Heer van Ulft

Theodericus de Ulfte

De eerste heer die in een adem met het kasteel te Ulft wordt genoemd is Diederik Ψ (Dirk of Derk). Voluit heet hij Theodericus de Ulfte en hij komt in 1122 voor het eerst in de bronnen voor. Diederiks herkomst is onbekend, maar doordat hij veelvuldig in oorkonden voorkomt zijn via collega-getuigen wel enkele gevolgtrekkingen te maken over de familie waarin hij geplaatst kan worden.

Eerst enkele feiten.

Kasteel Ulft, anno 1717 (tekening Berkhuijs).

Graag geziene gast

In 1122 wordt Diederik voor het eerst als getuige genoemd wanneer aartsbisschop Frederik I van Keulen Ψ bemiddelt in een zaak tussen het kapittel van Sint Victor in Xanten en de voogd van Xanten Arnold I Ψ, graaf van Kleef. Diederik staat zonder titel bij de laatstgenoemden en heeft blijkbaar geen juridische macht.
Diederik getuigt in 1131 opnieuw bij een schenking waarbij Frederik I van Keulen een gift goedkeurt. Een jaar later heeft Diederik zich een goed van het kapittel in Xanten toegeëigend. De nieuwe aartsbisschop Bruno II van Keulen Ψ vermaant Diederik, waarbij hij als compromis voorstelt dat Diederik zijn plicht als dienstman op het leen zal vervullen. Het goed blijft dus van Xanten, maar Diederik zal het beheren.
In 1135 wordt Diederik genoemd in een getuigenlijst na hertog Walram III van Limburg Ψ en de graven Gerhard III van Gulik Ψ en Adolf I van Saffenberg Ψ en enkele anderen. Een tweede keer dat jaar wordt Diederik achterin de rij na Hendrik II van Kessel Ψ (of Kriekenbeek) en Gerhard II van Hochstaden Ψ genoemd. In 1136 wordt Diederik opnieuw in een Keulse getuigenlijst genoemd waarin de graven van Saffenberg, Berg, Deutz en Bonngouw en de burggraaf van Keulen voorkomen. Een tweede keer dat jaar staat Diederik opnieuw aan het einde van een reeks namen waarin Walram III van Limburg, diens zoon Hendrik II Ψ en vervolgens de graven van Saffenberg en Bonn de lijst aanvoeren.

Betrekkingen met het klooster Camp

In 1138 belooft Diederik samen met zijn vrouw Didla (uit een onbekende familie) dat zij de ‘curtis Gutterswick’ (of Götterswick) aan het klooster Camp schenken, onder de voorwaarde dat er geen nageslacht is. Blijkbaar zijn Diederik en Didla dan nog kinderloos. Bij deze belofte getuigen Walram III van Limburg en Koenraad van Emmerik. Gutterswick blijkt later in het bezit van de graven van Steinfurt te zijn, maar hoe zij het verkrijgen is onbekend. Het kan niet uitgesloten worden dat het vrijgevige paar na 1138 nog kinderen heeft gekregen.
Het cisterciënzer klooster Camp ligt ten oosten van Geldern in Kamp-Lintfort. Het klooster wordt in 1122 gesticht en graaf Hendrik (II) van Gelre Ψ toont grote interesse in deze broederschap. De broeders helpen hem woeste gronden in cultuur te brengen. Samen met zijn vrouw schenkt Hendrik (II) enkele goederen in Holthuysen aan het klooster. Otto I Ψ, Hendrik (II)’s zoon bevestigt de schenking en maakt het vrij van afdragen aan de graaf. Vader en zoon zijn er tevens begraven.

Kasteel Ulft, anno 1750 (tekening Spilman).

Edelman, bedelman

Ondanks het feit dat Diederik menigmaal bij de laatstgenoemden op de getuigenlijsten staat, is hij een belangrijke gast in de Keulse hofhouding. Als leenman van het Keulse bisdom is hij misschien geen edelman van grote allure, maar het bisdom Keulen is een van de belangrijkste hoven in het Duitse rijk op dat van de keizer na. Zijn mindere status hoeft natuurlijk niet te betekenen dat Diederik ook van mindere afkomst is. Diederik kan bewust overgegaan zijn naar een lagere juridische status, waarbij hij zijn goed aan het bisdom schenkt, maar het kasteel zelf familiebezit blijft.
Ook zijn schenking aan het klooster Camp duidt er op dat Diederik uit een ‘goed nest’ komt. Men kan alleen weggeven wat men bezit en eigen bezit is meestal voor de hogere adel weggelegd.

