Zoeken

De stad als burcht

De Germaanse walburg

Wanneer de Romeinse macht zich in de vierde en vijfde eeuw uit de Lage Landen terugtrekt, verdwijnt het stedelijke netwerk in institutionele zin, al blijven infrastructuur en ruimtelijke structuren op sommige plaatsen nog langdurig doorwerken.

Walburg Hunenborg, 2022 naar foto auteur.(AI-gegenererd)
Walburg Hunenborg, 2022 naar foto auteur.(AI-gegenererd)

Anders dan samenlevingen met een Latijnse traditie kennen de Germaanse gemeenschappen geen steden in Romeinse zin. Zij leven in verspreide hoeven, die zich in de loop der tijd groeperen tot losse woonbuurten. Bij dreiging zoekt de bevolking geen bescherming achter stadsmuren, maar wijkt zij uit naar moeilijk toegankelijk terrein of verschanst zich binnen een walburg.

De walburg vormt de vroegste middeleeuwse vorm van georganiseerde verdediging. Het betreft een ronde of ovale, door wallen en grachten omgeven versterking, die primair bij gevaar wordt gebruikt, maar vermoedelijk ook een bredere sociale en politieke functie vervult. De aarden wal is doorgaans versterkt met doornhagen en rijen gepunte palen — een staketsel, schuin of recht in de grond geplaatst. De steile opbouw van de wal biedt de verdedigers een tactisch voordeel: van bovenaf kan worden geslagen, gestoken, geschoten en geworpen. Aanvankelijk ontbreekt doorgaans permanente bebouwing binnen deze omheiningen, al is lichte of tijdelijke bebouwing archeologisch moeilijk aantoonbaar. Veel walburgen functioneren niet permanent als woonplaats, maar als tijdelijke schuil- en verzamelplek. In vredestijd kunnen zij bovendien hebben gediend als ontmoetingsplaats voor elites of als locatie voor handelsuitwisseling.

In het oosten van Nederland zijn meerdere walburgen bekend. De Hunenborg bij Volthe in Twente behoort tot de belangrijkste. Nieuw archeologisch onderzoek uit 2016, honderd jaar na de eerste opgraving door Holwerda, heeft aangetoond dat de ovale hoofdburcht een stenen gebouw bevatte en vermoedelijk dateert uit de periode rond 1100 tot 1225. De burcht bestond uit een hoofdburcht met binnen- en buitenwal, omgeven door een circa 25 meter brede gracht, en een rechthoekige voorburcht met een eigen wal- en grachtsysteem. Er zijn geen geschreven bronnen die de Hunenborg bij naam noemen, wat de datering afhankelijk maakt van archeologische methoden. Nabij Almelo ligt de Schulenborg, een walburg van vergelijkbare omvang. Beide versterkingen bevinden zich op het grensgebied van Twente en passen in een patroon van versterkte plaatsen dat zich over het Oversticht uitstrekt. Diana Spiekhout heeft in haar onderzoek naar het middeleeuwse kastelenlandschap van het Oversticht aangetoond dat er in dit gebied ten minste 134 bisschoppelijke burchten, adellijke huizen en versterkingen hebben bestaan tussen 1050 en 1450 — aanzienlijk meer dan het dunbevolkte karakter van de regio doet vermoeden.

Een van de oudste en grootste walburgen in de regio is die van Zutphen, met een oppervlak van meer dan twaalf hectare. Zij is aangelegd rond 890, vermoedelijk als reactie op de Vikingaanval van 882, waarvan bij opgravingen talrijke sporen zijn aangetroffen. In de Zutphense walburg bevond zich een grafelijk hof van de graven van Hamaland, en al in de elfde eeuw verschijnt de versterking in geschreven bronnen als oppidum Sutphaniense. Het model Zutphen-Deventer is daarbij opmerkelijk: Zutphen functioneert als walburg en grafelijk machtscentrum, terwijl het nabijgelegen Deventer in dezelfde periode dienst doet als koninklijk handelscentrum met tol en munt, en als kerkelijk centrum. Beide steden vervullen complementaire functies binnen het Karolingische graafschap aan de IJssel.

