Zoeken

Bannerheren

Begrip en historiografisch kader

De term bannerheer behoort tot de meest beladen begrippen uit de laatmiddeleeuwse Gelderse adelgeschiedenis. In oudere historiografie geldt hij als een vaste, eeuwenoude rang, verbonden aan vier geslachten in het Kwartier van Zutphen: Bergh, Baer, Bronckhorst en Wisch. Bronkritisch onderzoek laat echter zien dat dit beeld voor een groot deel een ordening van de zestiende en zeventiende eeuw is, en dat het slechts beperkt toepasbaar is op de vijftiende eeuw, de periode waarin de titel daadwerkelijk in de bronnen verschijnt.

Twee vierkante banieren aan een lans, met daaronder de naam van de voerder. Uit het Wapenboek Gelre, laatste kwart van de veertiende eeuw. De vierkante vorm onderscheidt de banier van het driehoekige vaandel dat gewone ridders voeren. (Bron: Koninklijke Bibliotheek Brussel, Wapenboek Gelre, seq148)
Twee vierkante banieren aan een lans, met daaronder de naam van de voerder. Uit het Wapenboek Gelre, laatste kwart van de veertiende eeuw. De vierkante vorm onderscheidt de banier van het driehoekige vaandel dat gewone ridders voeren. (Bron: Koninklijke Bibliotheek Brussel, Wapenboek Gelre, seq148)

Het woord zelf komt uit het Frans. Een chevalier banneret is een vermogend ridder die met een eigen banier een eigen afdeling aanvoert. In het Middelnederlands verbastert dat tot baenrots, een vorm die is verklaard uit ban, het recht om te gebieden, en rote, een legerafdeling. Het onderscheid is zichtbaar op het slagveld: een banier is een vierkante, gestijfde vlag aan een lans, terwijl gewone ridders een driehoekig vaandel voeren. In Bourgondische kringen wordt een nieuwe baanderheer gemaakt door de punt van zijn vaandel af te snijden, zodat er een vierkante banier overblijft. De rang is dus een handeling, geen erfdeel.

Wie het Gelderse geval wil begrijpen, moet eerst het spoor van de begripsvorming volgen. Dat spoor loopt door de negentiende en twintigste eeuw heen. Nijhoff schrijft in de samenvattingen bij zijn Gedenkwaardigheden stelselmatig “bannerheren”, ook waar de oorkonde baenritzen leest en soms zelfs waar de tekst alleen namen van edelen geeft. Van Schilfgaarde tekent in 1929 bij een verslag uit 1499 aan dat van de vijf daar genoemde heren er drie werkelijk bannerheer zijn, omdat de vierde bannerij in andere handen is en de vijfde niet in het rijtje past. En in 1877 verschijnt een werk dat Bannerheeren en Ridderschap van Zutphen heet, waarmee de tweedeling in de titel al vaststaat voordat het onderzoek begint. Telkens wordt het beeld van de vier over het materiaal heen gelegd. Het valt de editeurs nauwelijks te verwijten: zij ordenen wat zij aantreffen met de begrippen die zij kennen.

De bannerheer moet daarom niet worden opgevat als een tijdloos instituut, maar als een contextgebonden aanduiding die in militaire, sociale en politieke situaties uiteenlopende betekenissen aanneemt. Recent internationaal onderzoek naar laatmiddeleeuws heerschap wijst in dezelfde richting: gezag is in deze periode geen vaststaande rang, maar een betrekking die voortdurend moet worden onderhouden en bevestigd.

De titel in de vijftiende eeuw

Uit vijftiende-eeuwse stukken blijkt dat de benaming bannerheer, of baenritz, vooral werkt als onderscheidende aanduiding binnen de ridderschap. Zij geldt voor edelen die onder eigen banier optreden, maar zij is niet automatisch of uitsluitend verbonden aan het bezit van een bepaalde bannerij, het gebied waarvan het bezit aanspraak op de titel geeft.

