Zoeken

De adel

Inleiding

De adel vormt in de middeleeuwen een bepalende machtslaag binnen de samenlevingen van oostelijk Nederland. In gebieden als de Achterhoek, Twente, Salland, de Veluwe, en Drenthe is adellijke macht nauw verweven met grondbezit, rechtspraak, militaire organisatie, en bestuurlijke functies namens hogere heren. Hetzelfde geldt voor het Land van Vollenhove, het derde kwartier van het Oversticht, waar een kleine maar hardnekkige adel opereert in de schaduw van de bisschoppelijke macht.

Adel is daarbij geen statische categorie, maar een historisch gegroeide groep, waarin afkomst, bezit, dienst, en erkenning elkaar voortdurend beïnvloeden.

Wat is adel?

Zwaardgevecht door reenactmentgroep. Naar foto auteur (AI-gegenereerd).
Zwaardgevecht door reenactmentgroep. Naar foto auteur (AI-gegenereerd).

Onder adel wordt in de middeleeuwen een sociale groep verstaan die zich onderscheidt door erfelijke status, militaire functie, en politieke voorrechten. Deze status berust niet uitsluitend op geboorte, maar ook op erkenning door hogere machthebbers, zoals graven, hertogen, bisschoppen, of de koning. In oostelijk Nederland ontwikkelt de adel zich in wisselwerking met het hofstelsel (de organisatie van landbouw en bestuur rond een centraal hof), het leenwezen, en de opkomst van territoriale vorstendommen.

Binnen de adel bestaat een duidelijk onderscheid tussen hoge en lage adel. De hoge adel omvat dynastieën die omvangrijke territoria beheersen en directe banden onderhouden met de landsheer of de koning. In het oosten van het huidige Nederland blijft deze groep relatief beperkt. Veel prominenter is de lage adel: families die beschikken over een bescheidener machtsbasis, vaak geconcentreerd rond een burcht, versterkte hoeve, of havezate.

Ministerialiteit en dienstadel

Een belangrijk deel van de oost-Nederlandse adel vindt zijn oorsprong in de ministerialiteit. Dit zijn onvrije dienstlieden van een landsheer of kerkelijke instelling, die belast worden met bestuurlijke, militaire, en rechterlijke taken. In de loop van de twaalfde en dertiende eeuw weten veel van deze ministerialen hun positie tot erfelijk bezit te laten uitgroeien. Daarmee groeien zij uit tot een herkenbare dienstadel, die lokaal een stevige machtspositie inneemt.

In het graafschap en later hertogdom Gelre vormen de ministerialen van de Gelderse graven de kern van de regionale bestuursorganisatie. Van Winter heeft in haar standaardstudie over Gelre en Zutphen aangetoond hoe deze onvrije dienstlieden in de twaalfde en dertiende eeuw opgaan in de ridderstand, waarbij de grens tussen onvrij en vrij geleidelijk vervaagt.

In het Oversticht verloopt dit proces onder de regie van de bisschop van Utrecht. Adellijke families die als ministerialen in bisschoppelijke dienst treden, bekleden posten als burggraaf van bisschoppelijke burchten, rentmeester, of hofmeier. Hun positie is nauw gebonden aan bisschoppelijke benoeming en goedvinden, maar biedt in perioden van zwak bisschoppelijk gezag ruimte voor zelfstandige machtsuitbouw. In Twente, Salland, en het Land van Vollenhove tekent zich daarmee hetzelfde patroon af als in Gelre, maar dan gebonden aan een kerkelijke in plaats van een wereldlijke landsheer.

Grondbezit en economische basis

De macht van de adel rust in hoge mate op grondbezit. Adellijke families bezitten verspreide hoeven, erven, en rechten op woeste gronden. Daarnaast ontvangen zij inkomsten uit vaste heffingen, pachten, en tolrechten. In gebieden als de Achterhoek en Twente is dit bezit vaak versnipperd, wat leidt tot complexe netwerken van rechten en verplichtingen.

In Salland en het Land van Vollenhove is het grondbezit van de lage adel eveneens verspreid over een groot aantal kleine goederen. De havezaten in dit gebied vormen het juridische ankerpunt van dit bezit, maar niet altijd het economische middelpunt. Veel adellijke families in het Oversticht combineren grondbezit op meerdere locaties, vaak verspreid over twee of drie kwartieren.