Een beveiligde oorsprong

De ligging en vorm van middeleeuwse steden worden in belangrijke mate bepaald door verdedigingsbehoeften en natuurlijke omstandigheden. In veel gevallen ontwikkelt zich een nederzetting in samenhang met een bestaande burcht, naast andere factoren zoals handel, religie en infrastructuur. Bredevoort of ‘s-Heerenberg is daarvan een duidelijk voorbeeld in de Graafschap: de stad ontwikkelt zich in de onmiddellijke nabijheid van het kasteel.

In de Merovingische en Karolingische periode ontstaan in de zevende en achtste eeuw nieuwe nederzettingen onder bescherming van Frankische machtscentra, zoals Utrecht, Dorestad en Tiel. In het Oversticht verloopt het proces van stadswording anders. Deventer is een van de oudste stedelijke kernen in het oosten: de nederzetting groeit uit een Karolingisch handelscentrum met tol- en muntrecht. Zwolle ontstaat op een zandrug tussen de IJssel en de Overijsselse Vecht en ontvangt stadsrechten in 1230. Kampen, gelegen aan de benedenloop van de IJssel, krijgt stadsrechten omstreeks 1236 en groeit snel uit tot een van de voornaamste Hanzesteden. In Twente is Oldenzaal de oudste stad: zij ontvangt stadsrechten van de bisschop van Utrecht, vermoedelijk tussen 1233 en 1249. Andere Twentse plaatsen als Ootmarsum, Delden en Enschede volgen in de veertiende eeuw.

In de negende eeuw worden, mede als reactie op externe dreiging, opnieuw burchten aangelegd die in opzet aansluiten bij het oudere walburgmodel. In het oosten speelt graaf Eberhard I van Hamaland Ψ een actieve rol bij regionale beveiliging. In het Oversticht is het de bisschop van Utrecht die als landsheer stadsrechten verleent en daarmee ook het recht op verdedigingswerken sanctioneert, terwijl in Gelre de graaf — later hertog — die rol vervult.

In het Landschap Drenthe verloopt de ontwikkeling anders. Dit dunbevolkte gebied kent in de middeleeuwen geen steden met stenen ommuring. Coevorden is de voornaamste versterkte plaats, maar de nederzetting ontwikkelt zich primair rond het bisschoppelijke kasteel en bereikt geen stedelijke schaal die ommuring vereist. De afwezigheid van ommuurde steden in Drenthe weerspiegelt het overwegend agrarische karakter van het landschap.

Verdediging

Op basis van de vroegmiddeleeuwse burchten ontwikkelen steden hun eigen verdedigingswerken. Aanvankelijk bestaan deze uit aarden wallen, later aangevuld of vervangen door stenen muren. De stedelijke verdediging is in de kern defensief van aard, waarbij het accent ligt op volhouden en afschrikking. Men tracht aanvallers te weerstaan door stand te houden, in de verwachting dat plundertochten op het omliggende platteland uiteindelijk worden gestaakt. Zoals de ridder zijn kasteel beschermt, zo verdedigt de stedeling de plaats waar hij woont, werkt en zijn bezit bewaart.

Daarnaast heeft de omwalling een symbolische functie. Stadsmuren, torens en poorten staan niet alleen voor militaire weerbaarheid, maar ook voor stedelijke autonomie en economische macht. Zelfs eenvoudige houten barricades markeren de grens tussen stad en platteland.

De wal

De stad wordt beschermd door een landweer: een hoge aarden wal, voorzien van palissaden en slechts enkele afsluitbare toegangen, versterkt met poortgebouwen. In Oost-Nederland wordt de omwalling doorgaans aangevuld met een natte gracht. Daarbij maakt men veelal gebruik van bestaande waterlopen, zoals een arm van de Berkel of de Vierakkerse Beek. Dit systeem biedt voldoende bescherming tegen de gangbare aanvalsmiddelen van de vroege en volle middeleeuwen, waaronder stormrammen en blijden.

