Zoeken

Het Heilige Roomse Rijk (911-1024)

Het Saksische huis

De Liudolfinger — naar hun stamvader graaf Liudolf — zijn een Saksische adelsfamilie die tussen 919 en 1024 het Oost-Frankische en later het Heilige Roomse Rijk regeert. Door de drie keizers die de naam Otto dragen, staat de dynastie ook bekend als de Ottonen. Hun kerngebied ligt in het Saksische stamhertogdom, het gebied dat ruwweg overeenkomt met het latere Nedersaksen, Westfalen, en de oostelijke Nederlanden — inclusief het huidige Overijssel en Drenthe. De Ottoonse heersers zijn, anders gezegd, heersers uit de eigen regio. Dat de Saksische hertogsfamilie uitgroeit tot de machtigste dynastie van het tiende-eeuwse Europa heeft directe gevolgen voor Oost-Nederland: het is onder de Ottonen dat de bisschoppen van Utrecht hun eerste schenkingen van grafelijke rechten ontvangen, en daarmee de kiem leggen voor het latere bisschoppelijke landsheerschap in het Oversticht.

Het artikel behandelt ook de kortstondige regering van Koenraad I Ψ, die strikt genomen geen Liudolfinger is maar als overgangsfiguur tussen het Karolingische huis en de Saksische dynastie onmisbaar is voor het verhaal.

Koenraad I Ψ, 911-918

Na de dood van Lodewijk IV ‘het Kind’ Ψ, de laatste Oost-Frankische Karolinger, in 911 kiezen de Frankische, Saksische, Beierse en Zwabische groten een niet-Karolingische koning: Koenraad I Ψ, hertog van Franken en telg uit het Konradinerhuis. Het is de eerste keer dat de koningswaardigheid in het Oost-Frankische Rijk niet langs dynastieke weg vererft maar door verkiezing wordt toegekend.

Koenraad I staat voor een ondankbare taak. De stamhertogen van Saksen, Beieren en Zwaben gedragen zich als zelfstandige vorsten en erkennen zijn gezag nauwelijks. Tegelijkertijd teisteren de Hongaren — bereden boogschutters uit de Pannonische vlakte — het rijk met plundertochten die tot diep in Saksen en Lotharingen reiken. Koenraad slaagt er niet in de hertogen tot gehoorzaamheid te dwingen. In 913 gaat Lotharingen verloren aan het West-Frankische Rijk, een prestigeverlies van formaat.

Op zijn sterfbed in 918 neemt Koenraad een opmerkelijk besluit: hij wijst zijn machtigste tegenstander, de Saksische hertog Hendrik, aan als opvolger. Het is een politieke daad die getuigt van realiteitszin — of van wanhoop. Koenraads eigen broer Eberhard brengt de rijksinsignia persoonlijk naar de Saks. De Konradiner stappen vrijwillig opzij.

Hendrik I van Saksen ‘de Vogelaar’ Ψ, 919-936

Volgens overlevering is Hendrik bezig met zijn favoriete bezigheid — de vogeljacht — wanneer hij hoort dat hij tot koning is aangewezen. Het verhaal is vermoedelijk een literaire constructie van de kroniekschrijver Widukind van Corvey, bedoeld om Hendriks bescheidenheid en ongedwongenheid te benadrukken. Maar de kern klopt: de verkiezing in 919 komt voort uit het besef dat alleen de machtigste hertog het uiteenvallende rijk bijeen kan houden.

Hendrik I kiest een radicaal andere koers dan zijn voorganger. Waar Koenraad I de hertogen probeerde te onderwerpen, behandelt Hendrik hen als gelijken — als amici, vrienden, in het vocabulaire van de tijd. Hij erkent de feitelijke macht van de hertogen van Beieren, Zwaben en Franken en vraagt in ruil hun erkenning als koning. Het is heerschappij door consensus in plaats van confrontatie. Recent onderzoek benadrukt dat deze werkwijze geen zwaktebod is, maar een bewuste strategie die past bij de politieke cultuur van de vroege tiende eeuw, waarin persoonlijke banden zwaarder wegen dan ambten of instellingen.

