De Germaanse walburg
Wanneer de Romeinse macht zich in de vierde en vijfde eeuw uit de Lage Landen terugtrekt, verdwijnt het stedelijke netwerk in institutionele zin, al blijven infrastructuur en ruimtelijke structuren op sommige plaatsen nog langdurig doorwerken [1].

Anders dan samenlevingen met een Latijnse traditie kennen de Germaanse gemeenschappen geen steden in Romeinse zin. Zij leven in verspreide hoeven, die zich in de loop der tijd groeperen tot losse woonbuurten. Bij dreiging zoekt de bevolking geen bescherming achter stadsmuren, maar wijkt zij uit naar moeilijk toegankelijk terrein of verschanst zich binnen een walburg. Een bekend voorbeeld is de Hunneschans bij het Uddelermeer [2].
De walburg vormt de vroegste middeleeuwse vorm van georganiseerde verdediging. Het betreft een ronde, door wallen en grachten omgeven versterking, die primair bij gevaar wordt gebruikt, maar mogelijk ook een bredere sociale en politieke functie vervult [3]. De aarden wal is doorgaans versterkt met doornhagen en rijen gepunte palen, een staketsel, schuin of recht in de grond geplaatst. De steile opbouw van de wal biedt de verdedigers een tactisch voordeel: van bovenaf kan worden geslagen, gestoken, geschoten en geworpen. Aanvankelijk ontbreekt doorgaans permanente bebouwing binnen deze omheiningen, al is lichte of tijdelijke bebouwing archeologisch moeilijk aantoonbaar [4]. Veel walburgen functioneren niet permanent als woonplaats, maar als tijdelijke schuil- en verzamelplek. In vredestijd kunnen zij bovendien hebben gediend als ontmoetingsplaats voor elites of als locatie voor handelsuitwisseling. Het principe van de walburg leeft later voort in de landweer rond middeleeuwse steden [5].
Een beveiligde oorsprong
De ligging en vorm van middeleeuwse steden worden in belangrijke mate bepaald door verdedigingsbehoeften en natuurlijke omstandigheden. In veel gevallen ontwikkelt zich een nederzetting in samenhang met een bestaande burcht, naast andere factoren zoals handel, religie en infrastructuur [6]. Bredevoort of ‘s-Heerenberg is daarvan een duidelijk voorbeeld: de stad ontwikkelt zich in de onmiddellijke nabijheid van het kasteel [7]. Maastricht en Nijmegen vinden hun oorsprong bij een Romeins militair steunpunt.
In de Merovingische en Karolingische periode ontstaan in de zevende en achtste eeuw nieuwe nederzettingen onder bescherming van Frankische machtscentra, zoals Utrecht, Dorestad en Tiel. In de negende eeuw worden, mede als reactie op externe dreiging, opnieuw burchten aangelegd die in opzet nauw aansluiten bij het oudere walburgmodel. Uit dergelijke versterkingen groeien onder meer Breda, Middelburg, Oostburg, Den Burg en Leiden. In het oostelijke Nederland speelt graaf Eberhard I van Hamaland Ψ een actieve rol bij deze vorm van regionale beveiliging [8].
Verdediging
Op basis van deze ronde burchten ontwikkelen steden hun eigen verdedigingswerken. Aanvankelijk bestaan deze uit aarden wallen, later aangevuld of vervangen door stenen muren. De stedelijke verdediging is in de kern defensief van aard, waarbij het accent ligt op volhouden en afschrikking [9]. Men tracht aanvallers te weerstaan door stand te houden, in de verwachting dat plundertochten op het omliggende platteland uiteindelijk worden gestaakt. Zoals de ridder zijn kasteel beschermt, zo verdedigt de stedeling de plaats waar hij woont, werkt en zijn bezit bewaart.
Daarnaast heeft de omwalling een symbolische functie. Zelfs eenvoudige houten barricades markeren de grens tussen stad en platteland. De stad wordt omgeven door een landweer: een hoge aarden wal, voorzien van palissaden en slechts enkele afsluitbare toegangen, versterkt met poortgebouwen [10].