Soms ontstaat een complex van meerdere wallen, beplant met dicht struikgewas. Bomen als eik en beuk worden op lage hoogte gekapt, waarna de takken worden gebogen en opnieuw wortel schieten. Daartussen groeien bramen, rozen en doornstruiken, waardoor een vrijwel ondoordringbare barrière ontstaat. Langs en achter de wal lopen onderhouds- en inspectiewegen, vaak bekend onder namen als Groene Steeg of Groene Weg.

Het strategische en bestuurlijke voordeel van deze inrichting is aanzienlijk. Aanvallers, die doorgaans in kleine groepen opereren, kunnen het beschermde gebied alleen bereiken via smalle doorgangen in de landweer. Deze zijn relatief eenvoudig te verdedigen. Eenmaal binnengedrongen, is ontsnappen niet altijd eenvoudig, waardoor menig krijgsbende met buit en al in de val raakt.

Naast de stedelijke landweer bestaan in Oost-Nederland ook territoriale landweren die niet een stad maar een heel gewest beschermen. De bekendste is de Sallandse landweer, in de veertiende eeuw aangelegd in opdracht van de bisschop van Utrecht en de stad Deventer als verdedigingslinie van het Oversticht tegen het aangrenzende hertogdom Gelre. Bij de belangrijkste doorgangen staan bakstenen wachttorens en kleine kastelen, zoals het Koershuis bij Deventer, de Swormertoren bij Colmschate en kasteel Arkelstein bij Bathmen. Rond 1399 wordt de Schipbeek als gracht bij deze linie gegraven. In Twente is de Beuninger landweer bij Losser een goed bewaard voorbeeld. De territoriale landweer verdient een afzonderlijke behandeling en komt elders op deze website uitvoeriger aan bod.

Stadsmuren

Met de groei van handel en de introductie van baksteenbouw kunnen steden hun verdedigingssysteem verder vervolmaken en overgaan tot de bouw van stadsmuren. Voor deze muren, aanvankelijk een vorstelijk recht, is toestemming van de landsheer vereist — de bisschop in het Oversticht, de hertog in Gelre — waarvoor aanzienlijke betalingen worden gevraagd.

Wanneer de aarden wal tekortschiet, worden steden omgeven door zware stenen muren. Waar het terrein het toelaat, volgt de ommuring een ronde of ovale lijn. Deze vroege muren zijn hoog en relatief dun, voorzien van een weergang op overwelfde nissen en kantelen met schietspleten. Boven op de muur bevindt zich vaak een houten hordijs, van waaruit aanvallers aan de voet van de muur kunnen worden bestookt.

Aan de buitenzijde wordt de muur versterkt met een diepe, met water gevulde gracht. Ontbreekt water, dan worden muren verdubbeld of extra zwaar uitgevoerd. Na de kruistochten maakt de houten hordijs steeds vaker plaats voor de stenen machicoulis (ook wel mezekouw genoemd), een uitkragende galerij met openingen in de vloer. Daarmee kunnen verdedigers de vijand onder zich bestoken zonder het risico van brandgevaar.

In het Oversticht beschikt Zwolle op het hoogtepunt van haar stadsverdediging over een muur met 23 torens en 8 poorten. De stad is in 1234 grotendeels door brand verwoest na een aanval van de heer Van Voorst, waarna de wederopbouw in steen wordt aangegrepen om gelijktijdig de verdedigingswerken te versterken. In Kampen, waar de stadsmuur de IJsseloever volgt, zijn muurmeestersrekeningen bewaard uit 1435, 1442 en 1505 die inzicht geven in de kosten en organisatie van het onderhoud. In Deventer beginnen de stadsrekeningen al even voor het midden van de veertiende eeuw; de stad beschikt over een omvangrijk muurwerk dat herhaaldelijk wordt uitgebreid.

