Godschalk (I), 1046-1063
Graaf van Agradingouw, Emsgouw, Hetter,
Twente en pagus Westfalen en heer van Zutphen
Een mysterieuze vreemdeling
Een van de meest intrigerende personen in de middeleeuwse geschiedenis van De Graafschap is Godschalk (Gottschalk of Godescalcus). Hij lijkt zo maar uit de blauwe hemel te vallen en in de Achterhoek te landen, zonder enige vooraankondiging of familiebanden. Deze mysterieuze entree wordt uiteraard vooral veroorzaakt door ons gebrek aan kennis. Het is immers niet voor te stellen dat het louter toeval is dat Godschalk (I) tevoorschijn komt in een klassemaatschappij die behoorlijk is gereguleerd.
Door de jaren heen hebben verschillende onderzoekers zich met Godschalk (I) bemoeid en het ziet er naar uit dat het laatste woord in deze oude zaak nog niet is gezegd.
Getrouwd met de buurvrouw
Godschalk (I) is waarschijnlijk een zoon van Herman II, graaf van Westfalen, uit diens tweede huwelijk met Imma ‘van Hasegouw’. De vader is beter bekend als Herman ‘van Ename’, een zoon van Godfried van Verdun, bijgenaamd ‘de Gevangene’. Godschalk (I)’s moeder Imma stamt uit Westfalen en is vermoedelijk een nazaat van Widukind. Hoewel Herman beter ‘van Westfalen’ kan worden genoemd, wordt voor de duidelijkheid de naam ‘van Ename’ gebruikt, omdat hij onder deze naam bekender is.
De vererving van Hamaland aan het huis Verdun resulteert na rebellie van Gozelo I en Godfried III ‘met de Baard’ in de opkomst van diverse graafschappen en heerlijkheden. Zuid-Hamaland komt via een omweg in handen van de rechtmatige erfgenamen, de Flamenses. Het noordelijk deel, voor het gemak “Noord-Hamaland” genoemd, blijft in handen van het hertogelijke huis van Verdun, maar hier wordt Godschalk (I) als leengraaf gepositioneerd. Volgens Jongbloed rond 1026 als leengraaf van Verdun en vanaf 1046 als leengraaf van bisdom Utrecht.
Er dient hierbij wel duidelijk onderscheid te worden gemaakt in de burg Zutphen en het omringende land. De burg Zutphen is vermoedelijk van oudsher allodiaal bezit van de Hamalandse familie en via vrouwelijke overervingen bij Adelheid 'van Zutphen' terecht gekomen.
Godschalk (I) ‘van Noord-Hamaland’ trouwt dus met zijn buurmeisje Adelheid. Zonder twijfel zal dit liefde op het eerste gezicht zijn, maar Noord-Hamaland wordt zo wel heel toevallig voorzien van een geschikte hoofdstad. Zo zijn Zutphen en zijn ommeland na lange tijd weer in een hand verenigd, zodat vanaf dit moment over het ‘graafschap Zutphen’ kan worden gesproken.
Graaf van Twente
Godschalk (I) is niet alleen graaf van Noord-Hamaland. In een Utrechtse oorkonde komt tijdens bisschop Bernolds periode (1026/7-1054) een Godschalk voor als graaf van Twente. De zeldzaamheid van de naam "Godschalk" in het Nederrijnse gebied doet vermoeden dat het hier Godschalk (I) betreft. Er bestaat geen oorkonde van de schenking van Twente aan het bisdom Utrecht, maar in literatuur wordt regelmatig het vermoeden geuit dat het graafschap Twente aan het begin van de elfde eeuw aan het bisdom is gegeven. Er valt echter geen definitief uitsluitsel te geven of Godschalk een rijksgraaf, of bisschoppelijke leengraaf is, want de bronnen zwijgen in alle talen.
