De middeleeuwse school

Inleiding

De kanunniken van een kapittel zijn in de Middeleeuwen een bevoorrechte groep. Zo beschikken zij als enigen in een stad over een eigen school. De nadruk wordt gelegd op onderwijs in de vrije kunsten, vooral filosofie en literatuur, maar bepaalde scholen specialiseren zich. Deze specialisatie gebeurt vooral in de grote steden als Orléans (rechten) en Parijs (filosofie en theologie). Verantwoordelijk voor de gang van zaken op de school is de scholasticus of scholaster.


Aan kinderen wordt les gegeven met geen ander doel dan training tot priester of religieuze opvoeding voor zonen van de landsheer. Meer onderwijs wordt zinloos geacht. In sommige gevallen wordt een enkeling opgeleid voor een beroep buiten de kerk. Vooral juristen en artsen komen in de buitenwereld terecht. Rechtspraak mag dan typisch voor de landsheer zijn weggelegd, het is de kerk die voorziet in juristen en wetten. Er wordt les gegeven in Romeins en kerkelijk recht.

De scholasticus

Een scholaster van een kapittel staat in rang direct onder de proost en de deken. Hij is de leider van de domschool, geeft les aan de leerlingen, die op zijn voorstel door het kapittel tot de (hogere) school worden toegelaten.
Voor het uitoefenen van deze functie krijgt de scholaster jaarlijks in natura uitbetaald, b.v. 10 malder (hoeveelheid die in één keer gemalen kan worden) pachtrogge uit de goederen van de proosdij. Het komt geregeld voor dat de scholaster tegelijkertijd optreedt als rentmeester van de proost en dus in nauw contact met de proost staat.
Naast de bemoeienis met de school is de scholaster meestal belast met de inrichting van het koorgedeelte. Hieronder vallen ook de verlichting en de klokkenluiders.
De scholaster is een gestudeerd man, hij geeft les en men verwacht dat hij welbespraakt is.

De rector scholarum

Als de functie van scholaster te zwaar wordt voor één man stelt het kapittel meestal een rector scholarum aan. Deze rector krijgt de dagelijkse leiding van de school. De rector behoort niet tot het kapittel. De rector wordt betaald door het kapittel en krijgt van de proost ieder jaar een tijnsbetaling.

Vier burgerzonen krijgen les op school.

De eerste studiebeurzen

Niet alleen de scholaster en de rector hebben het voor het zeggen op de school. Het is mogelijk dat ook burgerzonen lessen volgen op de school. Het is dan niet verwonderlijk dat het stadsbestuur zich met de schoolleiding bemoeit. Beslissingen die de school aangaan worden 'in overeenstemming met de wensen van de schepenen' genomen.
In 1468 geeft hertog Adolf van Egmond Ψ, hertog van Gelre, drie stadsdoctorale prebenden ('studiebeurzen') aan de stad Zutphen. De stad mag daarvan drie burgers (meestal mannen) aan de school laten studeren. Dit voorrecht krijgt Zutphen na toegezegde steun aan de hertog.

Literatuur

  1. De stedebouwkundige ontwikkeling in Nederland, Dr. Ir. W.B. Kloos,
    Allert de Lange, Amsterdam, 1947.
  2. De opkomst van Zutphen, Willem de Vries,
    Van Gorcum & Comp. N.V., Assen, 1960.
  3. Ridderschap, ideaal en werkelijkheid, Jkvr. dr. J.M. van Winter,
    C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 1965.
  4. De Middeleeuwse Stad, Prof. dr. W. Jappe Alberts,
    Fibula-van Dishoeck, Bussum, 1968.
  5. Stad en platteland in de Middeleeuwen, Prof. dr. David Nicholas,
    Fibula - van Dishoeck, Bussum, 1971.
  6. De Sint-Walburgiskerk in Zutphen, momenten uit de geschiedenis van een middeleeuwse kerk, diverse auteurs,
    Walburg Pers, Zutphen, 1999.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende I des Donredages nae sunte Norbertus dach, dat was op ten zevenden dach der maent van Junio.