Denessen heeft de vijftiende-eeuwse stukken opnieuw doorgenomen zonder het latere viertal als uitgangspunt te nemen, en laat zien dat het aantal dragers van de titel per gelegenheid verschilt. Een stuk uit 1436, waarin de hertog van Gelre verbiedt de tol van Zutphen aan onder anderen de bainrittere te verkopen, noemt de groep zonder haar te sluiten. Een oorkonde van 18 juni 1443 over het ambt Tussen Maas en Waal doet hetzelfde. En een formulierboek van het huis Opijnen uit het midden van de vijftiende eeuw, bewaard in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, bevat een lijst van vijftien Gelderse bannerheren. Vijftien tegenover vier: het latere beeld is geen weergave van de vijftiende-eeuwse werkelijkheid, maar een ordening achteraf.

De maat waaraan een bannerheer wordt afgemeten, is militair. In Brabant, waar het verschijnsel het best is onderzocht, geldt dat een baanrots ten minste vijfentwintig zwaarbewapende ruiters onder zich moet hebben, en dat hij moet voldoen aan drie voorwaarden: adellijke geboorte, aantoonbare dienst van zijn voorouders aan de vorst, en een heerlijkheid die van ouds als baanderij geldt. De aantallen daar schommelen even sterk als in Gelre: een oproepingslijst van 1406 telt negentien baanrotsen, die van 1415 nog vijftien. Het Gelderse verschijnsel is dus geen eigenaardigheid, maar een regionale variant van iets dat in de hele Nederlanden voorkomt.

In de loop van de vijftiende eeuw verschuift het zwaartepunt van het slagveld naar de vergaderzaal. Wanneer de ridderschap structureel wordt betrokken bij het bestuur van Gelre, krijgt de titel een plaats binnen het standenstelsel, en gaan de dragers ervan aanspraak maken op voorrang boven de overige ridderschap. Wie die aanspraak mag voeren, is dan geen vanzelfsprekendheid meer maar een besluit. In de zestiende eeuw stelt het Hof van Gelre en Zutphen vast wie riddermatig is en wordt aangeschreven, en het beslist ook of een claim op het bannerheerschap rechtmatig is.

Baer, 1495

Hoe ver de macht van een bannerheer reikt, en waar zij ophoudt, laat zich het beste aflezen aan een geval waarin zij wordt gebroken.

Jan III van Egmond Ψ, graaf van Egmond en heer van Baer, staat in de jaren negentig van de vijftiende eeuw aan de zijde van de Habsburgers, net als zijn broer Frederik van Egmond-Buren Ψ. Vanuit zijn kasteel aan de IJssel onderneemt hij strooptochten richting Arnhem en Doesburg. Hertog Karel van Gelre Ψ reageert niet alleen, maar in gezelschap: hij trekt op met Frederik II van Bronckhorst en Borculo Ψ en met de steden Zutphen en Doesburg. Op Hemelvaartsdag 1495 valt het kasteel. De meegebrachte metselaars uit Doesburg en Zutphen gaan er onmiddellijk aan het werk; het huis wordt tot op de fundamenten afgebroken en nooit herbouwd.

Twee dingen springen daarbij in het oog. Het eerste is dat een bannerheer meehelpt bij de vernietiging van een medebannerheer. Van een gesloten stand met een gedeeld belang is geen sprake. Het tweede is dat politieke uitschakeling blijkbaar niet volstaat. Het gezag van een bannerheer is zo verweven met de lokale samenleving, via rechtspraak, grondbezit, leenbanden en persoonlijke netwerken, dat de machtsbasis fysiek moet worden opgeruimd. Dat is een teken van kracht en van kwetsbaarheid tegelijk: onmisbaar zolang men op zijn plaats blijft, en aangewezen op één versterkt huis zodra men dat niet doet.

Emmerik, januari 1499

Vier jaar later komt de groep als geheel onder druk te staan, en dan blijkt hoe zij zichzelf begrijpt.

