Zoeken

De landsheer

Inleiding

De Graafschap ontleent zijn naam aan de graven van Zutphen. In de middeleeuwen ontwikkelen zij zich tot de belangrijkste wereldlijke machthebbers in de oostelijke Nederlanden. Hun positie is dubbel: zij zijn graaf van Zutphen en tegelijk graaf – vanaf 1339 hertog – van Gelre. Daarmee behoren zij tot de hogere adel van het Heilige Roomse Rijk. [1]

Toch opereren zij niet in een machtsvacuüm. In hetzelfde gebied zijn ook andere landsheren actief, zoals de graven van (Zuid-)Hamaland, Lohn, Meurs, Dalen, Kleef, Twente en de latere graven van Bergh. Afhankelijk van de omstandigheden treden deze families op als concurrenten, bondgenoten of leenmannen. Daarnaast oefenen ook bannerheren en kerkelijke machthebbers gezag uit. Dit roept de kernvraag op: wat maakt iemand tot landsheer, en welke taken en bevoegdheden horen daarbij? [2]

De graaf als ambtsdrager

Het Frankische en later Karolingische rijk is bestuurlijk ingedeeld in gouwen. Deze gouwen zijn geen strikt afgebakende territoria, maar vooral landschappen met een zekere bestuurlijke samenhang. Voor het bestuur en de rechtspraak binnen zo’n gouw stelt de koning of keizer een vertegenwoordiger aan: de graaf (Latijn: comes, Oudgermaans: grafio). [3]

In het gebied van de latere Graafschap Zutphen vallen deze gouwen samen met oude landschappelijke eenheden langs IJssel, Berkel en Oude IJssel. Het ambtsgebied van een graaf wordt doorgaans aangeduid als graafschap. Anders dan de gouw is dit een bestuurlijke eenheid, verbonden aan een persoon en zijn ambt. De graaf oefent zijn gezag niet uit op basis van persoonlijk eigendom, maar namens de vorst. Hij is verantwoordelijk voor rechtspraak, bestuur, militaire organisatie en het beheer van koninklijke domeinen, die in Zutphen en omgeving grotendeels uit koningsgoed langs riviercorridors bestaan. [4]

De hertog: oorsprong en ontwikkeling

Reenactmentgroep Woud der Verwachting. (Foto: Peter Wouters)
Reenactmentgroep Woud der Verwachting. (Foto: Peter Wouters)

De hertog heeft aanvankelijk een andere functie dan de graaf. Het woord is afgeleid van het Oudduitse herizogo: legeraanvoerder. In de vroegmiddeleeuwse Germaanse wereld wordt een hertog vaak gekozen vanwege zijn militaire kwaliteiten. In de Merovingische tijd staat de hertog in rang boven de graaf en voert hij het bevel over meerdere gouwen of tijdelijke legerverbanden. [5]

Tijdens de Karolingische tijd krijgt de hertog vooral betekenis in grensgebieden van het rijk. Daar is hij opperbevelhebber over uitgestrekte regio’s die blootstaan aan externe dreiging. Door de afstand tot het centrale gezag en de omvangrijke volmachten die hij in oorlogstijd bezit, kan een grenshertog zich relatief gemakkelijk aan het gezag van de vorst onttrekken. [6]

In de periode van circa 1000 tot 1500 ontwikkelt de hertog zich tot een landsheer met zowel militaire als civiel-bestuurlijke bevoegdheden. In rang en aanzien staat hij boven de graaf, al verschillen de feitelijke machtsverhoudingen sterk per regio en periode. [7]

Het leenstelsel als bestuurlijk fundament

De basis van het landsheerlijke gezag ligt in het leenstelsel. Om zijn ambt te kunnen uitoefenen ontvangt de graaf of hertog land in leen van de vorst. Dit land omvat niet alleen grond, maar ook rechten, inkomsten en de mensen die er wonen. [8]