In Drenthe ligt de situatie anders. Het grootschalige markenrecht (de collectieve exploitatie van woeste gronden, venen, en bossen door dorpsgemeenschappen) beperkt de mogelijkheden van individuele adellijke families om omvangrijke exclusieve grondbezittingen op te bouwen. Lokale elites nemen deel aan de marken en ontlenen daaraan inkomsten, maar op andere voorwaarden dan hun Gelderse of Overstichtse tegenhangers.

Adel, kerken en kloosters

De adel in oostelijk Nederland is onlosmakelijk verbonden met kerkelijke instellingen. Deze verwevenheid is niet alleen geestelijk van aard, maar in de eerste plaats politiek en economisch. Kerken, kapittels, en kloosters behoren tot de grootste grondbezitters in de regio, en adellijke families onderhouden met deze instellingen een veelzijdige en wederzijdse relatie.

Veel kloosters in Twente, Salland, en de Achterhoek danken hun stichting aan adellijke initiatieven. Adellijke families schenken grond, rechten, of inkomsten aan nieuwe kloostergemeenschappen, deels uit vroomheid, deels uit berekening. Dergelijke stichtingen versterken het zielenheil van de familie, maar vestigen tegelijkertijd een blijvende band tussen het geslacht en de instelling. Stichtersfamilies behouden vaak patronaatsrechten, waaronder invloed op de benoeming van abten of abdissen, en daarmee een mate van zeggenschap over het kloosterbezit.

In Drenthe vervullen kloosters als de abdij van Assen (gesticht omstreeks 1258 als cisterciënzerinnenklooster) en het klooster Dikninge een vergelijkbare rol. Zij zijn zowel adellijke stichtingen als economische machtscentra die zich via schenkingen en privileges een aanzienlijk grondbezit verwerven. Adellijke families in Drenthe bestendigen via deze kloosters hun positie in een gebied waar een sterke wereldlijke landsheer lange tijd ontbreekt.

Kloosters en kapittels fungeren daarnaast als bestemming voor jongere zonen en dochters van adellijke huize. Wie niet in aanmerking komt voor de erfopvolging van het familiegoed, kan via een kerkelijke loopbaan toch een positie innemen die past bij de stand van de familie. In vrouwenkloosters als die van Essen en Elten, en later ook kleinere stichtingen in Overijssel en Gelderland, bekleden adellijke vrouwen leidinggevende functies, soms met aanzienlijke bestuurlijke bevoegdheden over landerijen en onderhorigen.

De bisschop van Utrecht neemt in dit geheel een bijzondere positie in. Als landsheer van het Sticht is hij tegelijkertijd geestelijk leider en wereldlijk machthebber. Adellijke families die als ministerialen in dienst van de bisschop treden, opereren daarmee binnen een bestel waarin kerkelijke en wereldlijke macht samenvallen. De bisschop verleent ambten, bevestigt bezit, en beslist over geschillen, functies die hem tot een onmisbare schakel maken in de adellijke machtsstructuur van Twente, Salland, Vollenhove, en het Nedersticht.

Tegelijkertijd is de relatie tussen adel en kerkelijke instellingen niet vrij van spanning. Geschillen over grond, tiendrechten (het recht op een tiende deel van de oogst), en rechtsmacht komen veelvuldig voor. Adellijke families die eerder grond aan een klooster hebben geschonken, proberen soms die schenkingen terug te draaien of de voorwaarden te heronderhandelen wanneer de omstandigheden veranderen. Kloosters beroepen zich op hun beurt op oorkonden en pauselijke bevestigingen om hun bezit te verdedigen, een dynamiek die in de archieven van instellingen als het klooster Ter Hunnepe bij Deventer of de abdij van Aduard goed gedocumenteerd is.

De verwevenheid van adel en kerk reikt zo verder dan persoonlijke vroomheid. Zij vormt een structureel element van de middeleeuwse machtsverhoudingen, waarin grondbezit, familiestrategie, en institutionele belangen voortdurend op elkaar inwerken.