Eind 1498 hervat Maximiliaan I, koning van het Roomse Rijk, de strijd tegen Karel van Egmond, die zich naar zijn zeggen ten onrechte hertog van Gelre noemt, en wil hij Gelre en Zutphen veroveren voor zijn zoon, aartshertog Philips ‘de Schone’ Ψ. Zutphen, als hoofdstad van het kwartier, organiseert de tegenstand en schrijft tegen 29 december een kwartiersdag te Doetinchem uit om met bannerheren, ridderschap en steden een gedragslijn af te spreken. De bijeenkomst levert niets op. Karel roept alle beschikbare manschappen tegen 6 januari 1499 naar Arnhem en belegt tegen 14 januari een dagvaart van de drie kwartieren te Doesburg.

Op 10 januari doorkruist Johan II van Kleef Ψ die plannen. Hij stuurt een rondschrijven aan de bannerheren waarin hij hun toestand hopeloos noemt en aanbiedt te bemiddelen, mits zij op 14 januari te Emmerik verschijnen. Graaf Oswald I van den Bergh Ψ, die het bericht dezelfde dag ontvangt, weigert alleen te beslissen. Hij stuurt afschriften aan hertog Karel, aan de stad Zutphen en aan zijn medebannerheren, en vraagt de laatste twee op 13 januari opnieuw naar Doetinchem te komen om samen een antwoord op te stellen. Op die bijeenkomst zijn aanwezig de graaf van den Bergh, en de jonkers van Bronckhorst en van Voorst; Wisch en Batenburg laten zich vertegenwoordigen, en Zutphen stuurt enkele raadsvrienden. De bannerheren beraadslagen dus niet tegenover de stad, maar met haar.

De volgende ochtend om acht uur rijdt Oswald Emmerik binnen, begeleid door een deurwaarder en een trompetter van de koning. Bij de hertog van Kleef stellen de heren de kernvraag: in welke hoedanigheid moeten zij gehoorzaamheid beloven, als Roomse koning of als hertog van Gelre? Aan de koning zijn zij altijd trouw gebleven; als hertog kennen zij hem niet. Wanneer de raden van Kleef antwoorden dat de koning en zijn zoon de enige rechthebbenden op Gelre zijn, spelen zij hun sterkste kaart uit. Het verslag van de Berghse secretaris Wernerus Elferdinck, bewaard in een kopieboek uit het archief van het Huis Bergh dat Nijhoff niet ter beschikking stond en dat door Van Schilfgaarde is uitgegeven, legt hun woorden vast: zij zijn nooit gewoon geweest en ook niet verplicht de hertog van Gelre huldiging te doen, want ‘dat deden dye boirgeren in de steeden’. Wie een leen van de hertog houdt, ontvangt dat leen en doet daarvoor wat een leenman toekomt. Meer niet.

Dat is de scherpste omschrijving van het bannerheerschap die de bronnen opleveren, en zij komt niet uit een zestiende-eeuwse ordening maar uit de mond van de betrokkenen zelf. Een bannerheer is in eigen ogen geen onderdaan. Hij is een leenman, en verder een heer naast andere heren.

De Sint-Martinuskerk te Emmerik, gezien vanaf de Rijn. Hier werd op 15 januari 1499 het antwoord van de bannerheren verwacht. Zij verkregen dat zij het na de mis op het raadhuis mochten geven, buiten het openbaar gehoor. (Bron: AI-gegenereerd naar naar een tekening van Jan de Beijer, 1732)
De Sint-Martinuskerk te Emmerik, gezien vanaf de Rijn. Hier werd op 15 januari 1499 het antwoord van de bannerheren verwacht. Zij verkregen dat zij het na de mis op het raadhuis mochten geven, buiten het openbaar gehoor. (Bron: AI-gegenereerd naar een tekening van Jan de Beijer, 1732)

De koning is niet onder de indruk. Zijn stadhouder Adolf van Nassau deelt ’s avonds mee dat alleen volledige onderwerping voldoet en dat het antwoord de volgende ochtend om acht uur in de Munsterkerk wordt verwacht. Ondertussen laat Maximiliaan een kaart tekenen van het land van Gelre waarop het land van den Bergh is meegenomen, en laat hij zich ontvallen dat Bergh en Didam gemakkelijk in te nemen zijn en Ulft wellicht iets lastiger. De hertog van Kleef, die de zaak niet meer in de hand heeft, waarschuwt dat hij desnoods zijn geschut zal moeten uitlenen om Bergh te helpen bedwingen. De enige toegeving die de heren nog verwerven, is dat het antwoord niet in het openbaar in de kerk hoeft te worden gegeven, maar na de mis op het raadhuis.

