| |
 |
Kasteel Swanenburg
Anno 1272
|
 |
De "burcht van Swane"
In
1272 wordt een zekere Lubbert
van Swane in een oorkonde opgevoerd. Hij is de eerste heer die met
deze naam rondloopt. Mogelijk is het kasteel Swanenburg naar hem vernoemd,
met andere woorden de "burcht van Swane".
Het is onbekend of Lubbert het kasteel bouwt, of zijn opvolger Willem
I van Swanenburg uit het geslacht Ulft. In 1365 staat er in ieder
geval een kasteel, want Willems zoon Evert
I noemt zich "van der Swanenborch".
Door de rivier omringd
De Swanenburg blijft niet verschoond van oorlogsgeweld. In 1425 wordt
de Swanenburg belegerd door hertog Arnold van
Gelre. Er worden donderbussen uit Grave en proviand uit Eken gehaald.
Na een week moet Reynolt
II van Aeswijn, de opstandeling en bewoner van de Swanenburg, zich
aan de hertog overgeven. Of het kasteel schade oploopt van de aangesleepte
bussen is onbekend, maar dit zal ongetwijfeld.
In 1474 wordt het kasteel omschreven als "dat huys
ende slot ter Swanenborch met synen tobehoor, in den lande van den Berge,
in den kerspel van Gendringen, gelegen, op der Alden Iselen, die daeromme
loopt". Blijkbaar loopt de rivier bij wijze van gracht om het kasteel
heen.
Tussen 1462 en 1580 ontstaat de voorburcht, waarvan de restanten van een
van de torens nu nog getuigen.
In 1504 blijkt het kasteel een huiskapel te hebben, want Rolof
van Oswald en Herman Bueginck ruziën
over een gestichte vicarie aldaar.

Eigenaren na de Middeleeuwen
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog blijft de Swanenburg in bezit van
de familie Raesfeld. In deze roerige tijd verandert
het kasteel vaak van eigenaar; zowel Spaanse als Staatse troepen worden
er gelegerd. Het kasteel blijkt nog altijd van militaire waarde. In
de vierde generatie na Johan
I van Raesfeld-Swanenburg worden alleen dochters geboren.
In 1627 trouwt een van die dochters en erfgename van de Swanenburg, Agnes
van Raesfeld, met Arnt Vijgh tot Zoelen en Aldenhage.
Dit paar woont niet op de Swanenburg, maar in Zoelen. Het kasteel blijft
niet lang in de familie Vijgh. Zoon Carl trouwt
in 1667 met Hester Jacomina van Welderen.
Na 20 jaar hertrouwt Hester met Casper van Elst tot
Boeleham. Dit paar breidt het bezit van de Swanenburg met veel hectares
uit. In haar testament begunstigt de kinderloos gestorven Hester haar
neef Karel Baron van Lynden.
In 1805 verkoopt de weduwe van Derk van Lynden
het goed aan Joannes Nepomucenes Hoevel. Via
het huwelijk van dochter Christina Josepha Maria
met Carel Everhard Joseph Frans van Nispen
tot Pannerden komt het kasteel in dit bekende rentmeestersgeslacht
terecht. Het kasteel wordt door hen niet bewoond, maar zij verhuren het
eerst aan de familie Heekeren en vervolgens van
1872 tot 1880 aan een zustergemeenschap.
Na 1880 staat het huis leeg, waardoor het vervalt. In 1900 besluit de
familie het huis openbaar te verkopen.
Het kasteel in de achttiende eeuw
De
burcht zal van oorsprong vierkant zijn geweest. Op tekeningen uit de achttiende
eeuw staat het dan rechthoekige huis rondom in het water. Beide eindgevels
zijn getooid met een trapgevel, evenals een uitbouw in het midden van
het gebouw.
Aan de uitbouw zit een vooruitspringend deel met een gebogen dak. De meeste
ramen zijn van kruisvensters voorzien. Aan de rechterkant van de uitbouw
is een achtkantige traptoren gebouwd, die wel bij meer huizen is te zien.
Voor die toren bevindt zich een brede trap, zodat de deur in de toren
bereikt kan worden.
De voorburcht is rechthoekig en door muren omgeven. De muren zijn van
weergangen voorzien. Aan de andere zijde van het kasteel staan op de hoekpunten
twee ronde torens met spitse leien daken. De linkertoren heeft een kraag
en is hoger dan de rechtertoren. Het poortgebouw staat in het midden van
de muur tussen de torens. Het kasteel is met de vaste oever verbonden
door een houten brug. Op een landkaart uit 1759 staan voor de voorburg
nog twee bouwhuizen aan weerszijden.
In de achttiende eeuw wordt het kasteel verbouwd door Derck
baron van Lynden. De trapgevels maken plaats voor wolfskappen en de
traptoren wordt verlaagd. Het geheel wordt symmetrisch gemaakt.
In de negentiende eeuw worden de gevels geel gepleisterd en worden de
kruisramen vervangen door grote Empire-ramen. De ringmuur en het poortgebouw
worden afgebroken en de binnengracht wordt gedempt.

