Diverse huizen
Het Rijk zonder dynastie, 1273–1437
Met de keuze van Rudolf I van Habsburg in 1273 eindigt het Grote Interregnum, maar er begint geen nieuwe dynastie. Anderhalve eeuw lang wisselen Habsburgers, Nassauers, Luxemburgers en Wittelsbachers elkaar af op de troon van het Heilige Roomse Rijk. De keurvorsten kiezen telkens met opzet kandidaten zonder al te grote eigen huismacht. De moderne historiografie spreekt van ‘gravenkoningen’ en van een bestuur dat berust op voortdurende afstemming tussen koning en rijksvorsten in plaats van op koninklijke dwang. Pas in 1438, met de keuze van Albrecht II, bezet het huis Habsburg de troon definitief.
In deze periode verschuift het werkelijke politieke gewicht naar de territoriale vorsten. De graven en hertogen van Gelre, de bisschoppen van Utrecht als landsheren van het Sticht en het Oversticht, en de drosten van Drenthe maken hun eigen afwegingen, soms tegen de koning in, soms juist in overleg met hem. De keizerstitel wordt zeldzaam: van de koningen tussen 1273 en 1437 bereiken alleen Hendrik VII, Lodewijk IV de Beier, Karel IV en Sigismund de keizerskroning. De overigen blijven Rooms-koning, een onderscheid dat in de oudere literatuur vaak wordt verdoezeld.
Rudolf I van Habsburg Ψ, Rooms-koning 1273–1291

Het Grote Interregnum eindigt op 1 oktober 1273 als Rudolf I van Habsburg (geboren 1 mei 1218) door de keurvorsten te Frankfurt eenstemmig wordt gekozen tot opvolger van Richard van Cornwall Ψ. Alleen koning Ottokar II Přemysl van Bohemen Ψ stemt tegen, en zijn stem wordt door de overige keurvorsten gepasseerd. Rudolf is op dat moment vijfenvijftig jaar oud — uitzonderlijk voor een Rooms-koning — en geldt als een van de machtigste territoriale heren in het zuidwesten van het Rijk, ook al beschikt hij niet over een rijksvorstendom. De keurvorsten kiezen hem juist omdat hij hun vrijheid van handelen niet bedreigt; van een graaf vrezen zij minder dan van een hertog. Op 24 oktober wordt hij in Aken gekroond door aartsbisschop Engelbert II van Keulen Ψ.
Rudolf richt zijn regering op twee doelen. Hij herstelt de landvrede in delen van het Rijk en hij voert een politiek van terugvordering — de zogenoemde revindicatie — van rijksgoederen die sinds de afzetting van Frederik II Ψ in 1245 zijn afgesnoept door regionale vorsten en steden. In het zuidwesten boekt hij hierin succes, in het noorden van het Rijk komt hij nauwelijks toe aan handhaving. Zijn grootste politieke daad volgt uit het conflict met Bohemen. Wanneer Ottokar II weigert de hertogdommen Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië en Krain als rijksleen terug te geven, verklaart Rudolf hem in 1275 in de rijksban. De oorlog eindigt in de slag bij Dürnkrut en Jedenspeigen op het Marchfeld, op 26 augustus 1278, waar Ottokar sneuvelt. Met instemming van de keurvorsten beleent Rudolf op 27 december 1282 zijn zoons Albrecht Ψ en Rudolf (II) met het hertogdom Oostenrijk en Stiermarken — niet met een aartshertogdom, want die titel bestaat pas vanaf 1453. Hier ligt het begin van de habsburgse huismacht in de Donaulanden.
Rudolf wordt nooit tot keizer gekroond. Pauselijke obstructie en een kruistochtplan beletten de tocht naar Rome. Wanneer hij in 1291 probeert de keurvorsten te bewegen tot de keuze van zijn zoon Albrecht als opvolger, stuiten zijn pogingen op weigering: de keurvorsten willen geen schijn van erfelijkheid laten ontstaan. Rudolf overlijdt op 15 juli 1291 in Speyer en wordt in de dom bijgezet.
