| |
Otto I, 1025
Heer van Zutphen
De laatste Konradijn
Otto van Hammerstein, op deze site Otto I genoemd, is de zoon van Heribert,
graaf van Kinziggouw, en Irmentrud. Irmentrud
is op haar beurt een dochter van Megingoz en Gerberga.
Otto I's grootvader van vaders kant is Koenraad
I, hertog van Elzas, waardoor Otto I deel uitmaakt van de Eberhardiner-tak
van de Konradijnen. Met daarbij nog Otto I's overgrootvader Gebhard
van Ufgouw en betovergrootvader Eberhard
I van Ortenau en de hele stamboom
in mannelijke linie is genoemd.
Otto
I wordt in de literatuur de laatste Konradijn
genoemd. Dit klopt wat betreft het Frankisch-Hessische thuisland, maar
er zijn meer mannelijke lijnen die tot Otto I's tijd en ver daarna reiken.
Rond 1016 verenigt Otto I bijna alle Konradijnse goederen in het Rijn-
en Frankenland. Hij is graaf in Neder-Lahngouw,
Engersgouw, Einrichgouw,
Wetterau, Niddagouw en
mogelijk ook Deutzgouw. Uit deze opsomming mag
blijken dat de verwerving van Zutphen van ondergeschikt belang is, mede
gezien de omstandigheid dat aan Zutphen geen grafelijke titel is verbonden.
De Hamalandse grafelijke titel is bij de opsplitsing
van Hamaland mogelijk aan Zuid-Hamaland verbonden en vergeven aan
Werner (II).
Door alle Konradijnse goederen in een hand te verenigen is Otto I in feite
zo machtig geworden dat hij een bedreiging vormt voor keizer Hendrik
II.
'Van Zutphen'
Het is misplaatst om Otto I 'van Zutphen' te noemen, want Otto I is elders
meervoudig graaf en slechts heer van Zutphen. Otto I komt in de Zutphense
bronnen zelden voor, waardoor het ontstaan van graafschap Zutphen onduidelijk
is. Ook zal het stof rond de ondergang
van Hamaland het zicht op ontstaan van het graafschap Zutphen mede
vertroebelen.
De identificatie van Otto van Hammerstein als Otto I van Zutphen is door
Jackman recentelijk (1990-2000)
in verschillende publicaties nieuw leven ingeblazen. In 2001 wil Van
Winter niet verder gaan dan "dat Gozelo
I en II
niet als hertogen van Neder-Lotharingen
maar als verwanten van de graven van Zutphen aanspraak op deze graafschappen
(Zutphen, Drenthe) hadden gemaakt. Er bestond bloedverwantschap tussen
de nazaten van de paltsgravenzoon Liudolf [...] enerzijds en Gozelo I
[...] anderzijds."
Dit hoofdstuk belicht het ontstaan van het latere graafschap Zutphen en
volgt de hypothese van Jackman.
Huwelijksproblemen
Aartsbisschop
Erkanbold van Mainz weet de vrome keizer
Hendrik II te overtuigen dat volgens een nieuw kerkelijk decreet van Burchard
van Worms de verwantschap van huwelijkskandidaten vastgesteld dient
te worden. In dit decreet wordt voorgeschreven
dat de graad van verwantschap vanaf de neven c.q. nichten dient te worden
geteld. Hierdoor zijn huwelijken met een kanonische
graad van 6:6 en minder volgens de kerk vervolgbaar. Hendrik II krijgt
op nu een ideale manier de kans zijn politieke tegenstanders het leven
zuur te maken.
Over de verwantschap van Otto I en zijn echtgenote Irmingard zijn vele pagina's vol geschreven.
De laatste inzichten laten zien dat zij in een 3:4 graad verwant zijn,
hetgeen normaliter een huwelijk niet in de weg staat, 3:3 is immers nog
usance bij de adel. Hendrik II wil een voorbeeld stellen en Otto I is
bij uitstek geschikt als slachtoffer voor de nieuwe rijkspolitiek van
huwelijksvervolgingen.
