Inleiding
De markt heeft een belangrijke functie in het ontstaan en de ontwikkeling van de middeleeuwse stad. Stedelijke nederzettingen ontstaan niet uitsluitend rond een burcht, abdij of grafelijke residentie, maar vooral op knooppunten van handel en verkeer.
De markt fungeert als ontmoetingsplaats waar agrarische producten uit de directe omgeving worden verhandeld en waar goederen van verder weg worden aangevoerd door rondreizende kooplieden. Deze handelaren bereiken de stad per schip, vooral langs rivieren als IJssel en Rijn, of over land via hessenwegen en andere doorgaande routes. In het Gelderse rivierengebied en het bisschoppelijke Oversticht — met de IJsselsteden Deventer, Kampen, en Zwolle als voornaamste knooppunten — ontwikkelen markten zich tot de kern van het stedelijke economische leven. In het Twentse achterland, waar plaatsen als Oldenzaal en Ootmarsum een overwegend agrarisch karakter behouden, blijft de markt kleinschaliger maar vervult zij een vergelijkbare functie als schakel tussen stad en platteland.De aanwezigheid van een markt brengt een reeks stedelijke voorzieningen met zich mee. Herbergen bieden onderdak aan kooplieden, pakhuizen zorgen voor tijdelijke en veilige opslag van goederen, en een waag garandeert controle op maat en gewicht. Voor de beslechting van conflicten die uit het handelsverkeer voortkomen, is een dinghuis of gerechtelijke ruimte beschikbaar. Samen vormen deze instellingen een samenhangend economisch en juridisch kader dat kenmerkend is voor stedelijke samenlevingen in de middeleeuwen. De markt is daarbij geen neutraal economisch gegeven, maar een bewust ingerichte en gecontroleerde ruimte, waarin het stadsbestuur via regelgeving en toezicht grip houdt op handel, prijzen, en toegang tot de stedelijke economie.
Marktrecht
Het recht om een markt te houden is geen vanzelfsprekendheid. In de middeleeuwse rechtsorde is marktrecht een privilege dat wordt verleend door de hoogste gezagsdrager — de keizer, de koning, of in hun naam de landsheer. Zonder deze verlening heeft een nederzetting geen juridische grondslag om een markt te organiseren, kooplieden te ontvangen, of marktgelden te heffen. Het marktrecht omvat doorgaans het recht op het houden van een weekmarkt of jaarmarkt, het heffen van tol en marktgelden, en het handhaven van de marktvrede — de bijzondere rechtsorde die gedurende de markt geldt en die kooplieden beschermt tegen geweld en willekeur.
De vroegste gedocumenteerde marktrechtverlening in Oost-Nederland betreft Oldenzaal. In 1049 verleent keizer Hendrik III marktrecht aan deze nederzetting in Twente, waarmee Oldenzaal een formele positie verwerft als handelsplaats onder keizerlijk gezag. De verlening bevestigt de betekenis die de nederzetting al heeft als kerkelijk centrum rond de Plechelmusbasiliek. In het Oversticht is het vervolgens de bisschop van Utrecht die als landsheer marktrechten verleent aan plaatsen als Deventer, Zwolle, en Kampen — vaak in samenhang met de verlening van stadsrechten. In het Gelderse gebied ligt het marktrecht bij de graaf en later de hertog van Gelre, die het inzet als instrument om nederzettingen aan zich te binden en zijn inkomsten uit tolheffingen en marktgelden veilig te stellen.
De verlening van marktrecht is daarmee niet alleen een economische maar ook een politieke handeling. De landsheer bepaalt waar handel mag plaatsvinden, onder welke voorwaarden, en wie daarvan profiteert. Het marktrecht bindt de stad aan haar heer en verplicht haar tegelijk tot het handhaven van de marktvrede en het afdragen van een deel van de opbrengsten. In ruil ontvangt de stad bescherming en een bevoorrechte positie ten opzichte van het omliggende platteland.
Nauw verbonden met het marktrecht is de tolheffing. Kooplieden die goederen over water of land naar een stad vervoeren, betalen tol bij het passeren van een tolplaats. De opbrengst gaat naar de landsheer of, wanneer het tolrecht is verpand of overgedragen, naar de stad zelf. Langs de IJssel liggen meerdere tolplaatsen dicht bij elkaar. Zutphen, Deventer, en Kampen heffen elk tol op het rivierverkeer, wat de kosten voor kooplieden opdrijft maar tegelijk de inkomsten van stad en landsheer veiligstelt. De grote Gelderse tol te Lobith, geheven op het scheepvaartverkeer dat de Rijn opvaart richting het Duitse achterland, is de voornaamste van het hertogdom en een vaste bron van landsheerlijke inkomsten.