Met de binnenlandse verhoudingen gestabiliseerd, keert Hendrik zich tegen de buitenlandse dreigingen. In 921 sluit hij het Verdrag van Bonn met de West-Frankische koning Karel III ‘de Eenvoudige’ Ψ, waarmee beide rijken elkaars zelfstandigheid erkennen. Belangrijker is de militaire hervorming: Hendrik laat een netwerk van versterkte nederzettingen aanleggen en traint een cavalerie die de beweeglijke Hongaarse ruiterij het hoofd kan bieden. In 933 verslaat hij de Hongaren bij Riade, de eerste grote overwinning op de beruchte plunderaars. Ook de Slavische volkeren aan de oostelijke grens en de Deense heerser Gnupa in Haithabu (het huidige Sleeswijk) worden onderworpen. Bohemen wordt schatplichtig gemaakt.

Hendrik I verslaat de Hongaren bij Riade in 933. De overwinning is het directe resultaat van zijn militaire hervormingen: een netwerk van versterkte nederzettingen en een zwaardere cavalerie die de beweeglijke Hongaarse boogschutters het hoofd kan bieden. Het is de eerste keer dat een Oost-Frankische koning de plunderaars een beslissende nederlaag toebrengt (AI-gegenereerd).
Hendrik I verslaat de Hongaren bij Riade in 933. De overwinning is het directe resultaat van zijn militaire hervormingen: een netwerk van versterkte nederzettingen en een zwaardere cavalerie die de beweeglijke Hongaarse boogschutters het hoofd kan bieden. Het is de eerste keer dat een Oost-Frankische koning de plunderaars een beslissende nederlaag toebrengt (AI-gegenereerd).

Hendrik I is eerst getrouwd met Hadeburg Ψ, dochter van Eberwin (I) van Merseburg Ψ en Hildegard Ψ, op haar beurt dochter van Koenraad van Lahngouw ‘de Oudere’ Ψ. Deze Koenraad is de vader van Koenraad I, zodat er familiebanden bestaan met het Konradinerhuis. Hendrik I wordt de stamvader van de Ottonen.

Hendrik I trouwt na de dood van zijn eerste vrouw in 909 een tweede keer met Mathilde Ψ, dochter van Diederik van Ringelheim Ψ en Reginhild Ψ, dochter van Godfried II van Haithabu ‘de Deen’ Ψ en Gisela Ψ. Gisela is de dochter van koning Lothar (II) van Lotharingen Ψ. Op deze wijze wordt het recht op het koningschap versterkt door Karolingisch bloed — een strategie die de Liudolfinger zorgvuldig in stand houden. Mathilde zelf zal na Hendriks dood een invloedrijke rol spelen als koningin-weduwe, onder meer via haar stichtingen in Quedlinburg en Nordhausen.

Voor Oost-Nederland is Hendriks heerschappij van indirect belang. Als Saksische hertog beheerst hij het stamgebied waartoe ook de gouwen ten westen van de Weser en het IJsselgebied behoren. De grafelijke structuren in deze gebieden functioneren nog binnen het Saksische kader; van een zelfstandig bisschoppelijk gezag in het Oversticht is nog geen sprake. Dat verandert onder zijn opvolgers.

Otto I ‘de Grote’ Ψ, 936-973

Zilveren penning geslagen in naam van Otto I. De munt circuleert in een handelsgebied dat zich uitstrekt van het Saksische kernland tot Noord-Italië en weerspiegelt de aanspraken van de Ottoonse dynastie op het keizerschap.
Zilveren penning geslagen in naam van Otto I. De munt circuleert in een handelsgebied dat zich uitstrekt van het Saksische kernland tot Noord-Italië en weerspiegelt de aanspraken van de Ottoonse dynastie op het keizerschap.
Munt van Otto I. De zilveren penning weerspiegelt de aanspraken van de Ottoonse dynastie op het keizerschap en circuleert in een gebied dat zich uitstrekt van Saksen tot Noord-Italië.