De landsheer spreekt recht, int boeten (waarvan een deel aan de vorst wordt afgedragen), beheert domeinen, oefent het bestuur uit en roept in tijden van oorlog de heerban op. Voor die militaire organisatie beleent hij op zijn beurt vertrouwelingen met land. In ruil daarvoor leveren zij militaire en bestuurlijke diensten en leggen zij een eed van trouw af. Dit hiërarchische systeem van wederzijdse verplichtingen vormt lange tijd een belangrijk raamwerk voor bestuur en militaire organisatie, maar kent in de praktijk grote regionale variatie en is minder uniform dan oudere historiografie veronderstelt. [9]

Van ambtsdrager naar landsheer

In de vroege fase staat de graaf formeel onder nauw toezicht van de vorst. In het geval van Gelre speelt daarbij de nabijheid van het keizerlijk hof in Nijmegen een rol. Voor het kwartier van Zutphen geldt bovendien dat het gebied relatief vroeg wordt ontsloten via de IJssel, waardoor koninklijke aanwezigheid en controle aanvankelijk sterker zijn dan in meer perifere streken. [10]

Naarmate de Duitse keizers zich meer in het oosten van het rijk concentreren, verzwakt deze controle. In de Achterhoek en langs de oostgrens van het rijk komt het dagelijkse bestuur steeds meer in handen van lokale grafelijke vertegenwoordigers. De landsheer verenigt in zijn persoon uiteenlopende taken: hij is bestuurder, rechter, militair leider en financieel beheerder. Hij wordt bijgestaan door een raadskring en, vanaf de late middeleeuwen, door vertegenwoordigers van steden en adel in de standenvergadering. [11]

Wanneer de keizerlijke macht verder afneemt, gaan landsheren hun ambtsgebied steeds vaker als persoonlijk bezit beschouwen, al blijft dit proces afhankelijk van lokale omstandigheden, onderhandelingen en bestaande rechten. In de praktijk is hij dan niet langer uitvoerder van hoger gezag, maar zelfstandig machthebber, waarbij vooral in Zutphen en de omliggende heerlijkheden sprake is van een geleidelijke overgang van koningsgoed naar grafelijk domein. [12]

Het erfelijk worden van het ambt

Zegel van Frederik I 'Barbarossa' uit 1162.(Siegel Friedrich I., CC BY-SA 4.0 <https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0>, via Wikimedia Commons)
Zegel van Frederik I ‘Barbarossa’ uit 1162.(Siegel Friedrich I., CC BY-SA 4.0  via Wikimedia Commons)

In 1158 erkent keizer Frederik I Barbarossa Ψ formeel dat grafelijke ambten erfelijk zijn, waarmee een reeds langer bestaande praktijk juridisch wordt gelegitimeerd. In de praktijk is deze ontwikkeling al eerder ingezet, maar vanaf dit moment is zij ook juridisch gelegitimeerd. [13]

Met het ambt gaan omvangrijke rechten gepaard: het heffen van tollen, het oproepen van de heerban, het aanstellen van rechters, het innen van boeten, het beheer van woeste gronden, jacht- en visrechten, wind- en veerrechten en het innen van tienden. Vooral de tollen vormen een cruciale inkomstenbron. Zo bestaat in de veertiende eeuw een aanzienlijk deel van de Gelderse inkomsten uit de Rijndoorvaart bij Lobith. [14]

Door deze rechten wordt het grafelijk gezag in hoge mate versterkt, zonder dat daarmee alle banden met hoger gezag of andere machtsdragers verdwijnen. De graaf of hertog treedt nu zelf op als landsheer en beleent kleinere heren, die hem op hun beurt leenhulde verschuldigd zijn. [15]

Een rondtrekkend hof

De middeleeuwse landsheer kent geen vaste hoofdstad. Zijn gezag berust op persoonlijke aanwezigheid, en daarom is hij voortdurend onderweg. Hij verblijft afwisselend in burchten, steden, kloosters en tijdelijke legerkampen. Ook van de Gelderse graven en hertogen zijn itineraria bekend, die hun reispatroon reconstrueren. [16]

De graaf van Gelre rijdt langs de IJssel (AI-gegenereerd).
De graaf van Gelre rijdt langs de IJssel (AI-gegenereerd).