De tolheffing leidt regelmatig tot spanningen tussen steden onderling. Elke stad heeft belang bij het aantrekken van kooplieden, maar tegelijk bij het heffen van tol op doorvoer. Wanneer een stad haar toltarieven verhoogt of nieuwe tollen instelt, wijken handelaren uit naar concurrerende routes. Dit mechanisme beperkt de vrijheid van individuele steden en dwingt hen tot een zeker evenwicht — een evenwicht dat niet altijd standhoudt. De wisselwerking tussen tol, marktrecht, en onderlinge concurrentie bepaalt in hoge mate de economische verhoudingen tussen de Oost-Nederlandse steden.
Dagelijkse en wekelijkse markt
Het economische verkeer in en rond de stad speelt zich af op verschillende typen markten. De eenvoudigste vorm is de dagelijkse markt, die vanaf de dertiende eeuw in de meeste Oost-Nederlandse steden een vaste plaats inneemt en voorziet in de directe levensbehoeften van de stedelijke bevolking. Hier worden producten als vlees, vis, zout, en graan verhandeld. Deze markten hebben een sterk lokaal karakter en staan onder permanent toezicht van het stadsbestuur. In steden als Zutphen en Deventer is deze dagelijkse markt nauw verbonden met de directe agrarische omgeving langs IJssel en Berkel, waar boeren hun producten afzetten binnen een door de stad bewaakt kader van maten, gewichten, en kwaliteit. In Kampen speelt de vismarkt een bijzondere rol: de ligging aan de IJsselmonding maakt de stad tot een natuurlijk overslagpunt voor vis uit de Zuiderzee, en de vishandel groeit uit tot een van de pijlers van de stedelijke economie. In kleinere plaatsen als Oldenzaal blijft de dagelijkse markt beperkter van omvang en overwegend gericht op het agrarische achterland van Twente.

De markt is niet alleen een economisch begrip maar ook een fysieke ruimte die bewust wordt ingericht. Het marktplein vormt het hart van de stad. In Deventer fungeert de Brink — een van de grootste marktpleinen van de oostelijke Nederlanden — als vaste locatie voor dagelijkse, wekelijkse, en jaarmarkten. Aan het plein staat de waag, waar goederen worden gewogen en gecontroleerd op maat en gewicht. De Deventer waag geldt als het oudste als zodanig gebouwde waaggebouw van Nederland; het huidige gebouw dateert uit 1528, maar de weegfunctie op deze plek is aanzienlijk ouder. In Zutphen wordt in 1371 voor het eerst een vleeshuis vermeld — een overdekte hal waar de verkoop van vlees onder toezicht van het stadsbestuur plaatsvindt. Dergelijke hallen scheiden de handel in bederfelijke waren van de open markt en maken gerichte kwaliteitscontrole mogelijk. Naast vaste gebouwen kent het marktplein tijdelijke kramen en uitstallingsplaatsen, die per product zijn ingedeeld. Deze ruimtelijke ordening is geen toeval maar beleid: het stadsbestuur bepaalt wie waar staat, en de indeling weerspiegelt de hiërarchie tussen stedelijke burgers en buitenstedelijke aanbieders.
Het stadsbestuur staat in de uitvoering van het markttoezicht niet alleen. Gilden — samenwerkingsverbanden van kooplieden of ambachtslieden binnen een bepaalde bedrijfstak — spelen een aanvullende rol in de regulering van kwaliteit, prijs, en toegang tot de markt. In Deventer bevat de koopmansgilderol, die de periode 1249 tot 1387 bestrijkt, de statuten van het lakenkoopmansgilde en de namen van zijn leden. Het gilde stelt regels vast voor de handel in laken, bewaakt de kwaliteit van het aangeboden product, en bepaalt wie tot de handel wordt toegelaten. In Zutphen zijn gilden vanaf het laatste kwart van de veertiende eeuw gedocumenteerd. Zij functioneren als verlengstuk van het stadsbestuur: de stad stelt het kader, het gilde voert de dagelijkse controle uit op de markt. De verhouding tussen stadsbestuur en gilden is daarbij niet vrij van spanning — gilden streven naar eigen invloed op het stedelijk beleid, terwijl het stadsbestuur zijn greep op de marktregulering niet wil verliezen.
Daarnaast bestaat de wekelijkse markt, die doorgaans samenvalt met de dag waarop recht wordt gesproken. Deze markt bedient niet alleen de stad zelf, maar ook het omliggende platteland. Juist op dit snijvlak van stad en platteland fungeert de markt als instrument van stedelijke machtsuitoefening, waarbij stedelijke elites voorwaarden stellen aan wie mag handelen en onder welke condities. Prijs en kwaliteit van de aangeboden goederen staan onder strikte controle van burgemeesters en later speciaal aangestelde marktmeesters. Voor elk product bestaat een vaste verkoopplaats, wat overzicht en controle bevordert. Ook in IJsselsteden als Zutphen en Deventer leidt deze ruimtelijke ordening tot een duidelijke scheiding tussen stedelijke burgers en buitenstedelijke aanbieders, zichtbaar in de indeling van het marktplein.