Het huwelijk wordt ontbonden
De naijverige aartsbisschop Erkanbold is nota bene een neef van Otto
I, want Erkanbolds moeder Alverada is net als Otto
I's moeder ook een dochter van Megingoz.
Erkanbold is tijdens de Moezelvete
de steun en toeverlaat van Hendrik II geworden en probeert zijn verworven
status ten gelde te maken. Het is niet toevallig dat Erkanbolds broer
Gerlach het meest zal profiteren.
Vanaf 1017 beperkt Hendrik II langzaam maar zeker de jurisdictie van Otto
I. Uiteindelijk worden Otto I en Irmingard op 16 maart 1018 op de rijksdag
in Nijmegen geëxcommuniceerd. Hun bezittingen worden geconfisqueerd
en later onder Hendrik II's vazallen verdeeld.
Twee maanden later probeert Otto I de keizer tot een ander inzicht te
bewegen, maar deze is vastbesloten een voorbeeld te stellen. Hendrik
II wil laten zien dat hij een rechtvaardig heerser is en zelfs belangrijke
edelen durft aan te pakken. Toevallig komt het zo uit dat daarmee de Konradijnse
aanwezigheid in het hart van het Roomse Rijk weggepoetst wordt en de goederen
en jurisdicties aan de kroon vallen.
Hammerstein wordt belegerd
Otto I wil zijn lot niet lijdzaam ondergaan en grijpt naar de wapens.
Daar aartsbisschop Erkanbold zijn ondergang fanatiek nastreeft probeert
hij deze gevangen te nemen. Zijn kans komt wanneer Erkanbold over de Rijn
naar Keulen reist. De gevangenneming mislukt, maar Otto I weet wel enkele
priesters uit het gevolg van Erkanbold te pakken te krijgen, die hij vervolgens
gevangen houdt. Er volgen langdurige onderhandelingen die op niets uitlopen.
Hendrik II heeft nu het
excuus dat hij nodig heeft om Otto I hard aan te pakken. In september
1020 trekt hij samen met de aartsbisschop Erkanbold
op tegen Otto I, die zich verschanst heeft in kasteel Hammerstein. Een
maandenlange belegering volgt. Hendrik II ziet zich zelfs genoodzaakt
het kerstfeest aan de voet van de burcht door te brengen. De strijd eindigt
op 26 december 1020 wanneer Otto I's voorraden opgegeten zijn. Kasteel
Hammerstein wordt ingenomen, maar Otto I en Irmingard wordt genade geschonken.
Ondanks de nederlaag blijven Otto I en Irmingard samenleven. Ongeveer
twee jaar lang duiken ze min of meer onder, want zij komen in de bronnen
van die jaren niet voor.

De strijd duurt voort
In 1023 wordt Erkanbold opgevolgd door Aribo.
De nieuwe aartsbisschop roept in juni een synode
uit in Mainz waar Otto I weer ter communie mag gaan, nadat hij erkend
heeft dat zijn huwelijk illegaal is. Ondanks zijn onderwerping blijven
Otto I's bezittingen geconfisqueerd.
Irmingard blijft echter geëxcommuniceerd, omdat zij zich niet bij
ontbinding van haar huwelijk neer wil leggen. Zij reist naar de paus in
Rome om in beroep te gaan.
Na de synode in Mainz wordt het huwelijk indirect
besproken op een synode in Seligenstadt.
Op deze synode wordt bevestigd dat het bepalen van de graad van verwantschap
volgens het decreet van Burchard
van Worms dient te gebeuren. Vervolgens wordt bepaald dat er bisschoppelijke
toestemming nodig is voordat iemand op audiëntie kan gaan naar de
paus. Sterker nog een geëxcommuniceerde dient eerst boetedoening
bij de bisschop te doen, voordat toestemming verkregen kan worden om naar
de paus te gaan. Deze passages zijn duidelijk ingegeven door Irmingards,
nu illegale, gang naar de paus.