Daar voltrekt zich de ontknoping. Niemand wil als eerste gaan. De secretaris tekent met leedvermaak aan dat juist Wisch en Batenburg, die vooraf hadden laten weten bereid te zijn zich te onderwerpen, het op het moment zelf niet aandurven. Uiteindelijk haalt de Kleefse landdrost Oswald op. Diens antwoord houdt de lijn van de vorige dag vast: als bannerheer weigert hij de eed aan de landsheer, als leenman is hij bereid trouw te zweren en de koning gehoorzaamheid te beloven. Op de vraag of hij ooit een eed aan Karel van Egmond heeft afgelegd, antwoordt hij ontkennend. Daarna doen Bergh, Wisch, Batenburg en Bronckhorst achtereenvolgens met een handkus hulde; Voorst krijgt uitstel tot de volgende dag en stuurt zijn instemming vervolgens onder eigen hand en zegel. Oswald ontvangt aansluitend zijn Gelderse lenen uit handen van de koning.

Vijf heren dus: Bergh, half Wisch, Bronckhorst en Borculo, Voorst en Keppel, en Batenburg en Anholt. Baer ontbreekt, omdat de heer daarvan al aan de kant van de koning staat, en Batenburg ligt in het kwartier van Nijmegen. De groep die in 1499 als bannerheren handelt, valt dus niet samen met de vier van de latere overlevering.

De opbrengst van de onderwerping valt tegen. De afspraak dat de troepen zouden vertrekken, wordt niet nagekomen: de Duitse krijgsknechten blijven ruim acht dagen te Didam en elders in het land van den Bergh liggen, en gevangenen moeten zich alsnog vrijkopen. Wanneer de koning Oswald daarna wil gebruiken om ook Zutphen tot een vergelijk te bewegen, weigert hij dat botweg, anders dan Wisch en Batenburg. Karel van Gelre houdt stand tot het einde van zijn leven en laat de afvalligen hun keuze bekopen. Het afleggen en herroepen van eden is in deze jaren geen formaliteit: het markeert publiekelijk wiens partij men kiest, en het kost geld.

Macht en binding

De aanspraak van Emmerik staat tegenover een praktijk die veel minder vrijblijvend is. Binnen hun heerlijkheden spreken de bannerheren recht over lijf en leven, benoemen zij ambtenaren en heffen zij inkomsten. Daarbuiten zijn zij op tal van manieren gebonden, en niet alleen aan de hertog van Gelre.

De leenbanden van de vier bekendste bannerijen lopen alle een andere kant op. Bergh is een Gelders leen. Baer en Lathum eveneens. Bronckhorst geldt als allodiale bannerheerlijkheid, dus als vrij eigen bezit dat niet als leen wordt gehouden. En Wisch wordt naar eigen verklaring, net als in de tijd van de voorouders, van de hertog van Kleef in leen gehouden. Vier bannerijen, drie verschillende leenheren, en één zonder leenheer. Wie de bannerheren als één stand met één band aan één landsheer voorstelt, spreekt de eigen bronnen tegen.

De Munt te 's-Heerenberg, sinds 1473 gevestigd in dit gebouw naast het kasteel. De heren van Bergh oefenden het muntrecht hier uit als leenmannen van de aartsbisschop van Keulen. (Bron: AI-gegenereerd naar dia auteur, 1996)
De Munt te ‘s-Heerenberg, sinds 1473 gevestigd in dit gebouw naast het kasteel. De heren van Bergh oefenden het muntrecht hier uit als leenmannen van de aartsbisschop van Keulen. (Bron: AI-gegenereerd naar dia auteur)

Hetzelfde beeld levert het recht om munt te slaan op, dat Bergh onder de vier onderscheidt. De heren van Bergh oefenen dat recht niet uit eigen hoofde uit, maar houden het in leen van de aartsbisschop van Keulen. Zij verwerven het vóór 1341 voor Gendringen en brengen het munthuis in 1346 over naar ’s-Heerenberg, waar het in 1473 naar het nog bestaande gebouw naast het kasteel verhuist. Het muntrecht toont dus geen zelfstandigheid, maar een tweede heer.