Binnen het kwartier van Zutphen spelen Zutphen zelf en enkele strategisch gelegen burchten een belangrijke rol als tijdelijke verblijfsplaatsen. De stad Zutphen fungeert daarbij niet alleen als bestuurlijk centrum, maar ook als knooppunt van rechtspraak en inkomsten. Niet de volledige hofhouding reist mee. Grote residenties, zoals Nijmegen en Rosendael, fungeren als administratieve en logistieke centra. De echtgenotes van landsheren reizen minder frequent, maar ook zij verplaatsen zich geregeld, waarbij aanzienlijke hoeveelheden huisraad en kostbaarheden worden meegenomen. [17]

Machtstoename en territoriale groei

In de loop van de middeleeuwen weten landsheren hun machtspositie te versterken, vaak in onderhandeling met keizerlijke en kerkelijke gezagsdragers, en niet uitsluitend ten koste van hen. Dit gebeurt door aankoop van rechten, door ruiltransacties en vooral door strategische huwelijken. Zo ontstaat een versnipperd geheel van territoria, waarbij rechtspraak, belastingheffing en militaire bevoegdheden niet altijd samenvallen. [18]

De situatie wordt verder gecompliceerd doordat landsheren ook gebieden in leen kunnen houden van bisschoppen, terwijl zij tegelijk zelf als leenheer optreden. Het resultaat is een bestuurlijk complex geheel van overlappende rechten en verplichtingen, waarin gezag zelden absoluut is en voortdurend moet worden bevestigd. [19]

Ambitie en dynastieke politiek

Militaire veroveringen blijken vaak tijdelijk. Duurzamer zijn territoriale uitbreidingen die via huwelijken tot stand komen. Een samenhangend machtsgebied vergt een doordachte en langetermijngerichte dynastieke politiek. [20]

Binnen Gelre is deze strategie al in de dertiende eeuw zichtbaar. De grafelijke familie positioneert zich bewust binnen de Nederrijnse vorstenwereld. Dit beleid bereikt zijn hoogtepunt in 1339, wanneer Gelre tot hertogdom wordt verheven. [21]

Bestuur van een versnipperd gebied

Het Gelderse territorium vormt geen aaneengesloten geheel. Het bestaat uit verspreide gebieden in het huidige Nederland en Duitsland. Vanaf het midden van de veertiende eeuw worden deze samengebracht in vier kwartieren: Nijmegen, Arnhem, Zutphen en het Overkwartier rond Roermond. [22]

Grenzen blijven veranderlijk. Steden, ridderschap en bannerheren beschikken lokaal over aanzienlijke macht. De landsheer moet zijn gezag voortdurend bevestigen, via rechtspraak, diplomatie, militaire middelen en culturele representatie. Hofcultuur, architectuur, kunst en kleding spelen hierbij een wezenlijke rol. [23]

Rechtspraak en waterstaat

Rechtspraak behoort tot de kerntaken van de landsheer. Aanvankelijk wordt recht gesproken op hoven en burchten, later ook in steden. In het kwartier van Zutphen ontwikkelt de stad Zutphen zich vroeg tot een belangrijk juridisch centrum, waar zowel stedelijke als landsheerlijke rechtspraak samenkomen. Zware misdrijven blijven doorgaans onder directe landsheerlijke jurisdictie. [24]

Ook waterbeheer valt onder zijn verantwoordelijkheid. Langs de IJssel en in het rivierengebied rond Zutphen is dijkzorg van groot belang. Door het uitvaardigen van dijkbrieven worden niet alleen dijkbewoners, maar ook het achterland verplicht bij te dragen aan onderhoud en bescherming. Uit deze praktijk ontstaan later de waterschappen. De titel dijkgraaf herinnert aan deze landsheerlijke oorsprong, die in Gelre vooral in de veertiende eeuw duidelijk zichtbaar wordt. [25]