Twente beslaat in die tijd een groot gebied, inclusief het noordwestelijke deel van het latere graafschap Bentheim (de huidige Duitse inkeping tussen Twente en Drenthe). Volgens Waterbolk zijn er goede redenen om te veronderstellen dat ook het gebied rond de Boven-Berkel, te weten ten oosten van de rivier Rekken, Mallem, Neede, Noordijk en Gelselaar en ten westen Eibergen, Haarlo, Overbiel/Nederbiel en Geesteren tot Twente behoort.
Het graafschap Twente behoort misschien tot de ambtsgebieden van de oude tak van het hertogelijke Saksische huis en zou dan bij het overlijden van Wichman III aan het bisdom Utrecht kunnen zijn geschonken. In de literatuur wordt vermeld dat de graven van Goor eerst in Oldenzaal hebben gewoond. Een blik op de Twentse landkaart leert dat dit centraler is gelegen. Latere graven van Twente komen volgens Formsma in de bronnen voor met de achternaam "Van Goor". Of de familie Van Goor Twente voorziet van graven en dat zij eerder in Oldenzaal wonen wordt echter niet door bronnen gestaafd.
Heer van Zutphen
Maris schrijft dat Godschalk (I) de eervolle en lucratieve ambten van banierdrager en beschermvoogd van het bisdom Utrecht van zijn vader erft. Ook dit betreft louter een proefballon, die slechts de mysterieuze Godschalk vorm geeft. Maris vermoedt ook dat Godschalk (I)'s oudste zoon Gevehard de stamvader van het Goorse gravengeslacht is. De graven van Goor treden op als bisschoppelijke graven en voogden rond Deventer. Door De
Vries wordt dit al in twijfel getrokken, ingegeven door het ontbreken van bewijsmateriaal voor deze bloedband. De namen die binnen de Goorse familie circuleren geven ook geen enkele aanleiding om een relatie te vermoeden. Tegenwoordig wordt aangenomen dat Gevehard zonder nageslacht is overleden.
Graaf ‘van’ Zutphen is Godschalk (I) ook al niet. Hij wordt in een oorkonde voogd van de kapittelkerk en eigenaar van de burcht Zutphen genoemd.
Godschalk (I) en Adelheid krijgen vermoedelijk twee zonen: Gevehard en Otto (II). Anderen noemen nog Gumbert en Bosico. Gumbert is abt van Abdinghof. Zoon Otto II behoort, net als Bosico, tot dezelfde broederschap, maar zijn daardoor geen natuurlijke broers.
Jackman vermoedt dat er nog twee zonen zijn: Godschalk (II) en Heribert. Godschalk (II) treedt later op als heer van Gennep (Geneche) en Heribert als heer van Millen. Heribert zal dan vernoemd zijn naar de vader van Otto
I van Zutphen. Heribert van Millen is vooral bekend geworden als de vader van Norbert van Xanten, de stichter van de orde der Norbertijnen. Vooralsnog staat Jackman alleen in zijn vermoedens.
Over eventuele dochters van Godschalk (I) en Adelheid is niets overgeleverd.
Strijd over tienden
Godschalk (I) heeft jarenlang onenigheid met het bisdom Utrecht over de tienden in Lochem en van de Siellanden. Godschalk (I) en zijn voorgangers beschouwen zich als de rechthebbenden op die tienden, maar de bisschoppen van Utrecht betwisten dat.
Deze slepende affaire wordt in 1059 opgelost wanneer bisschop Willem
van Utrecht de aanspraken van Godschalk (I) op die tienden erkent, maar wel een vergoeding daarvoor eist. Godschalk (I) geeft als compensatie voor deze erkenning de bisschop twintig eigenhorigen en tien hoeven in Tholre, Holthuizen, Tonden, Horda, Ratenen, Warken, Zwiep, Rothe en Reden. De kerk van Zutphen krijgt ter compensatie de tienden en aanwassen van Rhenen tot Arnhem en van Arnhem tot Deventer.
Graaf in de Hetter
Het graafschap Hetter is halverwege de elfde eeuw nog maar een fragment van de vroegere Hettergouw (Hattuaria). Deze gouw is uiteengevallen in Duffel-, Kelda- en Muhlgouw. Of al deze gouwen aparte graafschappen vormen, of in Godschalk (I) 's tijd nog tot het graafschap Hetter behoren is de vraag. De versplintering van de grote Hettergouw is wel een voedingsbodem voor vele graafschappen.