Tegelijk zijn de bannerheren geen buitenstaanders in Gelre. Zij vallen onder de gewone landsheerlijke heffingen, de bede en de schatting, en zij zijn daarvan niet vrijgesteld. Zij nemen deel aan het landsbestuur, bekleden ambten binnen de Gelderse ambtsorganisatie, en hun heerlijkheden functioneren als onderdeel van die organisatie in plaats van ernaast. Onderzoek naar het heerlijk bestuur in Gelre tussen de veertiende en de zestiende eeuw laat zien dat dit bestuur over die hele periode opmerkelijk stabiel blijft, en dat die stabiliteit voortkomt uit samenwerking tussen landsheerlijk apparaat, heren en plaatselijke gemeenschappen. Ook voor het rivierengebied is vastgesteld dat heren daar eerder schakels dan tegenkrachten zijn.

De lijst van 1569

De categorie krijgt haar vaste vorm pas wanneer zij wordt opgeschreven, en dat gebeurt na de middeleeuwen. In 1569 laat het Hof van Gelre en Zutphen ten behoeve van een onderzoek naar rechten en gewoonten een lijst opstellen van alle bannerijen en andere hoge heerlijkheden in het hertogdom. Zij telt ruim vijftig posten en is door Maris uitgegeven en ontsloten. Voor het middeleeuwse beeld levert dat drie correcties op.

De eerste is terminologisch. Het Hof schrijft aan banner- ende onderheeren. Onderheren zijn bezitters van een hoge heerlijkheid die geen bannerij is; zij kunnen op de land- en kwartiersdagen alleen meedoen als lid van de ridderschap van hun kwartier. De bannerheren worden afzonderlijk genoemd omdat zij een eigen landstand vormen en als zodanig op de landdag zitting hebben naast de vier kwartieren Nijmegen, Roermond, Zutphen en Arnhem. Binnen hun eigen kwartier vormen zij daarbovenop het eerste lid, vóór de overige adel en vóór de stemhebbende steden Zutphen, Doesburg, Doetinchem, Lochem en Groenlo. Twee posities dus, die in de latere overlevering tot één zijn versmolten.

De tweede is geografisch. De lijst beperkt de bannerijen niet tot het Kwartier van Zutphen. Onder Nijmegen staan Batenburg en, in de Overbetuwe, Homoet als bannerij genoteerd; onder Zutphen staan Baer en Lathum, Bronckhorst, Wisch en Bergh. De beroemde vier vormen dus de Zutphense deelverzameling van een ruimere categorie.

De derde betreft de versmalling zelf. Anholt als rijksleen en Borculo als Munsters leen ontbreken op de lijst, omdat de Gelderse landshoogheid daarover wordt betwist. Keppel en Verwolde ontbreken eveneens, wat erop wijst dat het Hof de daaraan verbonden hoogheerlijke rechten niet erkent. In 1499 zat de heer van Voorst en Keppel nog in het gezelschap te Emmerik; zeventig jaar later is Keppel verdwenen. En wanneer graaf Frederik van den Bergh in 1577 als bannerheer van Homoet tot de landdag wil worden toegelaten, wordt hij afgewezen. Toelating tot de stand blijkt een beslissing van het Hof, geen erfrecht.

Op deze zestiende-eeuwse toestand berust het beeld dat de latere geschiedschrijving overneemt. Van Slichtenhorst noteert in 1654 dat de bannerheren “vanouds vier geweesd” zijn en haalt daarbij een naar zijn zeggen oud spreekwoord aan:

‘Bergh de rijxte, Bronkhorst de adelijxte, Baer de oudste en Wisch de stoutste.’