Vreemde kooplieden zijn op de weekmarkt gebonden aan plaatselijke regels. Zij krijgen doorgaans een minder gunstige plek toegewezen, vaak aan de rand of onder aan de markt, terwijl de beste plaatsen zijn voorbehouden aan de eigen burgerij. Prijzen worden aan het begin van de markt officieel vastgesteld, genoteerd op een lei, en mogen gedurende de marktdag niet worden gewijzigd. Deze regulering geldt niet alleen voor marktproducten, maar ook voor goederen als brood en bier, waarvan prijs en kwaliteit onder dagelijkse controle staan. In Oldenzaal markeert een marktsteen op de Groote Markt de grens van het handelsgebied: pas wie “voorbij den groten stein” is gekomen, zo vermeldt het Stadboek van 1619, mag zijn waren uitstallen. De praktijk is vermoedelijk ouder dan de bron, en illustreert hoe marktrecht niet alleen juridisch maar ook ruimtelijk en ceremonieel wordt afgebakend. Via dergelijke maatregelen versterkt het stadsbestuur zijn autonomie en structureert het de economische afhankelijkheid van het omliggende platteland.
De stapelmarkt
Een bijzondere vorm van marktregulering, die in de Lage Landen vooral vanaf de dertiende en veertiende eeuw opkomt, is de stapelmarkt. Hierbij zijn producenten uit een bepaald gebied verplicht hun goederen eerst op één aangewezen markt aan te bieden. In de Graafschap Zutphen en het hertogdom Gelre komt deze marktvorm echter niet of nauwelijks voor. Langs de IJssel liggen meerdere steden met eigen rechtsmacht dicht bij elkaar. Deventer en Zutphen concurreren rechtstreeks met elkaar, waardoor een effectief stapelrecht moeilijk afdwingbaar is. Juist deze nabijheid maakt zichtbaar hoe markten in de regio functioneren binnen een netwerk van steden, waarin kooplieden strategisch kiezen waar zij hun waren aanbieden. Kooplieden kunnen eenvoudig uitwijken naar een naburige stad waar de verplichting niet geldt.
In het Oversticht geldt een vergelijkbare situatie. Deventer, Kampen, en Zwolle liggen alle drie aan de IJssel en beconcurreren elkaar om dezelfde handelsstromen. Geen van de drie slaagt erin een stapelrecht af te dwingen ten koste van de andere twee. Het polycentrische karakter van het stedelijke landschap in Oost-Nederland — meerdere steden van vergelijkbare omvang en rechtsmacht, zonder één dominante metropool — verhindert de concentratie van handelsstromen die een stapelmarkt veronderstelt.
Daar komt bij dat de regio geen uitgesproken specialisatie kent in een product dat als fundament voor een stapelmarkt kan dienen. Steden als Brugge bouwen hun economische macht op lakenproductie, terwijl Keulen bekendstaat om de wijnhandel. In het oostelijke rivierengebied ontbreekt een dergelijke dominante exportgrondstof, wat de ontwikkeling van een stapelmarkt verder beperkt.

De Hanze en de markt
Vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw organiseren kooplieden uit Noord-Europa zich in een samenwerkingsverband dat bekendstaat als de Hanze. Aanvankelijk is dit een informeel netwerk van handelaren die gezamenlijk hun handelsroutes beschermen en toegang tot buitenlandse markten veiligstellen. In 1356 wordt de Hanze omgezet in een formeel verbond van steden, met Lübeck als voornaamste deelnemer. Langs de IJssel treden meerdere steden toe: Kampen, Deventer, Zwolle, Zutphen, Doesburg, Hattem, en Arnhem. De Hanze reikt daarmee diep in Oost-Nederland.
Het Hanze-lidmaatschap heeft directe gevolgen voor de lokale marktstructuur. Hanzesteden hanteren onderling afspraken over handelsrechten, doorvoerheffingen, en toegang tot buitenlandse markten. Deze afspraken kunnen botsen met de plaatselijke marktverordeningen van het stadsbestuur. De IJsselsteden ondervinden dit spanningsveld aan den lijve: de belasting die zij als Hanzestad moeten heffen op de doorvoer van goederen tussen oost en west drukt op de lokale handel en roept weerstand op bij kooplieden die gewend zijn aan de eigen stedelijke regels. Zwolle onderhoudt lange tijd een los-vaste relatie met het verbond, en treedt pas in 1407 formeel toe — een teken dat de afweging tussen Hanze-voordelen en lokale autonomie niet vanzelfsprekend is.