De paus helpt
In het voorjaar van 1024 blijkt Irmingard gehoor bij paus Benedict
VIII te hebben gekregen. De paus schuwt een conflict met Aribo
niet en vernietigt in 1024 de besluiten van de aartsbisschop van Mainz.
Tevens schenkt de paus Otto I en Irmingard zijn absolutie. Aribo protesteert,
maar de paus gaat zelfs zo ver om Aribo zijn pallium
(toentertijd een schoudermantel), het teken van bisschoppelijke waardigheid,
te ontnemen.
Het huwelijk van Otto I en Irmingard lijkt gered, maar daarmee heeft Otto
I zijn bezittingen nog niet terug. Niettemin heeft Otto I het mede aan
zijn vrouw te danken dat hij weer in het zadel zit. De vraag is nu wat
de vrome keizer Hendrik II gaat doen?
De koning is dood, leve de koning!
De zaak komt abrupt aan een einde wanneer Hendrik II op 13 juli onverwacht
de ogen voor eeuwig sluit. Hij wordt opgevolgd door Koenraad
II die Otto I tenslotte in al zijn waardigheid en rechten herstelt.
Dat Koenraad II daar zelf belang bij heeft, omdat ook hij een verdacht
4:4-huwelijk heeft, kan Otto I waarschijnlijk niets schelen.
Otto I krijgt zijn jurisdictie in Engersgouw,
Niddagouw en Wetterau
geheel terug. Koenraad II kan niet voorkomen dat Otto I enkele delen voorgoed
kwijt is, maar door aan de grenzen van de graafschappen te sleutelen krijgt
Otto I ook in de Opper- en Neder-Lahngouw zijn
zeggenschap terug. Waarmee Otto I in een derde deel van Frankisch Hessen
jurisdictie uitoefent!
In 1027 probeert Aribo opnieuw Koenraad II te
bewegen het huwelijk te verbieden, maar deze weigert hier op in te gaan.
Door de expliciete toestemming van Benedict VIII voor het huwelijk tussen
Otto I en Irmingard zullen de Duitse bisschoppen vanaf dat moment 4:3 graads
huwelijken toestaan.
Gelukkige en verdrietige gebeurtenissen
Otto I en Irmingard krijgen een zoon Udo,
een gebruikelijke naam bij de Konradijnen, en twee dochters, Mathilde,
vernoemd naar Irmingards moeder, en een van naam onbekend
gebleven dochter. De kinderen worden na de excommunicatie van hun ouders
en het vernietigen van hun huwelijk tot bastaard uitgeroepen, zodat zij
niets kunnen erven. Na het eerherstel door Koenraad
II zijn hun erfrechten ook weer gewaarborgd, maar niet alle sprookjes
eindigen helaas met "zij leefden nog lang en gelukkig". Otto
I en Irmingard moeten lijdzaam meemaken dat twee van hun kinderen voortijdig
overlijden.
Eerst overlijdt Mathilde in 1031. Zij heeft een prestigieus huwelijk gesloten
met Liudolf. Liudolf is de tweede zoon
van Ezzo (voluit Erenfried), onder andere
paltsgraaf aan de Rijn, en Mathilde, een
dochter van keizer Otto II
en de Byzantijnse prinses Theofano.
Drie jaar later overlijdt Otto I's enige zoon Udo. Als voorschot op de
erfenis heeft Otto I hem het graafschap Engersgouw toegeschoven, zodat
Udo nog wel enige tijd graaf is geweest. Udo laat geen kinderen na, zodat
aan alle dynastieke ambities een abrupt einde komt.
De derde dochter huwt met Wigger (I),
die na het overlijden van Udo in 1034 als
graaf van Engersgouw optreedt. Haar overlijdensdatum
is onbekend.

Wat te doen met 'Zutphen'?