Hij bedenkt het rijmpje niet, hij legt het vast. Wat het weergeeft is niet de middeleeuwse werkelijkheid, maar de manier waarop de vier geslachten zich in de vroegmoderne tijd in het Gelderse geheugen willen plaatsen.

Het Oversticht en Drenthe

Het verschijnsel bannerheer is regionaal begrensd. Buiten Gelre ontbreekt de titel vrijwel geheel, en juist die afwezigheid maakt zichtbaar hoe specifiek de Gelderse oplossing is.

In Salland en Twente is de bisschop van Utrecht landsheer, en de adel daar functioneert als leenmannen en ambtsdragers binnen zijn gezag. Machtige heren zijn er zeker. Wat ontbreekt, is een titel die hun voorrang benoemt.

De heren van Voorst bij Zwolle laten zien wat er gebeurt wanneer die verhouding uit het lood raakt. Nadat Sweder III van Voorst-Keppel Ψ in 1361 uit wraak huizen in Zwolle in brand steekt, treedt het verbond in werking dat bisschop Jan van Arkel Ψ eerder met Deventer, Kampen en Zwolle heeft gesloten. Op 29 juli 1362 slaan bisschop en steden het beleg voor het kasteel, dat als een van de sterkste van het gebied geldt. Na vijftien weken geeft de bezetting zich over tegen vrije aftocht, en de burcht wordt met de grond gelijkgemaakt. Herbouwd wordt zij niet. Dezelfde bisschop laat in deze jaren ook Saterslo, Eerde en andere huizen slechten, en legt vast dat er geen nieuwe kastelen mogen worden gebouwd en bestaande niet verder mogen worden versterkt. Toch verdwijnt met de burcht niet de heerlijkheid. Het bezit gaat via de vrouwelijke lijn over op de Van Heekeren-Rechterens, en wanneer in januari 1499 te Emmerik de Gelderse bannerheren voor de Roomse koning verschijnen, is een heer van Voorst en Keppel daar nog altijd bij, honderdzevenendertig jaar na de sloop. Wat de bisschop en zijn steden konden wegnemen was een machtsbasis, geen aanspraak.

De parallel met Baer is treffend, en het verschil is leerzaam. In beide gevallen moet de machtsbasis fysiek verdwijnen. Maar in het Oversticht slechten bisschop en steden samen, terwijl in Gelre de hertog optrekt met steden én met een rivaliserende bannerheer. Waar in Gelre de adellijke toplaag intern verdeeld is en dus bruikbaar, staat zij in het Oversticht tegenover een coalitie van landsheer en IJsselsteden.

Twente levert de dichtstbijzijnde tegenhanger van een bannerij. In 1363 sluiten de heren van Almelo vrede met Jan van Arkel: Huis Almelo wordt een open huis, dat de bisschop in tijd van nood mag bezetten, en in ruil erkent de bisschop de vrijheid van Almelo, zij het over een aanzienlijk kleiner gebied dan waarover de heren voordien recht spraken. Binnen die vrijheid houdt de heer van Almelo de hoge rechtspraak, wat hem in Overijssel een positie geeft die verder niemand heeft. De positie bestaat dus, met vrijwel dezelfde bevoegdheden als een Gelderse bannerij. Alleen het woord bannerheer wordt er niet op geplakt.

Almelo omstreeks 1545, met ten oosten van het stadje de omgrachte huisplaats van de heren van Almelo. Het huis werd in 1363 tot open huis van de bisschop van Utrecht verklaard, waarna de bisschop de vrijheid van Almelo erkende. Van de middeleeuwse burcht is bovengronds niets bewaard. Plattegrond van Jacob van Deventer. (Bron: Biblioteca Nacional de España, Planos de ciudades de los Países Bajos Parte III)
Almelo omstreeks 1545, met ten oosten van het stadje de omgrachte huisplaats van de heren van Almelo. Het huis werd in 1363 tot open huis van de bisschop van Utrecht verklaard, waarna de bisschop de vrijheid van Almelo erkende. Van de middeleeuwse burcht is bovengronds niets bewaard. Plattegrond van Jacob van Deventer. (Bron: Biblioteca Nacional de España, Planos de ciudades de los Países Bajos Parte III)

Dat heeft alles te maken met de opbouw van de standen. In het Oversticht vormt de ridderschap één college, waarin toelating berust op persoonlijke oproeping en op het bezit van een erkende havezate, een adellijk huis dat als riddermatig is aangemerkt. Er ontstaat geen bovenlaag die als afzonderlijke stand naast de kwartieren zitting neemt. De onderscheiding die in Gelre een naam krijgt, blijft in het Oversticht een feitelijke ongelijkheid zonder titel.