De Hetter uit Godschalk (I)'s tijd beslaat waarschijnlijk het gebied tussen Oude IJssel en Rijn van Emmerik tot Wesel. De Duffel, gelegen ten zuiden van de Rijn, is een zelfstandige gouw en zal later de kern van het graafschap Kleef vormen.
Na 1062 komt Godschalk (I) in een schenkingsoorkonde voor wanneer in 'pagus' Hetter een goed te Esserden vergeven wordt. Hij houdt de Hetter slechts tijdelijk in zijn bezit. Vermoedelijk treedt Godschalk (I) hier ook op als leengraaf voor Verdun en blijft in functie wanneer Godfried III ‘met de Baard’, hertog van Neder-Lotharingen zijn ambten kwijt raakt.
Graaf van pagus Westfalen, Agradingouw en Emsgouw
Godschalk (I)’s vader is graaf van de pagus Westfalen. In die periode komen er vele ‘graven Herman’ voor in Westfalen, hetgeen voor verwarring zorgt. In 1052 schenkt Hendrik III de villa Mengede "in comitatu Godeschalci comitis et in pago Westvalen" aan het Stift St. Simon en Juda in Goslar.
De pagus Westfalen zal in Godschalk (I)'s tijd zeker niet de helft van de moderne Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen uitmaken. Uit oorkondes blijkt dat het gebied rondom Vreden tot voorbij Dortmund tot deze pagus behoort. Dit gebied is bekend als het resort van Wichman III. Een deel van dit gebied vormt later het graafschap Lohn.
Volgens Prinz zijn ook de grafelijke rechten van de graven van Tecklenburg in Agradingouw en (Saksische) Emsgouw terug te voeren op Godschalk (I), zodat Godschalk (I) de grafelijke rechten in een enorm gebied heeft vergaard.
Aannemer en grondverzet
Als graaf in het moderne Oost-Gelderland en Twente en het over de tegenwoordige grens gelegen Nordrhein-Westfalen is het, volgens Jongbloed, heel goed mogelijk dat Godschalk (I) de opdracht heeft gegeven om de loop van de Slinge en de Berkel bij Haarlo te vergraven. Door dit te laten doen krijgt de stad Zutphen een veel grotere toevoer van water van de Berkel en het concurrerende Deventer veel minder water via de Slinge.
Zutphen krijgt hierdoor een economische impuls. Dit kan in de bodem terug gevonden worden, want in de elfde eeuw neemt de ijzerindustrie in Zutphen toe. Godschalk (I) is heel wel in staat om enkele vazalhuizen op te richten, die als grensbewakers optreden. Borculo en Diepenheim zijn daar wellicht voorbeelden van en misschien hoort kasteel Bevervoorde ook daarbij.
Jongbloed ziet Godschalk (I) als bouwheer van de enorme Zutphense palts. De bouwheer van de Zutphense palts is echter nog een onderwerp van strijd tussen diverse onderzoekers en die strijd is vooralsnog niet beslecht in het voordeel van deze of gene.
Een verkeerde vriend
Godschalk (I) raakt in 1063 betrokken bij de problemen van aartsbisschop Adalbert I van Hamburg in Friesland (tegenwoordig de noordelijke kustprovincies van Nederland en Duitsland). Adalbert I wordt in 1043 door Hendrik III benoemd tot aartsbisschop van Hamburg. De missie van het aartsbisdom Hamburg is het bekeren van de Abodriten en de noordelijk vikingbolwerken in Denemarken en Zweden. Die missie is niet erg succesvol geweest. Adalbert I heeft de heilige opdracht om het noordelijke deel van het Roomse Rijk definitief tot de rijkskerk te brengen, goedschiks of kwaadschiks. Adalbert I vat zijn taak zo serieus op dat hij in 1046 het aanbod om paus te worden afslaat.