Otto I overleeft zijn twee kinderen niet lang. Hij overlijdt op 5 juni
1036 en zijn vrouw Irmingard volgt hem in 1042.
Bij gebrek aan rechtstreekse erfgenamen worden de graafschappen verdeeld
onder vele edelen. Geen van hen ontvangt echter meer dan een graafschap.
Het machtscomplex van Otto I valt zo uiteen. Koenraad
II heeft de meeste graafschappen onder zijn vazallen verdeeld. Directe
erfgenamen zijn er behalve voor Gleiberg niet.
De Ezzonen worden overgeslagen,
omdat Liudolf inmiddels ook overleden
is. Hoe Otto I's graafschappen in het huidige Duitsland precies vererven
valt letterlijk en figuurlijk buiten de grenzen van deze site.
Na bovenstaande gebeurtenissen, waarbij zelfs paus en keizer betrokken
zijn, is het niet verwonderlijk dat Otto I niet veel als "van Zutphen"
in de bronnen voorkomt. Hij zal zich niet veel in Zutphen hebben laten
zien, maar wat is er nu met Zutphen gebeurd?
Een mogelijk scenario
Wanneer Balderik in 1021 overlijdt gaat
Hendrik II er pas daadwerkelijk
toe over Hamaland
te verdelen. In dat jaar heeft Hendrik II Otto I net uit Hammerstein
verjaagd en het huwelijk ontbonden. In feite is Irmingard weer een vrijgezelle
vrouw en zal zij mogelijk in 1021 haar erfdeel uit Hamaland krijgen. Hendrik
II zal denken dat op termijn Zutphen aan de kroon terug zal vallen, omdat
Irmingards kinderen een bastaardstatus hebben en dus niets kunnen erven.
De situatie verandert drastisch wanneer in 1024 Hendrik II overlijdt,
Koenraad II op de troon
komt en het huwelijk weer toegestaan wordt. Waarschijnlijk wordt Otto
I pas in 1025 de eerste heer van Zutphen, want bisschop Adalbold
van Utrecht verwerft in dat jaar Drenthe uit de Hamalandse erfenis.
Werner (II) verwerft
waarschijnlijk ook in 1025 Zuid-Hamaland en in dat jaar weet Gozelo
I zijn problemen
met Koenraad II op te lossen
en krijgt hij alsnog Drenthe. Er pleit veel voor om Otto I ook in 1025
over de erfenis van zijn vrouw te laten beschikken.
Opvallend is dat Zutphen vanaf het begin gekenmerkt wordt door vrouwelijke
vererving.
Zutphen als bruidsschat?
Het is heel goed mogelijk dat Otto I en Irmingard vervolgens Zutphen
als bruidsschat aan hun dochter Mathilde meegeven, want Liudolf,
Mathilde en Otto I worden in een zin genoemd in de Brunwilarensis
monasterii fundatorum actus. Het klooster Brauweiler waar deze
acte thuis hoort is gesticht door Liudolfs ouders
in 1024. De acte is mogelijk rond 1075 opgesteld, niet zo veel later dan
de tijd waarin een en ander afspeelt, zodat de waarheid niet te veel geweld
zal zijn aangedaan. De passage luidt: "Hic
filiam Ottonis comitis de Sudveno, nomine Mathildem, in coniugem accipiens
duos aeque per omnia sibi simillimos ex ea generavit filios: Heinricum
videlicet et Cunonem".
Dit betekent vrij vertaald dat Liudolf
getrouwd is met Mathilde, de dochter van Otto, graaf van Zutphen en dat
zij twee kinderen hebben genaamd Hendrik en Koenraad. Uiteraard is Zutphen
in die tijd geen graafschap, maar het zal voor de opsteller van de acte
onbestaanbaar zijn geweest dat een kleinzoon van keizer Otto II niet met
een grafelijke dochter zou trouwen. Bovendien zal de monnik in Brauweiler
de precieze situatie met betrekking tot Zutphen onbekend zijn geweest,
want het klooster heeft er geen naburige bezittingen.