De wal
In Oost-Nederland wordt de omwalling doorgaans aangevuld met een natte gracht. Daarbij maakt men veelal gebruik van bestaande waterlopen, zoals een arm van de Berkel of de Vierakkerse Beek. Dit systeem biedt voldoende bescherming tegen de gangbare aanvalsmiddelen van de vroege en volle middeleeuwen, waaronder stormrammen en blijden. Het principe van de landweer is niet nieuw: de Romeinen passen het reeds toe, waarna Franken en andere Germaanse groepen het overnemen en verder ontwikkelen [11].
Soms ontstaat een complex van meerdere wallen, beplant met dicht struikgewas. Bomen als eik en beuk worden op lage hoogte gekapt, waarna de takken worden gebogen en opnieuw wortel schieten. Daartussen groeien bramen, rozen en doornstruiken, waardoor een vrijwel ondoordringbare barrière ontstaat. Langs en achter de wal lopen onderhouds- en inspectiewegen, vaak bekend onder namen als Groene Steeg of Groene Weg.
Het strategische en bestuurlijke voordeel van deze inrichting is aanzienlijk [12]. Aanvallers, die doorgaans in kleine groepen opereren, kunnen het beschermde gebied slechts bereiken via smalle doorgangen in de landweer. Deze zijn relatief eenvoudig te verdedigen. Eenmaal binnengedrongen, is ontsnappen niet altijd eenvoudig, waardoor menig krijgsbende met buit en al in de val raakt. Met de groei van handel en de introductie van baksteenbouw kunnen steden hun verdedigingssysteem verder perfectioneren en overgaan tot de bouw van stadsmuren. Voor deze muren, aanvankelijk een vorstelijk recht, is toestemming van de landsheer vereist, waarvoor aanzienlijke betalingen worden gevraagd [13].
Stadsmuren
Wanneer de aarden wal tekortschiet, worden steden omgeven door zware stenen muren. Waar het terrein het toelaat, volgt de ommuring een ronde of ovale lijn. Deze vroege muren zijn hoog en relatief dun, voorzien van een weergang op overwelfde nissen en kantelen met schietspleten. Boven op de muur bevindt zich vaak een houten hordijs, van waaruit aanvallers aan de voet van de muur kunnen worden bestookt.
Aan de buitenzijde wordt de muur versterkt met een diepe, met water gevulde gracht. Ontbreekt water, dan worden muren verdubbeld of extra zwaar uitgevoerd. Na de kruistochten maakt de houten hordijs steeds vaker plaats voor de stenen mezekouw of machicoulis, een uitkragende galerij met openingen in de vloer. Daarmee kunnen verdedigers de vijand onder zich bestoken zonder het risico van brandgevaar [14].
Muurtorens en poorten

De ommuring wordt op regelmatige afstand onderbroken door vooruitstekende, meestal ronde muurtorens. Tussen deze torens bevindt zich ter hoogte van de weergang vaak een mezekouw. De toegang tot de stad verloopt via enkele poorten met ophaalbruggen, ondergebracht in zware poortgebouwen. De hoge, soms licht hellende muren zijn vrijwel onneembaar zonder langdurige belegering. Vanaf de weergang en uit de torens hebben de verdedigers een goed overzicht over het omliggende landschap, waardoor een vijandelijke nadering moeilijk te verhullen is [15].
Plattegrond en verdediging

De cirkelvormige ommuring biedt in theorie duidelijke voordelen [16]. De muur is overal even sterk, terwijl voor een maximaal stedelijk oppervlak een minimale muurlengte nodig is. Binnen de stad is de afstand tot de muur bovendien relatief gelijkmatig. Deze ronde of ovale plattegrond is kenmerkend voor verschillende in de middeleeuwen ontstane steden, waaronder Zwolle en Amersfoort [17].