Adolf van Nassau Ψ, Rooms-koning 1292–1298
Op 5 mei 1292 kiezen de keurvorsten in Frankfurt de Nassause graaf Adolf (geboren rond 1255) tot Rooms-koning. Op 24 juni 1292 kroont aartsbisschop Siegfried van Westerburg van Keulen hem in Aken. De keuze valt op Adolf omdat hij, in de woorden van een tijdgenoot, in geen enkel opzicht gevaarlijk lijkt. De keurvorsten hebben zich grondig gewapend tegen het habsburgse erfopvolgingsplan: Adolf moet zware concessies toezeggen, vastgelegd in een verkiezingsbelofte die de geschiedenis is ingegaan als het Wahlversprechen. Daaronder vallen verpandingen van rijkssteden en rijksburchten en de toezegging om het hertogdom Oostenrijk later weer aan koning Wenzel II van Bohemen Ψ toe te wijzen. Voor de Oost-Nederlandse adel is hij geen onbekende: in 1288 heeft hij meegevochten in de slag bij Woeringen aan de zijde van Siegfried van Westerburg en de coalitie van Keulen, Luxemburg en Gelre.
Eenmaal op de troon maakt Adolf zich snel los van zijn keurvorstelijke geldschieters. In 1294 sluit hij een verdrag met koning Eduard I van Engeland tegen Filips IV ‘de Schone’ van Frankrijk Ψ, en hij ontwerpt eigen huismachtplannen: hij koopt aanspraken op het markgraafschap Meißen en het landgraafschap Thuringen, in de hoop daar een habsburgs-achtige territoriale basis op te bouwen. De keurvorsten, die juist een zwakke koning hebben gewenst, zien hun fout. Op 23 juni 1298 zetten zij hem te Mainz af — een ongekende ingreep in de rijksgeschiedenis, omdat de paus er niet aan te pas komt. Adolf weigert de afzetting te erkennen en sneuvelt op 2 juli 1298 in de slag bij Göllheim op de Hasenbühl, in gevecht met de tegenkandidaat Albrecht van Habsburg.
Eén klein, maar voor Oost-Nederland blijvend gevolg heeft Adolfs regering wel: in 1295 legt hij in een rijksoorkonde voor het graafschap Gelre vast dat bij afwezigheid van mannelijke erfgenamen ook vrouwen de titel kunnen dragen. Drie kwart eeuw later, tijdens de Eerste Gelderse Successieoorlog, wordt deze bepaling het juridische scharnier waarop de strijd om het hertogdom draait.
Tijdens Adolfs roerige regeerperiode wordt op initiatief van de stad Lübeck ook het Hanzeverbond als formeel stedenverbond zichtbaar — een ontwikkeling die voor de IJsselsteden Deventer, Zutphen, Kampen en Zwolle van blijvend belang is.
Albrecht I van Habsburg Ψ, Rooms-koning 1298–1308
Drie weken na de dood van Adolf, op 27 juli 1298, kiezen de keurvorsten te Frankfurt Albrecht I (geboren 1255), zoon van Rudolf I, tot Rooms-koning. Hij wordt op 24 augustus in Aken gekroond. Paus Bonifatius VIII weigert hem aanvankelijk te erkennen, omdat hij de afzetting van Adolf onwettig acht; pas in 1303, wanneer Bonifatius zelf in conflict raakt met Filips IV van Frankrijk, krijgt Albrecht de pauselijke bevestiging. Vanaf 1281 bestuurt Albrecht in opdracht van zijn vader al het hertogdom Oostenrijk; als Rooms-koning probeert hij dat fundament uit te breiden naar Bohemen en Hongarije, met wisselend succes.
Op 1 mei 1308 wordt Albrecht in de buurt van Brugg, niet ver van de stamburcht Habichtsburg, vermoord door zijn neef Johan, die met hem twist over een uitstaand erfdeel. Tijdens Albrechts regering vindt op 11 juli 1302 de slag bij Kortrijk plaats, waarin een Vlaams stedelijk voetvolk een Frans ridderleger verslaat — een gebeurtenis die de militaire verhoudingen in Noordwest-Europa een schok bezorgt en in de geschiedschrijving als een wending in de oorlogvoering geldt.