Otto I volgt zijn vader in 936 op en laat zich in Aken kronen — bewust in navolging van de Karolingische traditie. Waar Hendrik I de hertogen als vrienden behandelde, eist Otto ondergeschiktheid. De Akense kroning, waarbij de hertogen van Lotharingen, Franken, Zwaben en Beieren symbolische hofdiensten verrichten als kamerheer, schenker, maarschalk en drossaard, maakt de hiërarchie zichtbaar. De toon is gezet.

De eerste jaren verlopen stormachtig. Otto’s eigen broer Hendrik, zijn zoon Liudolf en diverse hertogen komen in opstand. De familietwisten weerspiegelen een structureel probleem: Otto wil het koningschap centraliseren, terwijl de hertogen vasthouden aan hun verworven zelfstandigheid. De conflicten duren tot het midden van de jaren 950.

Het keerpunt komt in 955. Op het Lechfeld, ten zuiden van Augsburg, verplettert Otto’s leger de Hongaren in een veldslag die een einde maakt aan decennia van plundertochten naar het westen. De overwinning bezegelt Otto’s positie als onbetwist heerser en levert hem de bijnaam ‘de Grote’ op. In hetzelfde jaar verslaat hij de Slavische Abodriten aan de Recknitz.

Otto I neemt Lotharingen af van de West-Frankische koning door in 939 hertog Giselbert te verslaan, zodat Lotharingen weer onder Oost-Frankisch gezag valt. In 959 wordt Lotharingen, sinds de negende eeuw een twistappel tussen het Oost- en West-Frankische Rijk, gesplitst in de hertogdommen Opper- en Neder-Lotharingen. Beide blijven onder de Duitse kroon. De titel van Neder-Lotharingen zal op den duur vererven aan het huis van Verdun (Ardennen).

Otto I in tiende-eeuws ivoor. Het reliëf toont de keizer in vol ornaat en drukt de sacrale dimensie uit die het Ottoonse keizerschap kenmerkt — een gezag dat zich niet alleen op militaire macht beroept, maar ook op goddelijke genade.
Otto I in tiende-eeuws ivoor. Het reliëf toont de keizer in vol ornaat en drukt de sacrale dimensie uit die het Ottoonse keizerschap kenmerkt — een gezag dat zich niet alleen op militaire macht beroept, maar ook op goddelijke genade.

Drie expedities naar Italië brengen het noorden van het schiereiland onder Otto’s gezag. In 951 trouwt hij met Adelheid Ψ (ca. 931–999), weduwe van de Italiaanse koning Lothar, en verwerft daarmee aanspraak op de Italiaanse kroon. In 962 kroont paus Johannes XII hem in Rome tot keizer. Het is de vernieuwing van het westelijke keizerschap dat sinds de Karolingers vacant is gebleven. Het Heilige Roomse Rijk — al is die benaming pas later gangbaar — krijgt hiermee gestalte: een verbond van koningschap en kerk, met aanspraak op universeel christelijk gezag.

Otto’s eerste echtgenote is Edgith Ψ, een Angelsaksische prinses en kleindochter van Alfred ‘de Grote’ Ψ. Het huwelijk, gesloten in 929, verbindt het Liudolfingerhuis met het prestigieuze Angelsaksische koningshuis en versterkt de legitimiteit van de nog jonge Saksische dynastie. Edgith overlijdt in 946 en wordt in Magdeburg begraven, waar haar graf in 2008 is herontdekt en door isotopenonderzoek bevestigd.

Het rijkskerkensysteem en Oost-Nederland

Otto I zet bisschoppen en abten systematisch in als bestuurlijke steunpilaren van het koningschap. Dit zogenoemde rijkskerkensysteem heeft directe gevolgen voor Oost-Nederland. De Ottoonse keizers schenken grafelijke rechten en koninklijke domeinen aan de bisschop van Utrecht, die daarmee niet alleen een geestelijk leider wordt maar ook een landsheer met bestuurlijke bevoegdheden. De bisschop is immers niet erfelijk, zodat er geen dynastieke machtsvorming dreigt. De schenkingen aan Utrecht zijn onder Otto I nog bescheiden, maar onder zijn opvolgers worden zij steeds omvangrijker. Zij vormen de grondslag van het bisschoppelijke gezag in Salland, Twente, Vollenhove en uiteindelijk Drenthe.