In Drenthe liggen de verhoudingen weer anders, en de veelgehoorde bewering dat daar iedere adellijke standenvorming ontbreekt, gaat te ver. In 1425 is voor het eerst sprake van de ridderscap uyt Drenthe, waarmee de gezamenlijke Drentse adel wordt aangeduid. Die ridderschap is echter een adviescollege van de bisschop, waarvan de samenstelling geheel door de landsheer wordt bepaald en waarin geen erfelijke zetels bestaan. Bovendien staat zij niet boven een lagere adel, maar tegenover de eigenerfden, de niet-adellijke boeren met eigen grond, met wie zij de landdag deelt. De rechtspraak berust bij de drost en de etten, gezworen vertegenwoordigers uit de dingspelen, samen de etstoel. Standen zijn er in Drenthe dus wel. Wat ontbreekt, zijn heerlijkheden met hoge rechtspraak die als bannerij konden gelden, en daarmee ontbreekt de grondslag waarop de titel elders rust.

Slotbeschouwing

De bannerheer is geen statisch middeleeuws instituut, maar het gevolg van veranderende militaire, sociale en politieke omstandigheden. De titel krijgt pas in de vijftiende eeuw betekenis, en dan als aanduiding van een groep waarvan de omvang per gelegenheid verschilt. Wat de dragers ervan verbindt is niet een gedeelde leenheer, want die hebben zij niet, en evenmin een gedeeld belang, want in 1495 helpt de een de ander verwoesten. Wat hen verbindt is een aanspraak: dat zij de hertog dienen als leenman en niet als onderdaan.

Die aanspraak houdt precies zo lang stand als de omstandigheden haar toelaten. In januari 1499 wordt zij te Emmerik uitgesproken, beleefd aangehoord en vervolgens genegeerd, waarna de heren een voor een naar voren treden. Zeventig jaar later legt het Hof van Gelre en Zutphen vast wie er nog bij hoort, en juist dat vastleggen sluit de groep. Het rijmpje dat de vier onsterfelijk maakt, ontstaat wanneer hun macht al is gebroken.

Daarmee is de bannerheer te begrijpen als een Gelderse oplossing voor de vraag hoe adel, militaire macht en politieke vertegenwoordiging zich tot elkaar verhouden. In het Oversticht wordt diezelfde vraag anders beantwoord, met een enkelvoudige ridderschap en een enkele vrije heerlijkheid zonder titel; in Drenthe met ridderschap en eigenerfden naast elkaar en zonder hoge heerlijkheden. Juist die regionale inbedding verklaart zowel het tijdelijke succes als het latere verdwijnen van het bannerheerschap.

