Zoeken

De bisschop als landsheer

Het rijkskerkensysteem

In 1046 schenkt keizer Hendrik III Ψ voor de tweede maal een nauwkeurig omschreven graafschap aan het bisdom Utrecht: de grafelijke rechten in Hamaland, het latere graafschap Zutphen. De schenking past in een patroon dat teruggaat tot de Ottoonse keizers. De achterliggende gedachte is dat bisschoppen en abten — gebonden aan het celibaat, de verplichting ongehuwd te blijven, en dus zonder wettige erfgenamen — minder geneigd zijn hun ambt tot een erfelijk familiebezit te maken dan wereldlijke graven.

Bij het overlijden van een bisschop vallen de aan hem toevertrouwde rechten terug aan de kroon, die vervolgens opnieuw een vertrouweling kan benoemen. Op die manier hoopt de keizer de lokale dynastievorming in te dammen.

Reconstructie van een investituur: een keizer verleent grafelijke rechten aan een bisschop. Scènes als deze vormden de grondslag van het bisschoppelijke landsheerschap (AI-gegenereerd).
Reconstructie van een investituur: een keizer verleent grafelijke rechten aan een bisschop. Scènes als deze vormden de grondslag van het bisschoppelijke landsheerschap (AI-gegenereerd).

Deze politiek staat bekend als het rijkskerkensysteem, een term die in de negentiende-eeuwse Duitse geschiedschrijving is gemunt. De praktijk is echter minder planmatig dan de naam doet vermoeden. Timothy Reuter heeft er in 1982 op gewezen dat de keizers lang niet altijd greep hadden op bisschopsbenoemingen, dat bisschoppen hun eigen regionale belangen nastreefden, en dat van een bewust opgezet stelsel eigenlijk geen sprake was. Wat er wél was, is een geleidelijk gegroeide gewoonte om bisschoppen in te zetten als bestuurlijke tegenspelers van de lokale adel. In het geval van Utrecht heeft die gewoonte verstrekkende gevolgen gehad.

De achtereenvolgende keizers maken bij de invulling van het benoemingsrecht vooral gebruik van edele zonen die niet tot het plaatselijke gravenhuis behoren. Oorspronkelijk worden alleen rijksgoederen aan de bisschoppen vergeven — munt- en tolrechten, jachtrechten, het beheer van koninklijk domein. Onder de Salische keizers, de opvolgers van de Ottonen, worden de schenkingen omvangrijker: nu gaan ook complete grafelijke rechten naar het bisdom. Daarmee krijgt de bisschop van Utrecht niet alleen geestelijk, maar ook wereldlijk gezag over grote delen van wat nu Oost-Nederland is.

De opbouw van het Oversticht

De verwerving van wereldlijk gezag door de Utrechtse bisschoppen in het gebied ten oosten van de IJssel verloopt in fasen. Het begint klein. In 944 verleent keizer Otto I Ψ aan bisschop Balderik Ψ het recht van wildban — het alleenrecht op de jacht op groot wild — in het bos Fulnaho bij Vollenhove. Het is nog geen grafelijk gezag, maar het vestigt de bisschoppelijke aanwezigheid in een gebied dat tot dan toe ver van Utrecht af ligt.

De beslissende stap volgt in 1024, wanneer keizer Hendrik II Ψ het graafschap Drenthe aan bisschop Adelbold II Ψ overdraagt. Daarmee wordt de bisschop voor het eerst rijksvorst in het gebied ten noorden van de IJssel. In 1042 voegt keizer Hendrik III daar het graafschap Salland aan toe, en in 1046 volgt de eerder genoemde schenking van Hamaland. In 1086 tenslotte komt ook de IJsselgouw, die grotendeels samenvalt met Salland, onder bisschoppelijk gezag. Twente, dat eerder al in de bisschoppelijke invloedssfeer was geraakt, wordt eveneens in deze periode stevig aan het Sticht verbonden.

Het geheel van deze gebieden ten oosten van de IJssel — Salland, Twente, het land van Vollenhove en Drenthe, aangevuld met de stad Groningen — staat vanaf de dertiende eeuw bekend als het Oversticht, ter onderscheiding van het Nedersticht rond de stad Utrecht. Het Oversticht is geen eenheid. De afzonderlijke landsdelen behouden hun eigen rechtstraditie, hun eigen ridderschap en hun eigen verhouding tot de bisschop. Salland, Twente en Vollenhove ontwikkelen zich geleidelijk tot een min of meer samenhangend bestuursgebied, maar het afgelegen Drenthe en de stad Groningen laten zich weinig aan de bisschop gelegen liggen en gaan in hoge mate hun eigen gang.