Wie is Diederik?

Volgens Jackman is Diederik een zoon van Eberhard Ψ, voogd van Werden, en een onbekende dochter Ψ van Rutger I van Tomburg (Kleef) Ψ. Deze filiatie geeft een goede verklaring voor de getuigenissen van Diederik in gezelschap van de graven van Bonn, Gulik, Hochstaden, Kleef en Kessel. De naam Diederik in komt voort uit de Betuwse traditie van het eerste grafelijke huis van Kleef.

Eerdere vermeldingen

Rond 1138 wanneer Diederik aan het eind van zijn leven is gekomen lijkt de schenking aan het klooster, op voorwaarde dat er geen kinderen zijn, een logische keuze.
Er bestaat een veel vroegere vermelding van een goed Ulft. Het is de vraag of er hetzelfde Ulft mee wordt bedoeld. In 1028 geeft graaf Theodericus drie hoeves van Ulft, gelegen in Twente, aan het klooster in Hohorst, een stichting van Ansfried (II) Ψ. Wie deze Theodericus is blijft vooralsnog een vraagteken.
In een andere vroege vermelding sticht Reginmuod van Ulfte Ψ (Reinmod of Richmoth) in 1030 samen met bisschop Siegfried van Munster Ψ (1022-1032) in diens bisdom zeven eigenkerken. Reginmuod wordt samen met Liutgard Ψ, dochter van keizer Otto I Ψ, en Imiza (Irmengard) tot de weldoeners van Sint Victor in Xanten gerekend. Over Imiza vermeldt het dodenboek van Xanten dat zij voor 1044 is overleden.

Literatuur

  1. Eenige mededeelingen over het slot Ulft, Mr. A.P. van Schilfgaarde,
    In: Bijdragen en Mededelingen Vereniging Gelre, deel XXXIX, 
    S. Gouda Quint, Arnhem, 1936.
  2. Het verdwenen slot van de heren van Bergh te Ulft, H. Stam,
    De Graafschap Bode, 2 mei 1958.
  3. Harnas en hoepelrok, J. Harenberg,
    Boekhandel Van Someren – H.W. ten Bosch, Zutphen, 1966.
  4. Met het huis Ulft door de historie, A.G. van Dalen,
    Bilderbeek, Doetinchem, 1974.
  5. 1000 Jaar Gendringen, A.G. van Dalen,
  6. Thoben Offset, Nijmegen, 1983.
  7. Inleiding op de Historie van het slot Ulft, A. van Esch-Hartsinck Hollaar,
    Oudheidkundige Vereniging ‘Gemeente Gendringen’, nr. 6, Ulft, 1988.
  8. De eerste burchtheer van Ulft, A. van Esch-Hartsinck Hollaar,
    Oudheidkundige Vereniging ‘Gemeente Gendringen’, nr. 7, Ulft, 1989.
  9. De eerste aanleg van het slot Ulft, A. van Esch-Hartsinck Hollaar,
    Oudheidkundige Vereniging ‘Gemeente Gendringen’, nr. 9, Ulft, 1990.
  10. Christina van Ulft en het Zutphense leenrecht, A. van Esch-Hartsinck Hollaar,
    Oudheidkundige Vereniging ‘Gemeente Gendringen’, nr. 10, Ulft, 1990.
  11. Familien des Alten Lotharingen I, Detlev Schwennicke
    In: Europäischen Stammtafeln Neue Folge, band I, deel 2,
    Vittorio Klostermann, Frankfurt am Main, 1999.
  12. German counties, Donald C. Jackman.
  13. Die Brigittakapelle, Hans Kilders (redactie), In: Poelyck.
  14. Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer, Karl-Heinz Schreiber.
  15. Dorsten und das Stift Xanten – Geschichte in acht Jahrhunderten, Dr. Franz Schuknecht.
  16. Die St.-Victor-Kirche zu Schwerte, Reinhold Stirnberg.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM ende III des Sonnedages nae sunte Antonis Claret y Clara dach, dat was op ten zesden ende twintigsten dach der maent van Octobris.