Huwelijkspolitiek en verwantschapsnetwerken

Adellijke macht is in de middeleeuwen niet alleen een kwestie van grondbezit en ambtelijke functies, maar ook van verwantschap. Huwelijken vormen het voornaamste instrument waarmee adellijke families hun positie bestendigen, uitbreiden, of herstellen. De keuze van een huwelijkspartner is zelden een persoonlijke aangelegenheid: zij is een strategische beslissing met gevolgen voor grondbezit, politieke allianties, en de rang van het geslacht over meerdere generaties.

In oostelijk Nederland, waar de lage adel overheerst en het bezit vaak versnipperd is, dienen huwelijken in de eerste plaats om het familiebezit bijeen te houden of te vergroten. Families zoeken partners binnen een vergelijkbare standsgroep en bij voorkeur binnen een beheersbare geografische reikwijdte. Dat leidt tot dichte verwantschapsnetwerken, waarin dezelfde geslachten over generaties heen herhaaldelijk met elkaar verbonden raken. In de Achterhoek zijn de onderlinge huwelijksbanden tussen families als de Van Heeckerens, Van Bronckhorsten, en Van Wischs hiervan een sprekend voorbeeld; in Salland en Twente vertonen de netwerken rond families als de Van Rechterens en de Van Ittersum een vergelijkbare structuur.

Verwantschap werkt ook als politiek ordeningsprincipe. In tijden van conflict, zoals de Gelderse partijstrijd tussen Heeckerens en Bronckhorsten in de veertiende eeuw, volgen allianties en vijandschappen grotendeels de lijnen van verwantschap en verzwagering. Verwantschapsnetwerken zijn daarmee niet slechts een familieaangelegenheid, maar een structureel element van de regionale machtsverhoudingen.

Wapens, zegels en adellijke identiteit

Het helmteken van de hertog van Gelre bestaande uit witte pauwenveren (bron: Wapenboek Gelre, Koninklijke Bibliotheek van België (KBR), hs. 15652-56).
Het helmteken van de hertog van Gelre bestaande uit witte pauwenveren (bron: Wapenboek Gelre, Koninklijke Bibliotheek van België (KBR), hs. 15652-56).

Adellijke macht is niet alleen zichtbaar in grondbezit, verwantschap, en burchten, maar ook in symbolen. Vanaf de twaalfde eeuw ontwikkelt zich in westelijk Europa een stelsel van heraldische tekens (wapens) waarmee adellijke families zich onderscheiden en herkenbaar maken. In oostelijk Nederland volgt deze ontwikkeling met enige vertraging, maar tegen het einde van de dertiende eeuw voeren de meeste adellijke geslachten in de regio een eigen wapen. Het Wapenboek Gelre, vervaardigd omstreeks 1370–1395, geeft een systematisch overzicht van de wapens van de Gelderse en aangrenzende adel en toont hoe breed de heraldische praktijk inmiddels is ingeburgerd.

Het wapen is in de eerste plaats een herkenningsteken op het slagveld, maar de functie reikt verder. Het wordt een erfelijk familieteken dat de continuïteit van het geslacht belichaamt. Het zegel vormt de juridische tegenhanger: adellijke heren bezegelen oorkonden, leenakten, en overeenkomsten met een persoonlijk zegel dat doorgaans het familiewapen draagt. Het voeren van een eigen zegel is daarmee niet alleen een praktische noodzaak, maar ook een teken van juridische handelingsbekwaamheid en maatschappelijke rang.

Naast wapen en zegel speelt ook de naamgeving een rol. Vanaf de twaalfde en dertiende eeuw gaan adellijke families zich in toenemende mate noemen naar hun voornaamste bezit: een burcht, havezate, of heerlijkheid. De naam Van Bronckhorst verwijst naar de burcht en heerlijkheid Bronkhorst, de naam Van Coevorden naar de burcht en heerlijkheid Coevorden. Deze koppeling van familienaam aan grondbezit verankert de identiteit van het geslacht in het landschap en maakt de band tussen familie en territorium voor tijdgenoten onmiddellijk herkenbaar.

Kastelen, burchten en havezaten

De materiële uitdrukking van adellijke macht manifesteert zich in kastelen, burchten, en later havezaten. Deze locaties fungeren als woonplaats, machtscentrum, en toevluchtsoord, maar ook als zichtbare symbolen van status en gezag. In de vroege fase gaat het vaak om houten of deels versteende versterkingen, zoals mottes (kunstmatige heuvels met een houten of stenen toren) en ringwalburchten (versterkingen omgeven door een aarden wal); pas later ontstaan stenen kastelen en representatieve adellijke huizen.