Hendrik VII van Luxemburg Ψ, Rooms-koning 1308–1313, keizer 1312–1313
Het habsburgse huis is na de moord op Albrecht nog niet sterk genoeg om een opvolger uit eigen kring naar voren te schuiven. Het huis Luxemburg, dat afstamt van het oude Ardennense gravengeslacht, krijgt zijn kans. Op 27 november 1308 kiezen de keurvorsten in Frankfurt Hendrik, graaf van Luxemburg en Laroche, tot Rooms-koning, ondanks een hevige Franse lobby voor Karel van Valois Ψ. De doorslag komt van aartsbisschop Boudewijn van Trier — Hendriks broer — en aartsbisschop Peter van Aspelt van Mainz. Op 6 januari 1309 vindt de kroning in Aken plaats. Hendrik (geboren 1278/79 te Valenciennes) is in zijn dynastie de vierde graaf van die naam, en zou in de Luxemburgse telling als Hendrik IV gelden; in de rijkstelling is hij Hendrik VII.

Hendriks vader, graaf Hendrik VI van Luxemburg Ψ, is voor Oost-Nederland geen onbekende. In de slag bij Woeringen op 5 juni 1288 vecht hij in de coalitie van aartsbisschop Siegfried van Westerburg, samen met Reinald I van Gelre, en sneuvelt daar met zijn broers Walram en Boudewijn. Het is de overwinnaar van Woeringen — hertog Jan I van Brabant Ψ — wiens dochter Margaretha van Brabant Ψ enkele jaren later, in 1292, met de jonge Hendrik trouwt; daarmee leggen de twee huizen hun vete bij. Uit dit huwelijk komt de latere koning Jan I van Bohemen Ψ voort.
In 1310 begint Hendrik aan de Italiëtocht waarmee hij het keizerschap wil herstellen. Hij is de eerste Rooms-koning sinds Frederik II die zich daadwerkelijk laat kronen tot keizer. Op 29 juni 1312 wordt hij in de Lateraanbasiliek te Rome tot keizer gekroond door drie kardinalen die paus Clemens V als gezanten heeft aangewezen. De plechtigheid vindt niet plaats in de Sint-Pieter omdat de aanhangers van koning Robert van Napels — een bondgenoot van de paus — de Vaticaanse buurt bezet houden. Het is een halve overwinning. Hendrik bereidt vervolgens een veldtocht tegen Robert voor, maar wordt op 24 augustus 1313 te Buonconvento bij Siena door koorts geveld. Met hem sterft, voor het ogenblik, de droom van een vernieuwd keizerschap.
Voor de Luxemburgers blijkt zijn korte regering allesbehalve verloren. In augustus 1310 weet hij zijn nog geen vijftienjarige zoon Jan met het koninkrijk Bohemen te belenen — een huismachtwinst die de basis legt voor de luxemburgse dominantie in de daaropvolgende honderdtwintig jaar.
Frederik ‘de Schone’ van Habsburg, 1314–1330, en
Lodewijk IV de Beier Ψ, Rooms-koning 1314, keizer 1328–1347

Na de dood van Hendrik VII zijn de keurvorsten verdeeld. Op 19 oktober 1314 kiest een minderheidsfractie te Sachsenhausen Frederik ‘de Schone’ van Habsburg (geboren 1289) tot Rooms-koning; een dag later, op 20 oktober, kiest de meerderheid in Frankfurt Lodewijk IV van Beieren uit het huis Wittelsbach (geboren 1282). Beide gekozenen worden op 25 november 1314 gekroond — Frederik in Bonn door aartsbisschop Hendrik II van Virneburg van Keulen Ψ, met de echte rijksinsignia maar op de verkeerde plaats; Lodewijk in Aken door aartsbisschop Peter van Aspelt van Mainz, op de juiste plaats maar zonder de echte rijksinsignia. De spelregels voor een meerderheidsbesluit liggen op dat moment nog niet vast; pas Karel IV zal dat probleem in 1356 met de Goldene Bulle definitief regelen.
De dubbelregering eindigt op 28 september 1322 met de slag bij Mühldorf, waar Lodewijk Frederik gevangen neemt. In 1325 sluiten beide mannen een verzoening: Frederik mag de koningstitel houden als formele medekoning, maar de werkelijke macht ligt bij Lodewijk. Frederik sterft op 13 januari 1330 in de burcht Gutenstein in Neder-Oostenrijk. Lodewijk IV laat zich op 17 januari 1328 in Rome ‘in naam van het volk’ tot keizer kronen — een ongekende plechtigheid zonder pauselijke goedkeuring, want paus Johannes XXII Ψ heeft hem inmiddels in de ban gedaan.