In de afgelopen eeuw hebben in De Graafschap plaatselijke potentaten geprofiteerd van het machtsvacuüm na het uiteenvallen van het Lotharingische middenrijk. Onder Otto I worden deze lokale machthebbers geleidelijk weer in het rijksverband opgenomen, al verloopt dat proces langzaam en niet zonder wrijving.

Otto’s broer Bruno Ψ, aartsbisschop van Keulen en hertog van Lotharingen, treedt op als gedelegeerde van het koninklijke gezag in de westelijke gebieden. Zijn strenge bewind wekt weerstand bij de lokale adel, die zich niet zomaar laat disciplineren. De graven van Vlaanderen roeren zich aan de rand van Lotharingen. De oprichting van de marken Valenciennes en Ename moet hier weerstand aan bieden.

Otto I overlijdt in 973 in Memleben, na 37 jaar koningschap. Hij laat een rijk na dat zich uitstrekt van de Noordzee tot Midden-Italië.

Otto II Ψ, 973-983

Otto II volgt zijn vader in 973 op, maar erft ook diens problemen. Zijn regering is getekend door de conflicten die Bruno’s strenge bewind in Lotharingen heeft nagelaten, en door een ambitieus maar rampzalig avontuur in Zuid-Italië.

In 972, nog tijdens het leven van zijn vader, trouwt Otto II met Theophano Ψ, een Byzantijnse prinses en dochter van Constantijn Ψ en Sophia Phokas Ψ. Het huwelijk verbindt het westelijke keizerrijk met het Oost-Romeinse Rijk en brengt Byzantijnse culturele invloeden mee naar het Ottoonse hof. Theophano is geen decoratieve bijfiguur: zij treedt op als mederegentes en zal na Otto’s dood als regentes voor hun minderjarige zoon regeren.

Otto II’s beleid is gericht op consolidatie in het noorden en expansie in het zuiden. In Italië botst hij op de Arabieren die Sicilië en Zuid-Italië beheersen. In 982 lijdt hij een vernietigende nederlaag bij Capo Colonna in Calabrië, waarbij een groot deel van het Saksische en Beierse ridderleger sneuvelt. De gevolgen zijn verstrekkend: de Slavische volkeren aan de oostgrens grijpen de verzwakking aan om in 983 massaal in opstand te komen. De bisdommen en marken ten oosten van de Elbe, met moeite opgericht onder Otto I, worden grotendeels weggevaagd. Het is een terugslag die pas na generaties wordt goedgemaakt.

Otto II overlijdt in december 983 in Rome, amper 28 jaar oud. Zijn driejarige zoon Otto III is de enige erfgenaam.

Otto III Ψ, 983-1002

Keizerin-weduwe Theophano bestuurt het rijk als regentes namens haar driejarige zoon Otto III. De Byzantijnse prinses weet met steun van de rijksbisschoppen het regentschap veilig te stellen tegenover Hendrik 'de Ruziemaker' van Beieren, die zelf naar de kroon dingt. Na haar dood in 991 neemt grootmoeder Adelheid het over — twee vrouwen aan het roer van het machtigste rijk van Europa (AI-gegenereerd).
Keizerin-weduwe Theophano bestuurt het rijk als regentes namens haar driejarige zoon Otto III. De Byzantijnse prinses weet met steun van de rijksbisschoppen het regentschap veilig te stellen tegenover Hendrik ‘de Ruziemaker’ van Beieren, die zelf naar de kroon dingt. Na haar dood in 991 neemt grootmoeder Adelheid het over — twee vrouwen aan het roer van het machtigste rijk van Europa (AI-gegenereerd).

De troonsopvolging van een driejarig kind leidt onvermijdelijk tot een machtsstrijd. Hendrik ‘de Ruziemaker’, hertog van Beieren en neef van de overleden keizer, probeert het regentschap naar zich toe te trekken — en wellicht de kroon zelf. Het is keizerin-weduwe Theophano Ψ die met steun van de rijksbisschoppen het regentschap veiligstelt. Zij regeert effectief van 985 tot haar dood in 991. Vervolgens neemt Otto’s grootmoeder Adelheid Ψ het regentschap over tot Otto in 994 meerderjarig wordt. Dat twee vrouwen achtereenvolgens het machtigste rijk van Europa besturen, is opmerkelijk — al past het in een Ottoons patroon waarin koninginnen en keizerinnen een actieve politieke rol vervullen.