Ligt een stad aan het water, dan bepaalt de breedte daarvan de vorm van de verdedigingswerken. Smalle waterlopen worden in de ommuring opgenomen, terwijl brede rivieren leiden tot een halfovale of halfronde stadsplattegrond, zoals te zien is in Kampen en Maastricht. Steden die ontstaan uit een woonkern bij een kasteel vertonen doorgaans een meer onregelmatige vorm.
Ontmuring
De kosten voor stadsmuren zijn hoog, maar worden door stedelingen als noodzakelijk geaccepteerd. In sommige gevallen versterken steden zich zelfs zonder toestemming van hun landsheer. De zwaarste sanctie die daarop kan volgen is ontmuring, het afbreken van de verdedigingswerken, als expliciete aantasting van stedelijke autonomie [18]. In Oost-Nederland komt dit niet voor, maar elders mogelijk wel.
Na de middeleeuwen verliezen stadsmuren geleidelijk hun militaire betekenis. Zij gaan steeds meer als belemmering voor stedelijke groei worden ervaren. Pas wanneer Nederland zich ontwikkelt tot één staat, verandert het defensieve systeem fundamenteel. De verdediging richt zich op het land als geheel. Voor de steden in De Graafschap, gelegen nabij de landsgrenzen, betekent dit dat de vestingwerken pas in de negentiende eeuw mogen worden ontmanteld, na het vervallen van de Vestingwet. Dan pas kunnen deze steden zich uitbreiden, al blijven zij in omvang en ontwikkeling achter bij de steden in de Randstad [19].
Noten
- Nicholas, D., The Growth of the Medieval City. From Late Antiquity to the Early Fourteenth Century, London, 1997a, p. 42-53.
- Bloemers, J.H.F., T. van Dorp, Pre- & Protohistorie van de Lage Landen, Bussum, 1991, p. 215–230.
- Rutte, Van Engen, Stadswording in de Nederlanden. Een inleiding in de stedelijke geschiedenis van de middeleeuwen, Hilversum, 2005, p. 21–34.
- Bloemers, Van Dorp, 1991, p. 215–230.
- Kloos, W.B., De stedebouwkundige ontwikkeling in Nederland, Amsterdam, 1947, p. 21–28.
- Nicholas, 1997a, p. 81–102.
- Beukelaer J.F.Th. de e.a., Bredevoort een heerlijkheid, Stichting 800 jaar veste Bredevoort, Bredevoort, 1988, p.10.
Nicholas, 1997a, p. 120–132.Kutsch Lojenga-Rietberg, Huis Bergh – kasteel-kunst-geschiedenis, Stichting Huis Bergh, ‘s-Heerenberg, 2000, p. 11. - Rutte, R., H. van Engen, 2005, p. 19-31, 40, 56.
- Keen, M., Medieval Warfare. A History, Oxford, 1999, p. 163-185.
- Nicholas, 1997a, p. 181–184.
- Kloos, W.B., 1947, p. 34–39.
- Corfis, I.A., M. Wolfe (eds.), The Medieval City under Siege, Woodbridge, 1995, p. 3-14.
- Boer, D.E.H. de, J. van Herwaarden, J. Scheurkogel, Middeleeuwen, Groningen 1995, p. 240-248.
- Van der Sloot, R.B.F., Middeleeuws Wapentuig, Bussum, 1964, p. 112–118.
- Corfis, I.A., M. Wolfe (eds.), The Medieval City under Siege, Woodbridge, 1995, p. 55–66.
- Nicholas, The later medieval city 1300-1500, Londen, 1997b, p. 12–24.
- Kloos, W.B., 1947, p. 73–79.
- Rutte, Van Engen, 2005, p. 147-154.
- Vestingwet van 18 april 1874 (Staatsblad 1874, nr. 64), digitale versie via Stelling van Amsterdam.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnedages voor Heilige Laurentius dach, dat was op ten negenden dach der maent van Augusti.