De ban van Avignon laat zich in Oost-Nederland direct voelen. Aartsbisschop Hendrik II van Virneburg van Keulen stuurt in 1324 de pauselijke afzettingsbullen door aan bisschop Jan III van Diest van Utrecht, met het verzoek ze in zijn diocees af te kondigen. Het Sticht en het Oversticht staan daarmee officieel in het pauselijke kamp tegen de koning. In de praktijk verandert dat weinig, want Jan van Diest is door zijn eigen geldnood al aan handen en voeten gebonden. In 1336 verpandt hij het hele Oversticht — Salland, Twente, Vollenhove en Drenthe, alleen Kampen niet — voor 43.000 pond tournoois aan graaf Reinald II van Gelre. Voor enkele jaren is Reinald II daarmee feitelijk landsheer van Overijssel en Drenthe, met het recht tollen en belastingen te innen tot de bisschop zijn schuld aflost.
De grootste ingreep van Lodewijk IV in de Oost-Nederlandse verhoudingen volgt op 19 maart 1339. Op de Rijksdag te Frankfurt verheft hij Reinald II van Gelre tot hertog en het graafschap Gelre tot hertogdom; tegelijk beleent hij de nieuwe hertog met Oost-Friesland. Het besluit komt mede tot stand door bemiddeling van Reinald II tussen Lodewijk en Edward III van Engeland Ψ — Reinalds zwager, want diens zus Eleonora Ψ is in 1332 met Reinald getrouwd. Voor Gelre is dit het sluitstuk van een eeuwenoude opmars; voor de geschiedenis van Oost-Nederland het keerpunt waarop het belangrijkste wereldlijke gewest van de regio in rang gelijk komt te staan met de oudste hertogdommen van het Rijk.
Lodewijk IV sterft op 11 oktober 1347 tijdens een berenjacht bij Fürstenfeldbruck, ten gevolge van een beroerte.
Karel IV van Luxemburg Ψ, Rooms-koning 1346, keizer 1355–1378

Al in 1346, terwijl Lodewijk IV nog leeft, kiest een deel van de keurvorsten Karel I van Bohemen (geboren 14 mei 1316) uit het huis Luxemburg tot tegenkoning. Hiervoor is zelfs zijn eigen voorkeurstem nodig, die hij als koning van Bohemen mag uitbrengen. Hij wordt gesteund door de aartsbisschoppen van Mainz, Trier en Keulen. De vroege dood van Lodewijk IV in 1347 bespaart het Rijk een burgeroorlog. Op 17 juli 1349 wordt Karel in Aken alsnog gekroond, deze keer door alle drie de geestelijke keurvorsten samen — een teken van consensus. In 1354 verheft hij het graafschap Luxemburg tot hertogdom, ten gunste van zijn halfbroer Wenceslaus. Op 6 januari 1355 ontvangt hij in Milaan de IJzeren Kroon van Lombardije; op 5 april 1355 — paaszondag — kroont kardinaal Pierre des Prés, gezant van paus Innocentius VI, hem in de Sint-Pieter te Rome tot keizer. Daarna verlaat Karel Italië haastig, om aan een dreigende volksopstand te ontkomen.
In het Rijk zelf vaardigt Karel in 1356 de Goldene Bulle uit — een van de invloedrijkste rijkswetten van de hele middeleeuwen. Het document legt het aantal keurvorsten definitief op zeven vast (drie geestelijke, vier wereldlijke, onder wie de koning van Bohemen) en regelt de procedure voor de koningskeuze, inclusief het meerderheidsbeginsel waaraan het in 1314 nog had ontbroken. Voor de positie van de keurvorsten geldt voortaan een soort onaantastbaarheid: hun gebieden mogen niet worden gedeeld, en zware misdrijven tegen hun personen worden als hoogverraad beschouwd. De Goldene Bulle bevestigt daarmee niet de koninklijke macht, maar de macht van het keurvorstencollege — een formele bekrachtiging van wat sinds Rudolf I de praktijk al was.