Verkoop in 1900
De 278 hectare van het kasteel wordt in 1900 in 78 percelen verdeeld
en te koop aangeboden. Het perceel met het kasteel wordt in 1900 als volgt
beschreven: "Het Huisperceel, zijnde het kasteel met naaste omgeving,
koetshuis, waarin keuken, stookplaats en oven - zeer gemakkelijk in te
richten voor boerderij - met daarbij staande torens, dienende voor bergplaats
en stalling, afgescheiden van den openbaren weg door grachten en gesloten
door een poort met ijzeren hek; tuinen, voorzien van vele vruchtboomen,
vijvers, opgaand en sierhout met aanliggend hooi- en weiland. Aan de voorzijde
beland door den grintweg van Gendringen naar Megchelen, aan de achterzijde
door den Ouden IJssel."
De beschrijving van het kasteel maakt het hierboven geschetste plaatje
minder idyllisch: "De afbraak van het kasteel Swanenburg. Dit perceel,
bestaande uit den geheelen opstand van het kasteel Swanenburg met de zich
in den toren bevindende klokken, eikenhouten trap en betimmering enz.
De kooper van den opstand moet het kasteel hebben afgebroken en de afbraak
weggeruimd hebben voor of op 1 Mei 1901; hij is gehouden het geheel en
al tot 30 centim. onder den beganen grond af te breken."

Een troosteloos einde
Na deze openbare verkoop verdwijnt het kasteel ondanks de gebezigde
taal niet helemaal. De gekraagde toren en een bouwhuis blijven van de
sloop gespaard. Het bouwhuis wordt aangekocht door Jan
Mei die er een boerderij begint. Diens zoon Willem
zet het boerenbedrijf voort, maar langzamerhand vervalt het driehonderd
jaar oude bouwhuis.
Tijdens een zware novemberstorm in 1973 stort een deel van het dak van
de toren in. Willem Mei verkoopt zijn boedel aan de familie Meijer,
die eigenlijk alleen in de grond geïnteresseerd is. Op 17 juni 1973 brandt
het woonhuis uit en wordt de ruïne aan de elementen overgeleverd.
In 1979 wordt de 75 centimeter dikke muur door een shovel opgeruimd. De
overgebleven toren van de voorburg vervalt steeds meer in de loop der
jaren. Onder deze toren bevindt zich de gevangeniskelder volgestort met
puin en zand.
Anno 2000 zijn er nog altijd een paar stenen over die boven het maaiveld
uitsteken. De toren met een diameter van 5,70 meter stond buiten de slotgracht.
Aan de binnenzijde van de muur zijn enkele nissen uitgespaard. Hier zijn
ook nog resten van een oude stookplaats te vinden. De muurdikte op kelderniveau
is 70 centimeter.
Het wekt soms verbazing dat hele kastelen zijn verdwenen. Het verval van
de Swanenburg illustreert hoe snel dit kan gebeuren.
|
|