Bisschoppelijk bestuur in de praktijk

Er zit een structureel probleem in de positie van de bisschop als landsheer. Door zijn wijding kan een bisschop — of een abt — geen recht spreken in wereldlijke zaken en evenmin persoonlijk ten strijde trekken. Voor beide taken heeft hij plaatsvervangers nodig: graven of voogden voor de rechtspraak, en een militaire bevelhebber voor de oorlogvoering. In de praktijk worden voor die functies vaak de lokale graven benoemd. Dat levert een paradoxale situatie op: de graven die voorheen rechtstreeks onder de keizer vielen, ontvangen hun voorvaderlijke rechten nu uit handen van een bisschop. Niet iedereen waardeert die afhankelijkheid. In de loop van de elfde en twaalfde eeuw proberen meerdere grafelijke families hun positie ten koste van de bisschop uit te breiden.

Prefect en banierdrager

De militaire verdediging van het bisdom wordt aanvankelijk toevertrouwd aan een prefect, een functionaris die het bisschoppelijke leger aanvoert met een hoge mate van zelfstandigheid. Het ambt is in de tiende en vroege elfde eeuw in handen van de Ansfried-familie, waartoe ook de Utrechtse graaf Balderik behoort. Na Balderiks dood in 1021 en het toewijzen van diverse graafschappen aan het bisdom heeft bisschop Adelbold van Utrecht (1010–1026) geen behoefte meer aan een prefect die onafhankelijk van de bisschop zijn eigen militaire koers vaart. Van een Utrechtse prefect wordt na Balderik in ieder geval niets meer vernomen.

In de plaats van de prefect treedt de banierdrager op de voorgrond. Anders dan de prefect is de banierdrager een ministeriaal — een onvrije dienstman die bestuurlijke of militaire taken vervult voor zijn heer — en daarmee veel sterker aan de bisschop gebonden. Het is overigens een misverstand dat de banierdrager de rechtstreekse opvolger van de prefect is. Beide ambten bestaan al vóór de elfde eeuw naast elkaar. Er is reden om aan te nemen dat ook vóór het wegvallen van de prefectuur een bisschoppelijk leger onder leiding van een banierdrager actief was. Met het verdwijnen van de prefect neemt de banierdrager vermoedelijk enkele van diens taken over, maar het gaat om een verschuiving in gewicht, niet om een formele opvolging.

Over de banierdragers is weinig overgeleverd. De kerk heeft er geen belang bij de wereldlijke gezagsdragers in hun — al dan niet erfelijke — ambten te bevestigen, omdat schriftelijke vastlegging aanspraken op ambten en een onafhankelijke positie stimuleert.

De graven van Goor als banierdrager en beschermvoogd

De bisschop heeft, zoals gezegd, graven of voogden nodig om namens hem recht te spreken. In het Oversticht oefenen de graven van Goor die taak uit. Zij dragen twee titels: signifer episcopi Trajectensis (banierdrager van de bisschop van Utrecht) en advocatus ecclesie Trajectensis (beschermvoogd van de Utrechtse kerk). Beide ambten vullen elkaar aan. De beschermvoogd verdedigt de kerkelijke rechten in juridische zin, de banierdrager voert het bisschoppelijke leger aan. In de praktijk liggen de twee functies in elkaars verlengde.

De eerst bekende beschermvoogd is Godschalk (II) Ψ. Hij wordt genoemd tijdens het episcopaat van bisschop Bernold van Utrecht (1027–1054). In het Roomse Rijk is het gebruikelijk dat de graaf in wiens graafschap de bisschopszetel ligt tevens banierdrager en beschermvoogd wordt. De situatie in Utrecht vormt hier op het eerste gezicht een uitzondering, want de stad Utrecht ligt in het graafschap Nifterlake en niet in Twente. Maris — die in 1954 een studie wijdde aan de ontwikkeling van de Utrechtse voogdij tot het maarschalkambt — vermoedt dat de tijdelijke verplaatsing van de bisschopszetel naar Deventer tijdens de Noormanneninvallen (negende en vroege tiende eeuw) ten grondslag ligt aan het feit dat de graven van Twente deze ambten kregen. Een sluitende verklaring is dat niet. Deventer is al in 917 door de bisschoppen verlaten en ligt bovendien niet in Twente maar in Salland. Als de benoeming uit de Deventer-periode stamt, dan zou benoeming van de Hamalandse graaf logischer zijn geweest.

In het Nedersticht vervullen de heren van Ameide een vergelijkbare rol als banierdrager en voogd. De twee constructies — Goor voor het Oversticht, Ameide voor het Nedersticht — vormen samen het militaire en juridische raamwerk waarbinnen de bisschop zijn landsheerlijk gezag kan uitoefenen.