Als prominent vertegenwoordiger van het rijkskerkensysteem pakt hij de zaken groots aan. Niet alleen buiten het Rijk, maar ook binnen het hem toebedeelde gebied in Saksen wenst hij alle gezagsdragers tot vazal van de kerk te maken. Hier ontmoet hij uiteraard hevige tegenstand van de Saksische graven en de hertog van Saksen, die hun onafhankelijke positie niet zomaar prijsgeven.
Adalbert I gaat in zijn tomeloze dadendrang zelfs zo ver om bezittingen van andere bisdommen aan zijn aartsbisdom toe te voegen. Kortom, Adalbert I is een man om rekening mee te houden. Een vriend waarbij je geen vijand nodig hebt.
Problemen van de vriend
Na de val van Godfried III ‘met de Baard’ krijgt het aartsbisdom Hamburg de graafschappen Fivelgo en Hunsingo van keizer Hendrik
III. Aartsbisschop Adalbert I van Hamburg heeft echter een probleem.
De plaatselijke graaf Herman
(III), die in 1044 zijn vader Rudolf
van Werl heeft opgevolgd, is niet voornemens zijn graafschappen af te staan. Hij erkent aartsbisschop Adalbert I niet als zijn leenheer. Bovendien beschouwen Ekbert I van Brunswijk, markgraaf van Meissen en Godfried
III van Verdun, de niet erkende hertog van Neder-Lotharingen, de Groningse kustgouwen als hun domein. Er verandert niets in de situatie, want aartsbisschop Adalbert I is niet bij machte Herman (III) van Werl te dwingen hem als leenheer te erkennen.
De jaren verstrijken in deze patstelling, totdat in 1052/3 Herman (III) van Werl zonder mannelijke nakomelingen overlijdt. Herman (III)'s erfgoed wordt waarschijnlijk door zijn neef Bernhard
van Werl-Arnsberg opgeëist, die druk doende is alle versplinterde Werlse aanspraken in zijn hand te verenigen. Bernhard van Werl-Arnsberg is een zoon van graaf Herman
I van Werl. In 1057 worden de Friese graafschappen wederom aan aartsbisschop Adalbert I geschonken, dit keer door Hendrik
IV, maar wederom zonder resultaat.
Een gewelddadige dood
In 1063 ziet aartsbisschop Adalbert I van Hamburg kans om tegen graaf Bernhard van Werl-Arnsberg op te treden. Hij draagt Godschalk (I) op de rechten van het bisdom te verdedigen. Mogelijk belooft Adalbert I Godschalk (I) dat hij graaf in Fivelgo en Hunsingo wordt, wanneer hij Bernhard III weet te verslaan. Godschalk (I) kan misschien ook rechten op beide graafschappen laten gelden, immers hij is een zoon uit het Verdunse huis.
De veldtocht tegen Bernhard van Werl-Arnsberg loopt desastreus af, want Godschalk (I) sneuvelt. Toch zal het grafelijke huis Werl niet lang van zijn Friese rechten genieten. Na de dood van Bernhards zoon Koenraad
van Werl-Arnsberg in 1092/5 gaan de Friese graafschappen alsnog voor de familie verloren. Opnieuw worden de Groningse graafschappen aan het aartsbisdom Hamburg gegeven.
Aartsbisschop Adalbert I heeft dat niet meer meegemaakt. Hij heeft met zijn agressieve territoriale politiek te veel vijanden gemaakt en wordt in 1066 verjaagd door aartsbisschop Anno
II van Keulen, de Saksische hertog en de graaf van Stade. Hij keert nog wel terug aan het hof, maar zijn hoogtepunt is voorbij. In 1072 zal hij overlijden.
Na Godschalk (I)'s overlijden wordt de erfenis verdeeld. De oudste zoon Gevehard is waarschijnlijk kort na 1059 overleden, zonder kinderen na te laten. De jongste zoon Otto II 'de Rijke' erft alles en wordt dankzij zijn enorme rijkdom de stamvader van meerdere grafelijke huizen..
.
|