Gebruikte bronnen en literatuur

Primaire bronnen en edities

  • Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, hs. 78 E 32. Formulierboek van het huis Opijnen, midden vijftiende eeuw, met een lijst van vijftien Gelderse bannerheren.
  • Maris, A. Johanna, ed. ‘De lijst van bannerheerlijkheden en andere hoge heerlijkheden in Gelre en Zutphen van 1569’. Bijdragen en Mededelingen Gelre LXVIII (1974–1975): 143–159. Editie van de Verclaronge en de Opteyckeninge, Gelders Archief, archief Hof van Gelre en Zutphen, inv.nr. 4346.
  • Nijhoff, Isaac Anne, ed. Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gelderland, door onuitgegeven oorkonden opgehelderd en bevestigd. Deel IV: Arnold van Egmond, hertog van Gelre (1423–1473). Arnhem, 1847. Deel V: De Bourgondische heerschappij (1473–1492). Arnhem, 1851. Deel VI,1: Karel van Egmond, hertog van Gelre, graaf van Zutphen (1492–1513). Arnhem, 1859.
  • Schilfgaarde, Anthonie Paul van, ed. ‘De onderwerping van de Geldersche bannerheeren aan den Roomsch-Koning (1499)’. Bijdragen en Mededelingen Gelre XXXII (1929): 129–140. Met transcriptie van het verslag van de Berghse secretaris, 14 en 15 januari 1499, op 136–140, naar het kopieboek in het archief van het Huis Bergh.
  • Slichtenhorst, Arend van. XIV boeken van de Geldersse geschiedenissen. Arnhem: Jacob van Biesen, 1654. Facsimile-uitgave Arnhem: Gysbers en Van Loon, 1967.

Literatuur

  • Ablaing van Giessenburg, W.J. d’. Bannerheeren en Ridderschap van Zutphen. ’s-Gravenhage, 1877.
  • Buylaert, Frederik, Sandro Carocci, Thijs Lambrecht, Christian D. Liddy, Alice Rio, Tristan W. Sharp, Alice Taylor, en Chris Wickham. ‘Lordship in the Later Middle Ages: A Round Table Discussion’. Past & Present 271, nr. 1 (2026): 273–312. https://doi.org/10.1093/pastj/gtaf011
  • Damen, Mario. ‘Heren met banieren. De baanrotsen van Brabant in de vijftiende eeuw’. In Bourgondië voorbij. De Nederlanden 1250–1650. Liber alumnorum Wim Blockmans, geredigeerd door Mario Damen en Louis Sicking, 139–158. Hilversum: Verloren, 2010.
  • Damen, Mario, en Jim van der Meulen. ‘The Seigneurial Landscapes of Riverine Brabant and Guelders (15th–16th Centuries)’. In Lordship and the Decentralized State in Late Medieval Europe, geredigeerd door Erika Graham-Goering, Jim van der Meulen en Frederik Buylaert, 162–179. Proceedings of the British Academy 268. Liverpool: Liverpool University Press, 2025.
  • Denessen, Henny. ‘De Gelderse bannerheren in de vijftiende eeuw’. Virtus. Journal of Nobility Studies 20 (2013): 11–37.
  • Heringa, J., eindred. Geschiedenis van Drenthe. Meppel en Amsterdam: Boom, 1985.
  • Keverling Buisman, F. ‘Adel en ridderschap in transitie: van landsheerlijke naar soevereine stand, 1543–1621’. In Adel en ridderschap in Gelderland. Tien eeuwen geschiedenis, geredigeerd door I.D. Jacobs, 53–96. Zwolle: WBooks en Gelders Archief, 2013.
  • Kuys, Jan. Drostambt en schoutambt. De Gelderse ambtsorganisatie in het kwartier van Zutphen (ca. 1200–1543). Hilversum: Verloren, 1994.
  • Mensema, A.J. De ridderschap van Overijssel. Le métier du noble. Zwolle: Waanders, 2000.
  • Meulen, Jim van der. ‘Seigneurial Governance and the State in Late Medieval Guelders (14th–16th Century)’. Continuity and Change 36, nr. 1 (2021): 33–59. https://doi.org/10.1017/S0268416021000084
  • Schaïk, Remi van. Belasting, bevolking en bezit in Gelre en Zutphen (1350–1550). Middeleeuwse studies en bronnen 6. Hilversum: Verloren, 1987.
  • Schimmelpenninck van der Oije, C.O.A. baron. ‘Geschiedenis Baer en Lathum’. Bijdragen en Mededelingen Gelre LXV (1972): 33–58.
  • Spiekhout, Diana. Het middeleeuwse kastelenlandschap van het Oversticht. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen, 2020.
  • Winter, Johanna Maria van. Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen. Arnhem: Gelderse Historische Reeks, 1962.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCIX des Vrydages nae sunte Johannes Baptista de la Salle dach, dat was op ten negenden dach der maent van Aprilis.