Vollenhove als bisschoppelijk steunpunt

Het eerste steunpunt van de bisschop ten oosten van de IJssel is Vollenhove. Sinds de schenking van het wildbanrecht in 944 beschikt de bisschop hier over een voet aan de grond. Bij de bisschoppelijke hof — de zogeheten “olde hof” — vestigen zich ministerialen die namens de bisschop het beheer voeren over het omliggende domein. In 1165 vervangt bisschop Godfried van Rhenen Ψ de eenvoudige versterking door een stenen burcht, het latere Oldehuis. De directe aanleiding is een conflict met graaf Floris III van Holland Ψ over de invloed in Friesland, maar de burcht heeft een bredere functie: zij markeert het bisschoppelijke gezag in een gebied dat kwetsbaar is voor aanvallen van de Stellingwerver Friezen en voor de ambities van naburige vorsten.

Reconstructie van een bisschoppelijke motte-burcht aan de rand van een waterrijk gebied, zoals de vroegste versterking bij Vollenhove er omstreeks 1165 kan hebben uitgezien (AI-gegenereerd).
Reconstructie van een bisschoppelijke motte-burcht aan de rand van een waterrijk gebied, zoals de vroegste versterking bij Vollenhove er omstreeks 1165 kan hebben uitgezien (AI-gegenereerd).

 

Vollenhove groeit in de eeuwen daarna uit tot het belangrijkste bestuurscentrum van het Oversticht. Borgmannen en edelen vestigen zich in de nabijheid van het kasteel. Via de Ridderschap van Vollenhove werken zij mee aan rechtspraak en bestuur. In 1354 verleent bisschop Jan van Arkel stadsrechten aan Vollenhove. Tot aan de overdracht van de wereldlijke macht in 1528 functioneert het Oldehuis als de bisschoppelijke residentie voor het Oversticht, een soort zomerpaleis op twee dagreizen van Utrecht. De waterverbinding via de Vecht en de Zuiderzee maakt het kasteel bereikbaar zonder door Gelders of Hollands gebied te hoeven trekken — een niet onbelangrijk voordeel in tijden van conflict.

De grenzen van het bisschoppelijke gezag

De investituurstrijd en het Concordaat van Worms

De logica van het rijkskerkensysteem staat en valt met het keizerlijke benoemingsrecht. Zolang de keizer bepaalt wie bisschop wordt, heeft hij er belang bij het bisdom te ondersteunen. Die logica wordt in de loop van de elfde en twaalfde eeuw ondermijnd door de investituurstrijd — het conflict tussen keizer en paus over de vraag wie het recht heeft bisschoppen aan te stellen. In 1122 eindigt het conflict met het Concordaat van Worms, waarin de keizer afstand doet van het recht op investituur (het verlenen van de ring en staf waarmee een bisschop in zijn ambt wordt bevestigd). Voortaan draagt het domkapittel kandidaten voor, en bevestigt de paus de benoeming.

De gevolgen voor het bisdom Utrecht zijn aanzienlijk. De keizer heeft nu geen direct belang meer bij de integriteit van het bisdom en laat de bisschop in toenemende mate aan zijn lot over. Het domkapittel in Utrecht moet het benoemingsrecht delen met vier andere kapittelkerken in de stad, wat de procedure kwetsbaar maakt voor druk van buitenaf. De graven van Holland en de graven — later hertogen — van Gelre, wier territoria het bisdom aan weerszijden insluiten, proberen invloed uit te oefenen op de bisschopsverkiezing. Vanaf de veertiende eeuw grijpt ook de paus steeds vaker rechtstreeks in en benoemt bisschoppen zonder acht te slaan op de voordracht van de kapittels.

Drenthe en de burggraven van Coevorden

Nergens wordt de kwetsbaarheid van het bisschoppelijke gezag zo zichtbaar als in Drenthe. Het gewest ligt in een uithoek van het bisdom, gescheiden van het overige Oversticht door uitgestrekte veenmoerassen die alleen bij Coevorden gepasseerd kunnen worden. De bisschop stelt daar een burggraaf aan die namens hem het dagelijks bestuur voert vanuit een versterking op een kunstmatig opgehoogde heuvel — een zogeheten motte. Maar Drenthe is ver weg en de bisschop heeft zijn aandacht elders nodig.

Het kasteel van Coevorden. De huidige bebouwing staat op het restant van de middeleeuwse motte waarop de burggraven hun versterking hadden (AI-gegenereerd naar foto auteur)..
Het kasteel van Coevorden. De huidige bebouwing staat op het restant van de middeleeuwse motte waarop de burggraven hun versterking hadden (AI-gegenereerd naar foto auteur)..