Voor Oost-Nederland krijgt Karels regering rechtstreekse betekenis tijdens de Eerste Gelderse Successieoorlog. Na de dood van Reinald III van Gelre in 1371 — kort na de slag bij Baesweiler waar diens broer Eduard sneuvelt — is de opvolging in het hertogdom omstreden. Op 25 juni 1372 beleent Karel IV in Aken de minderjarige Willem (VII) van Gulik Ψ, kleinzoon van Reinald II via diens dochter Maria Ψ, met het hertogdom Gelre en het graafschap Zutphen; in 1377 herhaalt hij die belening, nu Willem volwassen is. Karel IV grijpt hier dus actief in een Oost-Nederlandse erfkwestie in — niet als afwezig theoreticus van het Rijk, maar als hofhouder die de balans tussen Brabant, Gulik en Gelre wil bewaren.
Karel IV sterft op 29 november 1378 in Praag, na zijn rijk en bezittingen onder zijn zoons Wenceslaus, Sigismund en Johan te hebben verdeeld.
Wenceslaus van Luxemburg Ψ, Rooms-koning 1378–1400

De opvolger van Karel IV, zijn zoon Wenceslaus (geboren 26 februari 1361 te Neurenberg), wordt vooral in de geschiedschrijving herinnerd als drinkebroer en passieve koning. De macht van de Luxemburgers brokkelt onder hem snel af. Op 20 augustus 1400 zetten de drie geestelijke keurvorsten, samen met de Paltsgraaf, hem te Oberlahnstein af wegens onbekwaamheid en verwaarlozing van het Rijk. Hij blijft tot zijn dood op 16 augustus 1419 koning van Bohemen, waar hij in Praag aan een beroerte sterft tijdens de eerste onlusten van wat zal uitgroeien tot de Hussitische Oorlogen. Het laatmiddeleeuwse gerucht dat zijn broer Sigismund hem zou hebben omgebracht, mist elke historische grond — Wenceslaus en Sigismund regeren in deze jaren in afzonderlijke koninkrijken en hun verstandhouding is, hoewel niet warm, niet moorddadig.
Ruprecht III van de Palts Ψ, Rooms-koning 1400–1410
De dag na de afzetting van Wenceslaus, op 21 augustus 1400, kiezen de vier keurvorsten Ruprecht III van de Palts uit het huis Wittelsbach (geboren 5 mei 1352) tot Rooms-koning. Paus Bonifatius IX erkent hem in 1403, maar Ruprecht slaagt er nooit in zijn gezag in heel het Rijk te vestigen. Een Italiëtocht in 1401–1402 mislukt jammerlijk. Hij sterft op 18 mei 1410.
Jobst van Moravië, Rooms-koning 1410–1411
Na de dood van Ruprecht ontstaat opnieuw een dubbele keuze. Op 20 september 1410 kiest een fractie van keurvorsten Sigismund van Luxemburg; enkele dagen later, op 1 oktober 1410, kiest een andere fractie Jobst van Moravië (geboren rond 1351), neef van Karel IV, tot Rooms-koning. Tot grote problemen leidt dat niet, want Jobst sterft al op 18 januari 1411, mogelijk vergiftigd. Daarmee is de weg vrij voor zijn neef.
Sigismund van Luxemburg, Rooms-koning 1410/1411–1437, keizer 1433–1437

Sigismund (geboren 15 februari 1368 te Neurenberg) is de jongere broer van Wenceslaus en, sinds zijn huwelijk in 1385 met Maria van Hongarije, ook koning van Hongarije. In hem komen de koninkrijken Bohemen en Hongarije, naast Luxemburg, opnieuw in één hand bijeen — zij het tijdelijk, want hij is de laatste Rooms-koning uit het huis Luxemburg. Op 21 juli 1411 wordt hij na de dood van Jobst alsnog door alle keurvorsten unaniem gekozen.
Sigismunds regering wordt beheerst door drie grote vraagstukken: het Westerse Schisma, dat hij met het Concilie van Konstanz (1414–1418) helpt beëindigen; de Hussitische opstand in Bohemen, die hem decennialang militair en politiek bezighoudt; en de oprukkende Ottomaanse expansie op de Balkan. Op 31 mei 1433 kroont paus Eugenius IV hem in Rome tot keizer — de laatste keizerskroning vóór die van Frederik III in 1452 en de laatste Romeinse keizerskroning die volgens het oude ritueel verloopt.