Huis Ruurlo, anno 1732. Naar een tekening van Cornelis Pronck (AI-gegenereerd).
Huis Ruurlo, anno 1732. Naar een tekening van Cornelis Pronck (AI-gegenereerd).

In het Gelderse en Zutphense gebied spelen dergelijke burchten een duidelijke rol binnen de territoriale machtsvorming van de landsheer, die via beleeningen, verwoestingen, of herbouw directe invloed uitoefent op het adellijke kastelenbestand. Kastelen functioneren hier niet alleen als particuliere residenties, maar ook als schakels binnen een groter politiek-militair netwerk.

In het Oversticht is het beeld gevarieerder dan de naam “niet-kasteelrijke regio” suggereert. Onderzoek heeft aangetoond dat er tussen 1050 en 1450 ten minste 134 bisschoppelijke burchten, adellijke huizen, en versterkingen in Twente, Salland, en het Land van Vollenhove hebben bestaan. Bisschoppelijke burchten en adellijke huizen hebben daarbij een fundamenteel verschillende functie: de bisschop bouwt strategische controlepunten langs waterwegen en grenzen; de adel gebruikt burchten als middelpunt van een lokale machtssfeer. In tijden van zwak bisschoppelijk gezag grijpt de adel de kans om eigen versterkingen op te trekken en daarmee zijn positie uit te breiden. In de latere middeleeuwen verschuift het adellijke machtscentrum in Twente en Salland naar de havezate. Deze adellijke huizen bezitten doorgaans een beperkte militaire functie en ontlenen hun betekenis vooral aan hun juridische status: alleen bezitters van een erkende havezate kunnen aanspraak maken op ridderschap, adellijke rechten, en toegang tot regionale bestuursfuncties. De havezate fungeert hier primair als sociaal en bestuurlijk ankerpunt van de lage adel, eerder dan als verdedigingswerk.

In Drenthe ontbreekt een vergelijkbare burchtencultuur grotendeels. Het landschap en de sociale verhoudingen bieden weinig ruimte voor sterk gemilitariseerde adellijke residenties. Lokale elites wonen veelal op versterkte of welvarende hoeven, die slechts in beperkte mate verdedigbaar zijn. De afwezigheid van een dominante landsheer en van een uitgekristalliseerde adelsstand weerspiegelt zich zo ook in het materiële erfgoed, waarin kastelen en havezaten een marginale rol spelen.

Adel en rechtspraak

Adellijke heren spelen een centrale rol in de lokale rechtspraak. Zij treden op als rechters of schouten namens de landsheer en oefenen lage of middelbare rechtspraak uit binnen hun heerlijkheden (gebieden waarover een heer rechten uitoefent). Deze juridische bevoegdheden versterken hun maatschappelijke positie en vormen tevens een belangrijke bron van inkomsten.

In Drenthe neemt de Etstoel (de Drentse vergadering van rechters en gerechtigden, waaraan zowel adellijke als niet-adellijke grondbezitters deelnemen) een centrale plaats in. Dat rechtsinstrument tekent de bijzondere positie van de Drentse elite: juridische macht is hier geen uitsluitend adellijk prerogatief, maar een gedeelde functie in een samenleving met een vlakkere standsstructuur dan in Gelre of het Oversticht.

Relatie tot landsheren

De oost-Nederlandse adel opereert binnen een spanningsveld van loyaliteit en zelfstandigheid. Enerzijds zijn adellijke families afhankelijk van de erkenning en bescherming door graven, hertogen, of bisschoppen. Anderzijds streven zij naar behoud en uitbreiding van hun eigen machtsruimte. Conflicten, allianties, en dienstverbanden wisselen elkaar daarbij af. In het Land van Vollenhove, waar de bisschop van Utrecht tegelijk landsheer en ver weg is, is de ruimte voor lokale zelfstandigheid soms groter dan elders in het Oversticht.

Leenhulde aan de landsheer. Naar de Gebroeders Van Limburg (AI-gegenereerd).
Leenhulde aan de landsheer. Naar de Gebroeders Van Limburg (AI-gegenereerd).