Omstreeks 1141 plaatst bisschop Hartbert van Bierum Ψ verwanten in de belangrijkste bestuurlijke posities in het Oversticht: zijn broer Ludolf Ψ wordt prefect van Groningen, zijn broer Leffard Ψ burggraaf van Coevorden. Het burggraafschap wordt erfelijk — en daarmee begint een twee eeuwen durend conflict.
De erfelijkheid van het ambt is bedoeld als beloning, maar zij werkt als een boemerang. De burggraven gaan zich in de loop van de twaalfde eeuw steeds zelfstandiger gedragen. Zij beschouwen Coevorden en Drenthe geleidelijk als hun eigen machtsgebied en komen herhaaldelijk in conflict met de bisschop. Die conflicten culmineren in 1227 in de Slag bij Ane, waarbij bisschop Otto II van Lippe Ψ sneuvelt en het bisschoppelijke leger door een Drents boerenleger onder leiding van burggraaf Rudolf II van Coevorden Ψ wordt vernietigd. Het bisschoppelijke gezag over Drenthe herstelt zich daar nooit volledig van.

Pas in 1402 doet de laatste burggraaf, Reinoud IV Ψ, formeel afstand van zijn rechten. Daarna wordt Coevorden bestuurd door niet-erfelijke drosten, maar het Drentse zelfbestuur in eigen dingspelen (plaatselijke rechtskringen) en de eigen rechtspraak van de etten (rechters) blijft grotendeels intact. De bisschop is in Drenthe landsheer in naam, maar zijn feitelijke greep op het gewest is altijd beperkt gebleven.

De druk van Gelre en Holland

Ook van buitenaf komt het bisdom onder druk. De graven van Holland breiden hun macht uit ten koste van het Nedersticht: graaf Floris V Ψ ontneemt de bisschop omstreeks 1270 Amstelland, Waterland, het Gooi en Woerden. De graven van Gelre richten zich op het Oversticht. Na een reeks onafgeloste leningen van de Gelderse graaf aan de bisschop moet deze in 1196 de Veluwe afstaan. Daarmee wordt de geografische scheiding tussen Neder- en Oversticht definitief.

In de vijftiende en vroege zestiende eeuw wordt het Oversticht het strijdtoneel van de Gelderse oorlogen. Hertog Karel van Gelre Ψ bezet grote delen van Overijssel en zelfs Drenthe. Ridderschap en Steden van Overijssel zoeken uiteindelijk bescherming bij de Habsburgse vorst Karel V. Op 21 oktober 1528 draagt bisschop Hendrik van Beieren — in het nauw gebracht door opstanden in zijn bisschopsstad en verslagen in zijn oorlog met Gelre — de wereldlijke macht in Sticht en Oversticht over aan de keizer. Na ruim vijf eeuwen komt daarmee een einde aan het bisschoppelijke landsheerschap in Oost-Nederland.

Bronnenlijst

Primaire bronnen en edities

Literatuur

    • Arnold, B., Princes and Territories in Medieval Germany, Cambridge: Cambridge University Press, 1991.

    • Buitelaar, A.L.P., De Stichtse ministerialiteit en de ontginningen in de Utrechtse Vechtstreek, Hilversum: Verloren, 1993.

    • Dekker, C., Het Kromme Rijngebied in de Middeleeuwen. Een institutioneel-geografische studie, Zutphen: De Walburg Pers, 1983.

    • Eldevik, J., Episcopal Power and Ecclesiastical Reform in the German Empire: Tithes, Lordship, and Community, 950–1150, Cambridge: Cambridge University Press, 2012.

    • Fruin, R., ‘Over de graven van Zutphen vóór 1190’, in: De Nederlandsche Leeuw 41/11–12 (1923), kolom 310.

    • Kalveen, C.A. van, Het bestuur van bisschop en Staten in het Nedersticht, Oversticht en Drenthe, 1483–1520, Assen, 1974.

    • Maris, A.J., Van voogdij tot maarschalkambt. Bijdrage tot de geschiedenis der Utrechts-bisschoppelijke staatsinstellingen, voornamelijk in het Nedersticht, Utrecht: Boekhandel H. de Vroede, 1954.

    • Noordzij, A., Gelre. Dynastie, land en identiteit in de late middeleeuwen (dissertatie Universiteit Leiden), Hilversum: Verloren, 2009.

    • Reuter, T., ‘The “Imperial Church System” of the Ottonian and Salian Rulers: A Reconsideration’, in: The Journal of Ecclesiastical History 33/3 (1982), 347–374.

    • Winter, J.M. van, ‘Bisschop Balderic en de rijkskerk’, in: Geschiedenis van de provincie Utrecht tot 1528, Wageningen: Het Spectrum, 1997, 106–108.

    • Winter, J.M. van, ‘Otto de Rijke van Zutphen (ca. 1050–1113) — een legpuzzel’, in: Bijdragen en Mededelingen, Historisch jaarboek voor Gelderland 93, Arnhem: Vereniging Gelre, 2002.

Online bronnen

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende IV des Wonnesdages op sunte Bruno de Kartuizer dach, dat was op ten zesden dach der maent van Octobris.