Motte-kasteel Opladen
Anno 995
De eerste burcht met stenen muren
Al decennia lang houdt de ligging van het legendarische Opladen de gemoederen
bezig. In dit hoofdstuk passeren enkele mogelijke lokaties de revue.
Opladen (Uplathe of Uplade) is een van de militaire
steunpunten van Hamaland. Aangenomen wordt dat Opladen "hoge
berg" betekent. Als decor van de strijd van graaf Balderik
en gravin Adela tegen het rijksgezag
krijgt het grote bekendheid. Opladen ligt volgens de kroniekschrijver
Alpert van Metz "op
een natuurlijke heuvel die zich geleidelijk uit de vlakte verheft, door
ophoging uitstekend is versterkt en, wat in die streken (Hamaland)
zeer zeldzaam is, door een muur is omgeven".
Het motte-kasteel is zo belangrijk dat Balderik
rond 1160 naar het motte-kasteel "comes
de Oplathe vel Houberch" is genoemd.
De burcht wordt volgens Alpert na de slag
bij Opladen verbrand en de muren worden met de grond gelijk gemaakt.
De Houberg
Over
de term "vel" in de achternaam
van Balderik is door de jaren heen veel verwarring ontstaan. Door
Van Rij
is dit vertaald met "oftewel", terwijl eerdere vertalingen spreken
van "of". Het kan echter ook met "en" worden vertaald.
Door het woord "of" wordt Opladen vaak vereenzelvigd met het gelijknamige
in de Rijn gelegen eiland Houberg. Deze identificatie ligt minder voor de hand,
omdat Alpert schrijft dat Opladen op een natuurlijke heuvel
staat. Volgens Schut zijn er geen concrete aanwijzingen dat het hier een motteversterking betreft.
De huidige hoogte is volgens Schut "voor
een aanzienlijk deel in de afgelopen decennia aangebracht". De meanderende Rijn heeft natuurlijk duizend jaar de tijd gehad om grond weg te spoelen. Daarom kan niet uitgesloten worden dat de Houberg ooit hoger was.
De naam "Houberg" komt voor het eerst in de twaalfde eeuw voor bij de vernoeming van Balderik. Schut betwijfelt de toewijzing van deze naam aan de lokatie, want in 1339 wordt het "Erfkamerlingschap" genoemd. De vereenzelviging van Houberg met Opladen is derhalve uitsluitend gebaseerd op de (toevallige?) gelijkenis in naam en Alperts opmerking dat Opladen "juxta Eltena sita" ligt, oftewel vlak bij Elten.
Vooralsnog valt de Houberg als lokatie van het voormalige Opladen af.
Resten in Montferland
De beschrijving van Opladen van Alpert van Metz duidt op een motte-kasteel.
Het is waarschijnlijk de eerste van dit soort in De Graafschap. De turbulente
tijden eisen blijkbaar het nieuwste van het nieuwste. In tegenstelling
tot walburgen kunnen mottes relatief snel worden opgeworpen en bovendien
verdedigd worden met een relatief kleiner aantal manschappen. Bij walburgen
zijn langs de gehele wal verdedigers noodzakelijk. Dit zou een afspiegeling
van de tanende centrale macht versus de opkomst van lokale heerser met
beperkte mogelijkheden kunnen zijn.
In de gemeente Bergh aan de weg van Zeddam naar Wehl is bovenop de berg
ondanks eeuwenlange erosie een enorme motteheuvel met omringende wal te
aanschouwen. Holwerda identificeert in 1921 deze resten als Opladen, waarna
een jarenlange discussie over de plek oplaait.
Onderstaande foto laat de konische kegel op de top van de heuvel nog duidelijk
zien. Door de jaren heen is nooit definitief vastgesteld dat het inderdaad
Opladen betreft.
Archeologisch onderzoek
Om meer zekerheid te krijgen wordt in de grond gekeken en dat gebeurt
al vroeg in het geval van Montferland.