De zelfstandige regering van Otto III is kort en ambitieus. Hij vestigt zich in Rome en omringt zich met geleerden, onder wie zijn leermeester Gerbert van Aurillac, die hij als paus Silvester II op de Heilige Stoel plaatst. Samen ontwikkelen zij het programma van de Renovatio Imperii Romanorum — de ‘vernieuwing van het Romeinse Rijk’ — een ideaal dat het keizerschap wil modelleren naar het voorbeeld van het christelijke Rome. In het jaar 1000 onderneemt Otto III een pelgrimsreis naar Gnesen (het huidige Gniezno) in Polen, waar hij het graf van de martelaar Adalbert bezoekt en een zelfstandig Pools aartsbisdom sticht.

Otto’s Italië-politiek stuit op verzet in Rome zelf. In 1001 breekt een opstand uit die hem dwingt de stad te verlaten. In januari 1002 overlijdt hij onverwacht in Paterno, vermoedelijk aan malaria, amper 21 jaar oud en zonder erfgenaam. De droom van een vernieuwd Romeins Rijk sterft met hem.

Voor Oost-Nederland is de periode van Otto III vooral een tijd van geleidelijke opbouw. Het bisdom Utrecht profiteert van de Ottoonse kerkpolitiek en verwerft stap voor stap meer bestuurlijke rechten in de oostelijke gewesten. De bisschop opereert hier nog voornamelijk via plaatselijke graven en voogden, maar de fundamenten voor het latere landsheerschap worden gelegd.

Hendrik II ‘de Heilige’ Ψ, 1002-1024

De dood van de kinderloze Otto III veroorzaakt een opvolgingscrisis. Hendrik van Beieren, achterkleinzoon van Hendrik I via een jongere lijn, weet zich na maanden van politiek manoeuvreren als koning te laten erkennen. De troonsbestijging verloopt niet zonder oppositie: diverse Saksische en Lotharingische groten steunen aanvankelijk andere kandidaten. Dat Hendrik de kroon uiteindelijk verwerft, dankt hij aan een combinatie van dynastieke aanspraken, kerkelijke steun en persoonlijke vasthoudendheid. In 1014 wordt hij in Rome tot keizer gekroond.

Hendrik II en zijn vrouw Kunigunde Ψ staan bekend om hun vroomheid. Beiden worden later heiligverklaard — vandaar Hendriks bijnaam ‘de Heilige’. Die vroomheid is echter niet los te zien van politiek. Hendrik II onderhoudt nauwe banden met hervormingsgezinde bisschoppen en kloosterstichtingen, en gebruikt de kerk als instrument van rijksgezag met een consequentie die zijn voorgangers overtreft.

Oost-Nederland onder Hendrik II

Voor het Oversticht en Drenthe is Hendriks regering van direct belang. Rond 1024, kort voor zijn dood, schenkt Hendrik II vermoedelijk grafelijke rechten in het graafschap Drenthe aan de bisschop van Utrecht — een schenking die door zijn opvolger Koenraad II Ψ wordt bevestigd en door Hendrik III in 1046 wordt uitgebreid. Hiermee begint de formele inbedding van Drenthe in het bisschoppelijke gezagsgebied. Het is het begin van het Oversticht als bestuurlijke eenheid, al zal het nog generaties duren voordat de bisschop daar werkelijk gezag kan uitoefenen. In Drenthe blijft het lokale gezag stevig in handen van de eigen bevolking, die zich niet zonder slag of stoot aan bisschoppelijk bestuur onderwerpt — zoals de latere Slag bij Ane in 1227 op bloedige wijze zal bevestigen.