Regionale verschillen

Hoewel er gemeenschappelijke kenmerken zijn, bestaan er duidelijke regionale verschillen in de ontwikkeling en positie van de adel.

In Twente en Salland speelt de bisschop van Utrecht een dominante rol, waarbij adellijke families veelal optreden als ministerialen en ambtsdragers binnen een sterk kerkelijk machtsbestel. Hun status en invloed zijn hier nauw verbonden met dienst, benoeming, en loyaliteit aan de bisschoppelijke overheid.

In het Land van Vollenhove, het meest afgelegen kwartier van het Oversticht, is de adellijke aanwezigheid dun maar pertinent. Een kleine groep families beheerst er de toegang tot veen en woeste gronden. Het kwartier telt relatief weinig havezaten vergeleken met Salland, dat er in de late middeleeuwen meer dan zeventig bezit, maar de aanwezige adelsfamilies vervullen wel degelijk bestuurlijke en rechterlijke functies in opdracht van de bisschop.

In de Achterhoek (het kwartier van Zutphen) beïnvloeden de graven en later hertogen van Gelre de adellijke structuren in sterke mate. Adellijke families functioneren hier binnen een systeem van lenen en diensten en ontlenen hun macht aan militaire dienst, grondbezit, en regionale ambten. De dichtheid aan kastelen en versterkte huizen is hier opvallend hoog, wat wijst op een sterk gemilitariseerde adelscultuur waarin de verdediging van het grensgebied met het Sticht en met het graafschap Kleef een voortdurende factor is.

Op de Veluwe ligt het politieke zwaartepunt van het hertogdom Gelre, met Arnhem als bestuurlijk centrum. De Veluwse adel onderhoudt nauwe banden met de hertogelijke macht en is prominent vertegenwoordigd in de Gelderse Landdag.

In Drenthe ten slotte blijft de adellijke hiërarchie relatief vlak, mede door het ontbreken van een sterke territoriale landsheer. Lokale elites onderscheiden zich hier minder scherp van vrije boeren, wat leidt tot een afwijkend en minder hiërarchisch adelsbeeld.

Verandering en continuïteit

Vanaf de veertiende eeuw verandert de positie van de adel in oostelijk Nederland ingrijpend, al verloopt dat proces per regio in een eigen tempo en met eigen dynamiek.

Bezegeling van een oorkonde. Naar de Gebroeders Van Limburg (AI-gegenereerd).
Bezegeling van een oorkonde. Naar de Gebroeders Van Limburg (AI-gegenereerd).

In het hertogdom Gelre bouwen de hertogen een steeds strakker georganiseerd landsbestuur op. Adellijke families behouden daarbinnen functies als drost, richter, of kasteelheer, maar opereren steeds nadrukkelijker als dienaren van de landsheer in plaats van als zelfstandige machthebbers. De relatie is er een van wederzijdse afhankelijkheid: de hertog heeft de adel nodig voor zijn militaire slagkracht en regionaal gezag, de adel heeft de hertog nodig voor legitimatie en bescherming van haar bezit.

In het Sticht Utrecht leidt de verzwakking van het bisschoppelijk gezag juist tot onderlinge machtsstrijd tussen adellijke facties. De veertiende-eeuwse partijstrijd tussen de Heeckerens en de Bronckhorsten heeft zijn wortels niet alleen in heerszucht, maar ook in verwantschap en in concurrerende claims op bisschoppelijke ambten en goederen.

In het Oversticht wordt de adel in de loop van de vijftiende eeuw formeel georganiseerd. Vanaf 1424 treedt de ridderschap van Overijssel op als een gestructureerd collectief dat namens de adellijke stand deelneemt aan de Statenvergadering. Toegang tot dat collectief is gebonden aan het bezit van een erkende havezate en een aantoonbaar adellijke afstamming, voorwaarden die de grens tussen adel en niet-adel scherper trekken dan zij ooit was geweest.

In Drenthe, waar een sterke territoriale landsheer ontbreekt, organiseert de lokale elite zich rond de Etstoel en deelt zij haar invloed met niet-adellijke grondbezitters. Een scherpe standenscheiding zoals in Gelre of het Oversticht kristalliseert hier niet in dezelfde mate uit.