In 1842 worden de eerste opgravingen verricht door Jansen van het Rijksmuseum
van Oudheden. Jansen vindt enkele Romeinse dakpannen en trekt de conclusie
dat Montferland een Romeinse versterking is.
Holwerda vervolgt het graafwerk in 1918. Zoals gezegd identificeert hij
Montferland als Opladen. In 1960 is Montferland uitgebreid onderzocht
door Renaud van het ROB. Hiervan is door het ROB nooit een officieel rapport
opgesteld. Een omissie die in 2004 door
Schut wordt hersteld.
Een indrukwekkend kasteel
Uit
opgravingen en metingen stelt Schut vast dat de motteheuvel van Montferland
ongeveer 12 tot 17 meter hoog is en dat tenminste de laatste zeven meter
op kunstmatige wijze opgehoogd is, geheel volgens de beschrijving van
Alpert.
De top van de motteheuvel is een plateau van 60 bij 90 meter, terwijl
de basis 135 bij 150 meter meet. Het plateau is omringd geweest door een
wal van 7 tot 9 meter breed. De wal is mogelijk twee meter hoog geweest.
In de wal zijn resten van een 1 meter brede tufstenen ringmuur gevonden.
Door zijn afmetingen is de motte van Montferland de grootste van Nederland.
Op het plateau hebben minstens drie gebouwen gestaan; een tufstenen toren
(16 bij 16 meter) met muren van 5,5 meter dik, een houten gebouw van mogelijk
meerdere verdiepingen (14 bij 5,5 meter) en een hutkom. De tufstenen toren
is mogelijk nooit voltooid.
Aan de voet van de heuvel is een 3 tot 4 meter diepe en 12 tot 16 meter
brede gracht uitgegraven met daar omheen een dubbele aarden wal. De binnenste
wal is mogelijk voorzien geweest van een palissade. De voorburcht aan
de westzijde is helaas moeilijk te herkennen, ook al is deze omgeven door
resten van een gracht en een wal. De tufstenen toren op de motte zal heel
strategisch hebben neergekeken op de voorburcht. Niemand kan onopgemerkt
naar binnen sluipen.
Bij de opgravingen gevonden potscherven dateren de aanleg op het einde
van tiende of in de eerste helft van de elfde eeuw. Gevonden potscherven
bij de tufstenen toren doen vermoeden dat de toren uit de eerste helft
van de elfde eeuw dateert. In ieder geval is de toren in de dertiende
eeuw gesloopt vermoedelijk voor hergebruik van het zeldzame tufsteen.
De motte is slechts kort bewoond geweest en twee keer door brand getroffen.
Een enorme klus
Bij
de aanleg van de motte is handig gebruik gemaakt van de plaatselijke situatie.
Naar berekening van Schut moet circa 94.000 kubieke meter zand zijn verplaatst.
Hij gaat er vanuit dat in die tijd een persoon een kubieke meter per dag
kan uitgraven en verplaatsen. Met deze gegevens is het niet moeilijk meer
te berekenen welke omvang deze operatie in de elfde eeuw heeft. Haast
heeft de bouwheer in ieder geval niet gehad.
De bouw van een tufstenen toren met muren van 5,5 meter dik wordt door
Schut geschat op acht tot tien jaar. Vanwege het inklinken van de grond
kan de toren pas enkele jaren later worden gebouwd. Niet uit te sluiten
is dat vlak na de aanleg van de motteheuvel is begonnen met de bouw van
de toren, want het bouwtempo van een toren van dergelijke omvang ligt
niet zo hoog.
De oorsprong van Montferland
Het is niet ondenkbaar dat de motte Montferland inderdaad Opladen is.
Het voldoet aan de beschrijving van Alpert van Metz en de aanleg dateert
uit het begin van de elfde eeuw. Echter, over een stenen toren rept Alpert
niet, mogelijkerwijs omdat deze (nog) niet voltooid is of omdat nog niet
met de bouw is aangevangen.
Wanneer aangenomen wordt dat Opladen Montferland is moet deze aanname
stroken met de geschiedenis van Hamaland. De bouw van een dergelijke versterking
kan niet door de eerste de beste zijn gedaan.