Huwelijksvervolging als rijkspolitiek

Onder de vrome Hendrik II slaagt de kerk erin om huwelijken met een te nauwe graad van bloedverwantschap te bestrijden. De kanonieke graad — een maat voor de verwantschapsafstand tussen huwelijkspartners — bepaalt of een verbintenis geoorloofd is. Een verhouding van 3:4 betekent dat de ene partner drie en de andere vier generaties verwijderd is van de gemeenschappelijke voorouder. Tot dan toe geldt deze graad als de grens van het verbodene, hoewel een synode in Keulen al in 819 ook de verhouding 4:4 verbiedt. De synodes zijn niet altijd consequent. Het is Burchard van Worms die onder Hendrik II de verboden verwantschapskring sterk uitbreidt, door van zeven voortplantingsstappen (de oude 3:4-norm) stilzwijgend zeven graden te maken — wat neerkomt op een verhouding van 7:7 in de oude telwijze. Dat scheelt nogal wat potentiële huwelijkspartners.

De tijd van de rijksvervolging van ‘illegale huwelijken’ breekt aan. Het beroemdste voorbeeld is dat van Otto van Hammerstein Ψ met Gozelo I’s Ψ zuster Irmengard Ψ. Het is achteraf moeilijk te duiden of Hendriks huwelijksvervolgingen religieus of politiek zijn ingegeven. Het is in ieder geval opvallend dat Hendrik II niet alle edelen die met verwanten trouwen vervolgt, maar alleen hen die politiek lastig of te machtig worden. Deze selectiviteit is een handig wapen, want zij die in een te nauwe verwantschapsrelatie zijn getrouwd, moeten wel loyaal zijn aan het keizerlijke gezag — anders worden ze vervolgd.

Huwelijksvervolging is bovendien een effectief wapen, want het voortbestaan van de familie staat op het spel. Kinderen uit een ongeldig verklaard huwelijk kunnen immers niet erven, zodat de bezittingen aan de kroon terugvallen. Het is machtspolitiek met een religieus vernisje — of religieuze overtuiging met politieke bijvangst. Vermoedelijk is het allebei tegelijk.

Einde van de Ottonen

Hendrik II overlijdt in 1024 zonder kinderen na te laten. Met hem sterft de Liudolfingerdynastie in mannelijke lijn uit. De opvolging gaat naar het Salische huis: Koenraad II Ψ, de eerste Saliër, wordt in Kamba aan de Rijn tot koning gekozen. Het Ottoonse tijdperk is voorbij, maar de structuren die de Ottonen hebben opgebouwd — het rijkskerkensysteem, de keizerskroon, de bestuurlijke inbedding van de bisschoppen — blijven bepalend voor de eeuwen die volgen. In Oost-Nederland bouwen de Salische keizers voort op het Ottoonse fundament: de schenkingen aan het bisdom Utrecht worden uitgebreid, en het bisschoppelijke landsheerschap in het Oversticht krijgt steeds vastere vorm.

Bronnenlijst

Primaire bronnen en edities

  • Widukind van Corvey, Res gestae Saxonicae (Sachsengeschichte), ca. 967–973. Editie: Paul Hirsch en Hans-Eberhard Lohmann (red.), Widukindi monachi Corbeiensis Rerum gestarum Saxonicarum libri tres, Monumenta Germaniae Historica, Scriptores rerum Germanicarum in usum scholarum 60, Hannover, 1935.
  • Thietmar van Merseburg, Chronicon, ca. 1012–1018. Editie: Werner Trillmich (vert. en toel.), Thietmar von Merseburg: Chronik, Freiherr vom Stein-Gedächtnisausgabe 9, 9e bijgewerkte druk, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 2011.

Literatuur

  • Althoff, Gerd, Die Ottonen: Königsherrschaft ohne Staat, 3e herziene druk, Verlag W. Kohlhammer, Stuttgart, 2013.
  • Jappe Alberts, W., Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der Middeleeuwen, Martinus Nijhoff, ‘s-Gravenhage, 1966.
  • Keller, Hagen, Die Ottonen, 6e bijgewerkte druk, C.H. Beck, München, 2021.
  • Körntgen, Ludger, Ottonen und Salier, 3e herziene en bibliografisch bijgewerkte druk, Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 2010.
  • MacLean, Simon, Ottonian Queenship, Oxford University Press, Oxford, 2017.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnedages op Allerheiligen.