Tussen de regels lezend kan de achterliggende betekenis zijn dat Mathilde
Zutphen meekrijgt en dat is niet het enige dat Mathilde meebrengt. Ook
goederen in Twente en Westfalen en voogdijrechten in bisdom Munster en
het in 968 gestichte klooster Borghorst behoren tot haar bruidsschat.
Dit is niet zo'n vreemde gedachte, omdat Zutphen aan de periferie van
Otto I's invloedssfeer ligt, maar wel bij die van de Ezzonen
aansluit.
Vererving van de voogdijen
De vererving van bovennoemde voogdijen Munster en Borghorst kan gedeeltelijk
worden verklaard met het scenario van
vererving zoals hier gepresenteerd wordt. Het andere deel ligt mogelijk
gelegen in de Ringelheimse nalatenschap. Beide voogdijen behoren oorspronkelijk
tot de invloedssfeer van de Billung-familie. Saillant detail is de connectie
met de Billunger Diederik
van Ringelheim, die vaker voorkomt in De Graafschap. Godfried 'de Gevangene' treedt op als prefect
van Utrecht, maar ook als graaf van Hettergouw (Hattuarië). Het
huis Verdun
is oorspronkelijk niet actief in het (aanstaande) Kleefse land, dus heeft
Godfried deze functies waarschijnlijk te danken aan zijn huwelijk met
Mathilde
van Saksen (Billung-familie). Het is geen al te boude stelling te
beweren dat Mathilde van Saksen beide voogdijen als huwelijksgift meebrengt.
Wichman III van Vreden
oefent de voogdijschappen tot zijn dood in 1016 uit.
Na de dood van Wichman III en het oplossen van de erfenisperikelen komen
de voogdijen bij Irmingard
en vervolgens bij haar dochter Mathilde en diens echtgenoot Liudolf.
In onderstaande schema is het mogelijke verervingsschema zichtbaar gemaakt.

Goed in Friesland
Ondersteuning voor de identificatie van Otto van Hammerstein als een
van de erfgenamen van Hamaland biedt een schenking aan de abdij Werden
aan de Ruhr die "Oddo comes una cum coniuge
sua Irmingarda" in Nas plegen.
Nas is waarschijnlijk Nes aan de Dollard en ligt in Oostergo
(Friesland). Deze gouw krijgen de Hamalanders mogelijk in 886 in bezit
wanneer Eberhard (I) hertog wordt.
Deze goederen krijgen Otto I en Irmingard waarschijnlijk uit de erven
Hamaland, want het Konradijnse noch Verdunse huis bezitten oorspronkelijk
goed in Friesland.
Problemen rond de vererving van Zutphen
Waarschijnlijk zijn Otto I en Irmingards kleinkinderen in het aanstaande
graafschap actief. Na Irmingards dood in 1042 komen er moeilijkheden.
Het is niet uit te sluiten dat Gozelo
I na de dood van Irmingard het "graafschap Zutphen" als
Verduns erfgoed opeist en dat na zijn dood in 1044 zijn zoon Gozelo
II de aanspraken vol blijft houden. Zij maken een goede kans het goed
te verwerven, want Otto I's erfgenaam Koenraad heeft zo zijn moeilijkheden
met het rijksgezag. Pas wanneer Gozelo II kort na zijn vader in 1046 overlijdt
en Godfried
III, zijn opvolger, ook met het rijksgezag overhoop ligt kiest Hendrik
III er voor om het gedoe rond Zutphen voor eens en altijd op te lossen
door het aan het bisdom Utrecht te schenken. Dat denkt hij tenminste...
Op deze site worden de perikelen rond Zutphen en zijn eerste heren vervolgd
met Liudolf en Mathilde, die zoals gezegd
in 1025 Zutphen als verlaat huwelijksgeschenk
krijgen.
|
|