Van Winter
geeft aan dat de lokatie niet uit de boedel van Adela
of Balderik afkomstig is, maar eerder
uit de bezittingen van Godfried 'de Prefect' stamt.
Het nabijgelegen Elten is de machtsbasis van de graven
van Hamaland. Na de verbouwing van Elten
tot een klooster door Wichman
(IV) wensen Adela en Balderik
mogelijk een nieuwe versterking. Montferland is een logische keus, omdat
het de gehele Liemers overziet, maar ook een tegenwicht vormt voor Elten.
Mogelijk laten Adela en Balderik de motte met ringmuur aanleggen, zoals
Alpert van Metz beschrijft. In 1016 wordt dit kasteel in de slag
bij Opladen verwoest.
De bannerheer van de keizer
Schut geeft een "profielschets" van de mogelijke bouwheer
waarin hij vermoedt dat "op basis van de omvang van de versterking
gedacht moet worden aan een persoon die een bovenregionale betekenis heeft
en die in nauwe relatie staat tot de keizer". Zijn voorkeur gaat
uit naar Adela en Balderik.
Wanneer de versterking na de ondergang
van Hamaland wordt aangelegd komt iemand naar voren die volledig aan
deze profielschets voldoet: Werner
(II). Schut voert hem op in een lijstje van mogelijke bouwheren, maar
hij betwijfelt op aangeven van Van Winter de invloed van Werner (II) in
de Liemers, ook al is hij "adviseur van de keizer".
Werner (II) staat op zeer goede voet met keizer Hendrik
II. Het is volgens de omstreden theorie van Jackman waarschijnlijk
dat Werner (II) na de ondergang
van Hamaland benoemd wordt als graaf van Zuid-Hamaland.
Werner (II) stamt uit de familie der bannerheren van de keizer en wordt
zelf ook bannerheer wanneer zijn oudere broer Eberhard
(V) tussen 1030 en 1035 overlijdt.
Wat is nu symbolischer dan dat de bannerheer van de keizer op de puinhopen
van een verwoest kasteel de macht van het centrale gezag laat zien? Daar
tegenover kan gesteld worden dat de keizer op de restanten van (mogelijk)
de grootste versterking in noordwest Europa niet opnieuw een graaf zal
installeren van wie de loyaliteit afgewacht moet worden.
Het is in ieder geval niet uit te sluiten dat Werner
(II) in 1025 de bouwactiviteiten in gang zet en dat zijn zoon Werner
(III) die na zijn dood voortzet. Na de dood van Werner (III) in 1053
wordt Gerhard I 'Flamens'
zijn opvolger in Zuid-Hamaland en via hem komt Opladen waarschijnlijk
bij de bezittingen van de graven van Gelre.
Latere vermeldingen
In 1313 blijkt de graaf van Gelre
nog steeds inkomsten uit Montferland te hebben. Daarna behoort de berg
aan de heren van Bylandt, die het in 1350 aan Derick
van Enghusen in leen heeft gegeven. Mogelijk heeft een graaf van Gelre
het leen verpand.
In 1427 verpandt de graaf van Gelre zijn recht op "de
Monferander Berge mitten holtslegen ende holtgericht daertoe gehoerende,
gelegen in Zedemerbosch" aan de heer Van Den Bergh. Het pandschap
wordt niet ingelost, zodat Montferland aan Bergh wordt toegevoegd. De
heren Van Den Bergh vestigen er hun exotische dieren en bouwen in de
zestiende eeuw een jachthuis. In 1699 wordt het jachthuis na ernstige
verwaarlozing opnieuw gebouwd.
Tegenwoordig kan de bezoeker nog altijd op de top van de heuvel terecht,
want het jachthuis is tot een modern hotel uitgebouwd. Het weidse uitzicht
vanaf de berg is sinds de Middeleeuwen niet veranderd, hetgeen meteen
duidelijk maakt waarom op deze plek een kasteel is verrezen. Al zal het
bos het uitzicht toentertijd niet belemmerd hebben.
|