Dwars door deze regionale verschillen heen tekent zich een gemeenschappelijke ontwikkeling af: de formalisering van de adel als stand. De ridderschap (het collectief van erkende adellijke families) verwerft een vaste plaats in de Landdag en de Statenvergaderingen, waar zij naast de steden meebeslist over belastingheffing, wetgeving, en landsverdediging. Toegang tot deze stand wordt steeds strikter gereguleerd: het bezit van een erkende havezate, een adellijke afstamming over meerdere generaties, en een levenswijze die past bij de stand worden voorwaarden voor toelating.

De opkomst van steden als economische en politieke machtsfactor vormt daarbij een nieuw spanningsveld. Steden als Deventer, Zwolle, en Zutphen concurreren met de adel om rechtsmacht, marktrechten, en politieke invloed. Sommige adellijke families passen zich aan door huwelijksbanden met het stedelijk patriciaat aan te gaan; andere trekken zich terug op hun landgoederen en benadrukken juist het onderscheid. De krijgsman-op-eigen-burcht van de twaalfde eeuw heeft zo plaatsgemaakt voor de ambtsdrager, de standgenoot, en de landdagafgevaardigde, een verschuiving die de adel niet opheft, maar haar grondig hervormt.

Slotbeschouwing

De adel in oostelijk Nederland vormt geen homogene elite, maar een gelaagde en dynamische groep. Haar macht is gebaseerd op een combinatie van dienst, bezit, recht, en erkenning, waarbij regionale omstandigheden steeds een bepalende rol spelen. Gelre, het Oversticht, en Drenthe kennen elk hun eigen adelsprofiel, maar zijn door verwantschapsnetwerken, gedeelde bestuurstradities, en politieke wederzijdse afhankelijkheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Door deze factoren in samenhang te beschouwen, wordt duidelijk hoe diep de adel is verankerd in de politieke en sociale structuren van de middeleeuwen.

Gebruikte bronnen en literatuur

Primaire bronnen en edities

  • Wapenboek Gelre, ca. 1370–1395. Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel, hs. 15652–56. Digitale facsimile. (geraadpleegd augustus 2026).

Literatuur

  • Damen, M.J.M. & A. Janse, ‘Adel in meervoud. Methodologische beschouwingen over comparatief adelsonderzoek in de Bourgondische Nederlanden’, Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 124 (2009), p. 517–540.
  • Denessen, H., ‘De Gelderse bannerheren in de vijftiende eeuw’, Virtus 20 (2013).
  • Gietman, C., Republiek van adel: Eer in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1555–1702), Utrecht: Van Gruting, 2010.
  • Heringa, J. (red.), Geschiedenis van Drenthe, Meppel: Boom, 2003 (oorspr. 1985), p. 171–196.
  • Kuys, J., Drostambt en schoutambt, Hilversum: Verloren, 1994, p. 109–124.
  • Mensema, A.J., Js. Mooijweer & J.C. Streng, De ridderschap van Overijssel: Le métier du noble, Zwolle: Waanders, 2000.
  • Schimmelpenninck van der Oije, C.O.A. e.a. (red.), Adel en ridderschap in Gelderland: tien eeuwen geschiedenis, Zwolle: WBOOKS, 2013.
  • Spek, T., Het Drentse esdorpenlandschap: Een historisch-geografische studie, Utrecht: Matrijs, 2004, p. 992–1000.
  • Spiekhout, D., Het middeleeuwse kastelenlandschap van het Oversticht: De ontwikkeling van bisschoppelijke burchten, adellijke huizen en versterkingen in relatie tot het landschap en de samenleving in Noordoost-Nederland tussen 1050 en 1450, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, 2020.
  • Steensel, A. van, ‘Beyond the Crisis of the Nobility. Recent Historiography on the Nobility in the Medieval Low Countries II’, History Compass 12/3 (2014), p. 273–286.
  • Van Winter, J.M., Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, Arnhem: Gouda Quint, 1962, p. 58–110.
  • Van Winter, J.M., ‘Adel en ridderschap in Gelre, tiende tot dertiende eeuw’, in: C.O.A. Schimmelpenninck van der Oije e.a. (red.), Adel en ridderschap in Gelderland: tien eeuwen geschiedenis, Zwolle: WBOOKS, 2013, p. 13–29.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCIX des Sonnedages nae Heilige Gregorius de Grote dach, dat was op ten vijfden dach der maent van Septembris.