In de Lage Landen grijpt Sigismund één keer rechtstreeks in. In 1417 erkent hij Jan van Beieren, voormalig prins-bisschop van Luik, als rijksleenman voor Holland, Zeeland en Henegouwen — in concurrentie met Jacoba van Beieren. Het is een diplomatieke beslissing, geen militaire verovering, en zij raakt vooral het westen van de Lage Landen; voor Oost-Nederland heeft zij geen directe gevolgen.
Sigismund sterft op 9 december 1437 in Znaim in Moravië, zonder mannelijke erfgenaam. Met hem sterft ook het Luxemburgse huis op de keizerstroon. Zijn schoonzoon Albrecht II uit het huis Habsburg volgt hem op, en daarmee begint het Habsburgse tijdperk dat tot 1806 zal duren.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Die Regesten des Kaiserreichs unter Rudolf, Adolf, Albrecht, Heinrich VII. 1273–1313 (J.F. Böhmer, Regesta Imperii VI, afdeling 1–4). Bewerkt door Oswald Redlich e.a. Innsbruck, 1898 en latere afleveringen. Online raadpleegbaar via www.regesta-imperii.de (geraadpleegd 7 april 2026).
- Monumenta Germaniae Historica, Constitutiones et Acta Publica Imperatorum et Regum, deel III. Hannover, 1904–1906. Bevat onder meer het verkiezingsmandaat van Adolf van Nassau (1292) en de oorkonde waarmee Lodewijk IV in 1339 het hertogdom Gelre instelt.
Literatuur
- Boshof, Egon, en Franz-Reiner Erkens, red. Rudolf von Habsburg 1273–1291. Eine Königsherrschaft zwischen Tradition und Wandel. Passauer historische Forschungen 7. Keulen: Böhlau, 1993.
- Gerlich, Alois. “Adolf von Nassau (1292–1298). Aufstieg und Sturz eines Königs, Herrscheramt und Kurfürstenfronde.” Nassauische Annalen 105 (1994): 17–78.
- Jacobs, I.D., eindred. Het hertogdom Gelre. Geschiedenis, kunst en cultuur tussen Maas, Rijn en IJssel. Utrecht: Matrijs, 2003.
- Jappe Alberts, W. Geschiedenis van Gelderland van de vroegste tijden tot het einde der Middeleeuwen. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1966.
- Knefelkamp, Ulrich. Das Mittelalter. Geschichte im Überblick. Paderborn: Ferdinand Schöningh, 2002.
- Konstam, Angus. Atlas van middeleeuws Europa. Alphen aan den Rijn: Atrium, 2001.
- Krieger, Karl-Friedrich. Rudolf von Habsburg. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 2003.
- Noordzij, Aart. Gelre. Dynastie, land en identiteit in de late middeleeuwen. Werken Gelre 59. Hilversum: Verloren, 2009.
- Schneidmüller, Bernd. “Konsensuale Herrschaft. Ein Essay über Formen und Konzepte politischer Ordnung im Mittelalter.” In Reich, Regionen und Europa in Mittelalter und Neuzeit. Festschrift für Peter Moraw, redactie Paul-Joachim Heinig, Sigrid Jahns, Hans-Joachim Schmidt, Rainer Christoph Schwinges en Sabine Wefers, 53–87. Historische Forschungen 67. Berlijn: Duncker & Humblot, 2000.
- Schneidmüller, Bernd, en Stefan Weinfurter, red. Die deutschen Herrscher des Mittelalters. Historische Porträts von Heinrich I. bis Maximilian I. München: C.H. Beck, 2003.
Online bronnen
- Regesta Imperii, Akademie der Wissenschaften und der Literatur, Mainz. https://www.regesta-imperii.de (geraadpleegd 7 april 2026).
- Deutsche Biographie, Bayerische Staatsbibliothek en Historische Kommission bei der Bayerischen Akademie der Wissenschaften. https://www.deutsche-biographie.de (geraadpleegd 7 april 2026).
- Schreiber, Karl-Heinz. Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer. https://www.manfred-hiebl.de/genealogie-mittelalter/ (geraadpleegd 7 april 2026).
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MMXXVI des Dinxedaghes nae Beloken Paeschen, dat was op ten sevensten dach der maent van Aprili.