Muurtorens en poorten

De Gruitpoort van Doetinchem, gezien vanaf de buitenzijde van de stad, in een 18e-eeuwse topografische prent. naar pentekening Jan de Beijer, ca. 1743. (AI-gegenereerd)
De Gruitpoort van Doetinchem, gezien vanaf de buitenzijde van de stad, in een 18e-eeuwse topografische prent. naar pentekening Jan de Beijer, ca. 1743. (AI-gegenereerd)

De ommuring wordt op regelmatige afstand onderbroken door vooruitstekende, meestal ronde muurtorens. Tussen deze torens bevindt zich ter hoogte van de weergang vaak een machicoulis. De toegang tot de stad verloopt via enkele poorten met ophaalbruggen, ondergebracht in zware poortgebouwen. De hoge, soms licht hellende muren zijn vrijwel onneembaar zonder langdurige belegering. Vanaf de weergang en uit de torens hebben de verdedigers een goed overzicht over het omliggende landschap, waardoor een vijandelijke nadering moeilijk te verhullen is.

In de Graafschap is de Gruitpoort van Doetinchem een goed voorbeeld van een dergelijk poortgebouw. In het Oversticht is de Sassenpoort van Zwolle het bekendste overblijfsel van de middeleeuwse stadsverdediging: een zwaar stenen poortgebouw uit het einde van de veertiende of het begin van de vijftiende eeuw, dat tot op heden bewaard is gebleven. Kampen bezit met de Koornmarktspoort uit de veertiende eeuw en de Broederpoort uit 1456 eveneens monumentale poortgebouwen die het belang illustreren dat steden aan hun verdedigingswerken hechten.

Plattegrond en verdediging

Stadsplattegrond van Lochem door Jacob van Deventer (ca. 1557–1570), met weergave van de omwalling en stedelijke structuur. (Bron: Erfgoed Lochem)
Stadsplattegrond van Lochem door Jacob van Deventer (ca. 1557–1570), met weergave van de omwalling en stedelijke structuur. (Bron: Erfgoed Lochem)

De cirkelvormige ommuring biedt in theorie duidelijke voordelen. De muur is overal even sterk, terwijl voor een maximaal stedelijk oppervlak een minimale muurlengte nodig is. Binnen de stad is de afstand tot de muur bovendien relatief gelijkmatig. Deze ronde of ovale plattegrond is kenmerkend voor verschillende in de middeleeuwen ontstane steden, waaronder Zwolle en Amersfoort.

De plattegrond van Zwolle illustreert de geleidelijke ontwikkeling van veel Oost-Nederlandse steden. De bewoning concentreert zich aanvankelijk als eenzijdige lintbebouwing langs de Grote Aa. Pas wanneer de stad in oostelijke richting uitbreidt, ontstaat de regelmatige eivorm die op de kaarten van Jacob van Deventer zichtbaar is. Een vergelijkbare ontwikkeling op basis van eenzijdige oeverbebouwing doet zich voor in Deventer.

Ligt een stad aan het water, dan bepaalt de breedte daarvan de vorm van de verdedigingswerken. Smalle waterlopen worden in de ommuring opgenomen, terwijl brede rivieren leiden tot een halfovale of halfronde stadsplattegrond, zoals te zien is in Kampen. Steden die ontstaan uit een woonkern bij een kasteel vertonen doorgaans een meer onregelmatige vorm. De Nieuwstad in Zutphen, aangelegd tussen 1250 en 1270, wijkt af van dit patroon met een bewust ontworpen schaakbordplan.

Ontmuring

De kosten voor stadsmuren zijn hoog, maar worden door stedelingen als noodzakelijk geaccepteerd. In sommige gevallen versterken steden zich zelfs zonder toestemming van hun landsheer. De zwaarste sanctie die daarop kan volgen is ontmuring: het afbreken van de verdedigingswerken als expliciete aantasting van stedelijke autonomie.