Inkomsten en financiële basis

De landsheer bekostigt het bestuur uit eigen middelen. Zijn inkomsten bestaan uit domeinopbrengsten, pachten, tienden, tollen, banrechten, muntslag en verpachting van rechten. Structurele belastingen zijn uitzonderlijk. [26]

Alleen bij bijzondere gelegenheden kan een bede worden gevraagd, bijvoorbeeld voor een kruistocht, huwelijk, losgeld of territoriale inlossing. Deelname is formeel vrijwillig en wordt expliciet als zodanig gepresenteerd. [27]

Verdeling van macht en ambten

Naarmate het bestuur complexer wordt, delegeert de landsheer taken aan gespecialiseerde functionarissen. In Gelre wordt daarbij veelvuldig een beroep gedaan op ministerialenfamilies, die door hun leenband nauw aan de landsheer zijn verbonden. [28]

Daarnaast worden ook leden van de adel in bestuurlijke functies benoemd, zij het vaak tijdelijk om machtsconcentratie te voorkomen. Aan het hof ontstaan in de dertiende en veertiende eeuw vaste ambten zoals drossaard, maarschalk, kamerling en schenker. [29]

Literatuur

  1. W. Jappe Alberts, Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der middeleeuwen, ’s-Gravenhage 1966, p. 39–48.
  2. J.M. van Winter, Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen, Arnhem 1962, p. 15–58.
  3. C. Wickham, Framing the Early Middle Ages. Europe and the Mediterranean 400–800, Oxford 2005, p. 153–190.
  4. W. de Vries, De opkomst van Zutphen, Assen 1960, p. 19–32.
  5. H.-W. Goetz, Die Wahrnehmung anderer Ordnungen. Feudalismus in der Diskussion, Berlijn 2000, p. 55–72.
  6. J.C. Schmitt, La société féodale revisitée, Parijs 1999, p. 87–104.
  7. G. Nijsten, In the Shadow of Burgundy. The Court of Guelders in the Late Middle Ages, Cambridge 2004, p. 11–34.
  8. S. Reynolds, Fiefs and Vassals. The Medieval Evidence Reinterpreted, Oxford 1994, p. 16–38.
  9. M. Damen, Ridders en edelen. Politieke en sociale verhoudingen in het hertogdom Gelre, ca. 1350–1500, Hilversum 2001, p. 45–63.
  10. W. Jappe Alberts, 1966, p. 48.
  11. J. Kuys, Drostambt en schoutambt. De Gelderse ambtsorganisatie in het kwartier van Zutphen (ca. 1200–1543), Hilversum 1994, p. 26–57.
  12. G. Nijsten, 2004, p. 35–52.
  13. H.-W. Goetz, 2000, p. 101–118.
  14. W. Jappe Alberts, 1966, p. 58.
  15. M. Damen, 2001, p. 64–82.
  16. W. Jappe Alberts, De graven en hertogen van Gelre op reis, Utrecht 1984.
    G. Nijsten,
    Het Hof van Gelre. Cultuur ten tijde van de hertogen uit het Gulikse en Egmondse huis (1371–1473), Kampen 1993, p. 388-391.
  17. G. Nijsten, 2004, p. 73–95.
  18. C. Wickham, 2005, p. 561–590.
  19. J.-C. Schmitt, 1999, p. 141–158.
  20. M. Damen, 2001, p. 123–146.
  21. W. Jappe Alberts, 1966, p. 68-70.
  22. W. Jappe Alberts, 1966, p. 40-58.
  23. G. Nijsten, 2004, p. 145–170.
  24. J. Kuys, 1994, p. 81–108.
  25. T. Spek, Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie, Utrecht 2004, p. 401–430.
  26. W. Jappe Alberts, 1966, p. 57-70.
  27. M. Damen, 2001, p. 201–218.
  28. J.M. van Winter, 1962, p. 59–77.
  29. J. Kuys, 1994, p. 145–176.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM des Saterdages op sunte Bonaventura dach, dat was op ten vijftienden dach der maent van Julii.