Tegelijkertijd biedt de Hanze toegang tot een netwerk van privileges dat de eigen markt overstijgt. Kamper kooplieden handelen in de Oostzee, Deventer trekt via het Hanze-netwerk handelaren aan uit het Rijnland en Engeland, en Zutphen profiteert van de doorvoerhandel langs de IJssel. De Hanze versterkt zo de positie van de IJsselsteden als bovenregionale handelscentra, maar legt tegelijk beperkingen op aan de vrijheid waarmee het stadsbestuur zijn eigen markt kan reguleren.
De jaarmarkten

De derde en meest omvangrijke marktvorm is de jaarmarkt. Deze markten hebben een uitzonderlijke juridische status. Gedurende de jaarmarkt worden plaatselijke keuren en verordeningen gedeeltelijk buiten werking gesteld. Kooplieden, ook uit gebieden waarmee men in conflict verkeert, krijgen een vrijgeleide. In die zin functioneert de jaarmarkt tijdelijk als een vrijhaven voor de handel.
De belangrijkste jaarmarkt vindt plaats in het najaar, wanneer de oogst binnen is en pacht en tijnzen moeten worden voldaan. Dit is ook het moment waarop boeren overtollig vee verkopen en wintervoorraden worden aangelegd. De zogeheten Koldemarkt past in deze cyclus en is vanaf de dertiende eeuw ook in steden van de oostelijke Nederlanden bekend als moment waarop regionale en bovenregionale handel samenkomen. Daarnaast bestaan er meerdere jaarmarkten verspreid over het jaar, vaak gekoppeld aan kerkelijke feestdagen, zoals Johannesmarkt (rond 24 juni), Sint-Jacobsmarkt (rond 25 juli), en Sint-Maartensmarkt (11 november). Deze markten duren doorgaans één tot twee weken.
De Deventer jaarmarkt neemt in Oost-Nederland een bijzondere positie in. Al in de elfde eeuw vermeld, geldt zij als een van de oudste en drukst bezochte markten van de Lage Landen. Kooplieden uit het Rijnland, het Oostzeegebied, en Engeland bezoeken de markt, die daarmee een bovenregionaal karakter heeft dat de meeste andere markten in de regio niet bereiken. De jaarmarkt versterkt de positie van Deventer als handelsknooppunt en draagt bij aan de groei van de stad tot een van de voornaamste IJsselsteden.
Hoewel jaarmarkten bekendstaan om vermaak, kermissen, en rondtrekkende artiesten, ligt hun kernfunctie in de grootschalige handel. Voor de plattelandsbevolking vormen zij tegelijk een zeldzaam sociaal en cultureel uitje. Overtredingen van lokale regels worden tijdens de jaarmarkt doorgaans milder bestraft, vooral waar het gaat om dobbelspel, weddenschappen, en drankgebruik. Deze tijdelijke versoepeling onderstreept het bijzondere karakter van de jaarmarkt binnen het stedelijke leven. Daarmee fungeert de markt in de oostelijke Nederlanden als een structureel bindmiddel tussen stad en platteland, waar economische uitwisseling, bestuurlijke regulering, en sociale ontmoeting samenkomen.
Primaire bronnen en edities
- Stadboek Oldenzaal (1619). Historisch Centrum Overijssel, Zwolle.
Literatuur
- Alberts, W. Jappe, De middeleeuwse stad, Bussum, 1968.
- Hoppenbrouwers, Peter, Village Communities and the Organization of Power in the Medieval Low Countries, Turnhout, 2010.
- Howell, Martha, Commerce before Capitalism in Europe, 1300–1600, Cambridge, 2010.
- Kloos, W.B., De stedebouwkundige ontwikkeling in Nederland, Amsterdam, 1947.
- Meulen, Jim van der, ‘Seigneurial Governance and the State in Late Medieval Guelders’, Continuity and Change 36(2), 2021.
- Nicholas, David, Stad en platteland in de middeleeuwen, Bussum, 1971.
- Stabel, Peter, Dwarfs among Giants. The Flemish Urban Network in the Late Middle Ages, Leuven, 1997.
- Van Bavel, Bas, Manors and Markets. Economy and Society in the Low Countries, 500–1600, Oxford, 2010.
Online bronnen
- Canon van Nederland, ‘De koopmansgilderol’, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/salland/deventer/koopmansgilderol (geraadpleegd 14 maart 2026).
- Canon van Nederland, ‘De Hanze’, https://www.canonvannederland.nl/nl/overijssel/salland/zwolle/hanze (geraadpleegd 14 maart 2026).
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnedages voor Heilige Laurentius dach, dat was op ten negenden dach der maent van Augusti.