Na de middeleeuwen verliezen stadsmuren geleidelijk hun militaire betekenis. Zij gaan steeds meer als belemmering voor stedelijke groei worden ervaren. Pas wanneer Nederland zich ontwikkelt tot één staat, verandert het defensieve systeem fundamenteel. De verdediging richt zich op het land als geheel. Voor de steden in Oost-Nederland, gelegen nabij de landsgrenzen, betekent dit dat de vestingwerken pas in de negentiende eeuw mogen worden ontmanteld, na het vervallen van de Vestingwet. Dan pas kunnen deze steden zich uitbreiden, al blijven zij in omvang en ontwikkeling achter bij de steden in de Randstad.

Bronnen

Primaire bronnen en edities

  • Vestingwet van 18 april 1874 (Staatsblad 1874, nr. 64), digitale versie via Stelling van Amsterdam.

Literatuur

  • Bloemers, J.H.F. & T. van Dorp, Pre- & Protohistorie van de Lage Landen, Bussum 1991.
  • Boer, D.E.H. de, J. van Herwaarden & J. Scheurkogel, Middeleeuwen, Groningen 1995.
  • Brokamp, B., ‘Middeleeuwse landweren in Nederland’, in: H. Baas, B. Groenewoudt, P. Jungerius & H. Renes, Historische wallen in het Nederlandse landschap. De stand van kennis, Amersfoort 2012, pp. 105–121.
  • Brokamp, B., Landweren bij Deventer. Een historisch geografisch onderzoek naar laatmiddeleeuwse verdedigingslinies in de gemeente Deventer, Interne Rapportages Archeologie Deventer, nr. 65, Deventer 2013.
  • Beukelaer, J.F.Th. de e.a., Bredevoort een heerlijkheid, Stichting 800 jaar veste Bredevoort, Bredevoort 1988.
  • Corfis, I.A. & M. Wolfe (red.), The Medieval City under Siege, Woodbridge 1995.
  • Kam, R. de, De ommuurde stad. Geschiedenis van een stadsverdediging, Spectrum, Utrecht 2020.
  • Keen, M., Medieval Warfare. A History, Oxford 1999.
  • Kloos, W.B., De stedebouwkundige ontwikkeling in Nederland, Amsterdam 1947.
  • Kutsch Lojenga-Rietberg, Huis Bergh – kasteel-kunst-geschiedenis, Stichting Huis Bergh, ‘s-Heerenberg 2000.
  • Nicholas, D., The Growth of the Medieval City. From Late Antiquity to the Early Fourteenth Century, London 1997.
  • Nicholas, D., The Later Medieval City 1300–1500, London 1997.
  • Rutte, R. & H. van Engen, Stadswording in de Nederlanden. Op zoek naar overzicht, Hilversum 2005.
  • Scholte Lubberink, H.B.G., H. Smeenge & D. Spiekhout, Een soodanigh heerensaal…dat nu oock gantschelijck verwildert en verdestrueert is. De Hunenborg te Volthe, gemeente Dinkelland; nieuw archeologisch onderzoek, RAAP-rapport 3377, Weesp 2018.
  • Sloot, R.B.F. van der, Middeleeuws Wapentuig, Bussum 1964.
  • Spiekhout, D., Het middeleeuwse kastelenlandschap van het Oversticht. De ontwikkeling van bisschoppelijke burchten, adellijke huizen en versterkingen in relatie tot het landschap en de samenleving in Noordoost-Nederland tussen 1050 en 1450, dissertatie Rijksuniversiteit Groningen / Matrijs, Utrecht 2020.
  • Vries, D.J. de, Bouwen in de late middeleeuwen. Stedelijke architectuur in het voormalige Over- en Nedersticht, Matrijs, Utrecht 1994.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnedages voor Heilige Laurentius dach, dat was op ten negenden dach der maent van Augusti.