franciscus. Deze,
meestal adellijke, zusters verhuizen in 1471 naar het buurschap Kruisberg,
waar zij een nieuw gebouw betrekken: klooster Sion. In 1474 wisselen de
zusters opnieuw van orde, nu behoren zij weer tot Sint Augustinus. Deze
verhuizing naar het noorden van de stad wordt gepropageerd door Theodericus
van Emmerik, de biechtvader van de zusters. De zedelijkheid in de
stad is zo erbarmelijk dat Theodericus spreekt van een "afschuwelijke
hoerenkast". Ook het keurboek verhaalt over de zedeloosheid in
een artikel waarin verhuur van huizen aan prostituees, souteneurs en andere
plegers van ontucht wordt verboden. Ook in eigen huizen mag de Doetinchemse
bevolking zich niet meer aan ontucht overgeven. Of de bevolking door deze
maatregel hun promiscue levenswandel matigen laten de bronnen onvermeld.
Banden met Betlehem
Het zou vreemd zijn als Doetinchem geen nauwe banden zou hebben met
het nabij gelegen klooster Betlehem. Pachters van de kloostergoederen
betalen een jaarlijkse belasting, de zogenaamde tijns.
Bovendien moeten zij diensten aan het klooster leveren. Deze belasting
valt mee, zwaarder weegt dat de tijnsplichtigen onder het vergaande tijnsgericht
vallen. Aan de ene kant geeft de graaf van Gelre rechten aan de burgers
van Doetinchem, terwijl aan de andere kant vele burgers aan de strakke
leiband van het tijnsgericht van Betlehem lopen. Klooster Betlehem kan
bijvoorbeeld bepalen wie er op de hofsteden met een tijns kan gaan wonen
en of er met een niet-tijnsplichtige getrouwd mag worden. De stad is in
deze constructie bepaald niet vrij.
In 1231 bemiddelt gravin Richardis
in een geschil tussen de burgers en de proost van Betlehem. De proost
draagt zijn rechtsmacht over de tijnsgoederen over aan de burgers en de
mogelijkheden om een tijnsgoed te erven worden verruimd. In ruil hiervoor
krijgt Betlehem waarschijnlijk het burgerrecht van de stad, waarbij Betlehem
wordt vrijgesteld van de plichten, bijvoorbeeld het repareren van straten.
De tijnsgoederen ontstaan al in de dertiende eeuw wanneer de Otto
II van Gelre een terrein ter hoogte van de Waterstraat ter bebouwing
aan het klooster schenkt. Dit terrein is hoogst waarschijnlijk het goed
Brewinc (Bewing of Brauwing), het voormalige hof
van de graaf. Hierbij behoudt de graaf zijn hof voor zichzelf, dit wordt
later waarschijnlijk het raadhuis.
Oudste deel van Doetinchem
Niet
alleen het klooster heft tijnzen binnen de stad, ook het stadbestuur
heft tijnzen op nieuw te bouwen woningen. Door de ligging van de diverse
tijnzen uit te pluizen kan de oudste kern van de stad worden gevonden.
Het deel waar geen tijnzen worden geheven, oftewel daar waar de huizen
gebouwd zijn voordat het stadsbestuur
tijnzen mag heffen, zal het oudste deel zijn. Rond de Markt, Heezen-,
Bolie- en Homburgerstraat liggen naast enkele klooster- en kerktijnzen
tijnshofsteden van de stad zelf. Rond de Gruitstraat liggen de minste
tijnsgoederen, dus hier zal het oudste deel van Doetinchem liggen. Hier
zijn ook tijdens archeologisch onderzoek vondsten gedaan uit de Karolingische
tijd. Hier zal het Doetinchem uit 838 hebben gelegen.
Ten zuidoosten hiervan ligt het bestuurscentrum van de graaf, het goed
Brewinc. De oude stadskern kan ontstaan zijn bij
de kruising van de twee eerder genoemde landswegen.
De stadsbrand van 1527
Op Goede Vrijdag 19 april 1527 ontstaat er brand bij bakker Werner
Becker aan het begin van de Heezenstraat. Hij heeft vlas in zijn oven
gelegd om te drogen. Echter de vlas vat vlam. Vervolgens slaat de brand
aangewakkerd door de noordwestelijke wind over naar naburige huizen. Het
stadhuis en de Catharinakerk worden verwoest, waarbij het stadsarchief
ook verbrand. Vele huizen in de hoek tussen Waterpoort en Homburgerpoort
branden af. Het keurboek meldt: "Anno duesent
vifhondert soven und twintich up den goede fridagh voir Paschen ometrindtt
twelff ure tho vurmiddage vorbrande die stadt van Doetinchem so jammerlick
mit kerck und idt gantzemestendell."
Net als tegenwoordig komt er een hulpprogramma voor de wederopbouw. Hertog
Karel van Gelre neemt het voortouw. Hij wenst
in het eerste jaar geen jaarrenten te ontvangen van hen wiens huis verdwenen
is. De volgende elf jaren zal hij slechts de helft innen om een stenen
herbouw met een pannen dak mogelijk te maken. Ook het stadsbestuur
komt de getroffen burgerij tegemoet door subsidies op bakstenen en dakpannen
te verlenen. Langzaam wordt de schade hersteld, want de pondschattingen
voor de oorlogskas van de hertog drukken ook zwaar op de financiële middelen
van de stad. Veel huizen worden niettemin herbouwd, maar tot een herschikking
van goederen leidt dit niet. Het stratenplan van middeleeuws Doetinchem
laat zich niet meer wijzigen.
|
|