Deel 1: van spangenhelm tot bascinet
Over de helm in Oost-Nederland valt weinig met zekerheid te zeggen, om een eenvoudige reden: er is er geen enkele gevonden. Wie de ontwikkeling wil volgen in Gelre, het Oversticht, en Drenthe, werkt met bewijs van elders. Drie soorten bewijs staan ter beschikking: vondsten uit aangrenzende gebieden, afbeeldingen in handschriften en op zegels, en geschreven bronnen. Die laatste leveren het meeste op, want oorkonden, rekeningen, en kronieken vertellen wat een helm kost en wie er een bezit.
De spangenhelm

Het oudste helmtype dat in de vroege middeleeuwen in West-Europa in omloop is, heet naar zijn bouwwijze. Vier of zes metalen repen, spangen genaamd, verbinden een brede voorhoofdsband met een plaatje op de kruin en vormen zo een geraamte; daartussen zitten ijzeren platen geklonken. De spangen zijn van verguld of verzilverd koper, de voorhoofdsband is van ijzer en bekleed met verguld koperblik. IJzer en koper worden dus naast elkaar gebruikt, elk voor een eigen doel: het ijzer draagt, het koper toont.
Die samengestelde bouw komt niet voort uit onvermogen om een helm uit één stuk te maken. Ze bespaart materiaal en arbeid, en ze maakt het mogelijk kostbaar metaal alleen aan te brengen waar het te zien is. In heel Europa zijn ongeveer veertig van deze helmen teruggevonden, daterend van omstreeks 460 tot het begin van de zevende eeuw. Waar ze zijn gemaakt, is na een eeuw onderzoek nog altijd onbeslist; oost-Romeinse en Ostrogotisch-Italiaanse werkplaatsen komen beide in aanmerking.
De dichtstbijzijnde vondst ligt stroomopwaarts aan de Rijn, in een rijk graf bij Krefeld-Gellep dat door een gouden munt van keizer Anastasius I omstreeks 525 is te dateren. Aan de rand van die helm hangt een gordijn van maliën ter bescherming van de hals. Dat detail is van belang, omdat de combinatie van helm en maliën later graag als een vinding van de twaalfde eeuw wordt voorgesteld.
De spits-conische helm

Na omstreeks 600 houdt de reeks vondsten op. Uit de achtste en negende eeuw is geen enkele helm bewaard, zodat de Karolingische tijd het met afbeeldingen en teksten moet stellen. Uit die teksten komt wel een waardeverhouding naar voren. De Lex Ribuaria, het rechtsboek van de Ripuarische Franken, stelt de prijs van een helm op zes solidi; een maliënkolder kost twaalf, schild en lans samen twee. Een helm is daarmee geen uitrusting maar een vermogensbestanddeel.
Vanaf de tiende eeuw verschijnt een nieuw type: de spits-conische helm, meestal met een neusband (een strook ijzer die het gezicht in de lengte dekt). De hoge punt schept ruimte tussen schedel en helm, zodat een slag van boven minder hard aankomt. Dit type heet vaak Noormannenhelm, hoewel het over heel Latijns Europa voorkomt en op het tapijt van Bayeux door beide partijen wordt gedragen.
Hoever die bescherming reikt, laat de ridderroman Walewein zien. Daarin klieft een slag ‘hem helm ende neusbant, en sloecht hem in al toten tanden’. Het aangezicht blijft kwetsbaar.
De ijzeren kap
Naast de gesloten helm bestaat vanaf de twaalfde eeuw een halfronde kap die uit één ijzeren plaat wordt gedreven. In Duitsland heet die ‘Hirnhaube’, in Frankrijk ‘cervelière’. In het Middelnederlands heet het een beckeneel, een woord dat oorspronkelijk hersenpan betekent en dat omstreeks 1340 wordt opgetekend voor een kapje dat ónder de helm wordt gedragen. Daar schuilt een valkuil, want hetzelfde woord gaat later over op de bascinet. Het gaat om twee opeenvolgende stadia van één ontwikkeling, niet om twee soorten.
De kap is goedkoop en snel te maken, wat haar geschikt maakt voor grote aantallen krijgslieden. Toch draagt juist de ridder haar eveneens, onder de maliënkap of onder de grote helm.
De grote helm

In de late twaalfde eeuw groeit de neusband uit tot een volledige gezichtsplaat, en daaruit ontstaat de grote helm: een omgekeerde ketel van vier of vijf aaneengeklonken ijzeren platen die het hoofd geheel omsluit. Twee horizontale kijkspleten worden gescheiden door een verticale versterkingsrib, waardoor aan de voorzijde een kruis ontstaat. Die vorm volgt uit de bouw, niet uit vroomheid.
Wat zo’n uitrusting waard is, blijkt op 28 juli 1227 bij Ane, aan de Overijsselse kant van de grens met Drenthe. Bisschop Otto II van Utrecht Ψ trekt daar met een ridderleger op tegen Rudolf II van Coevorden Ψ en de Drenten. De Quedam narracio, omstreeks 1232 geschreven door een geestelijke uit de kring van de bisschop, meldt dat de voorste gelederen in het moeras wegzakken en door het gewicht van hun wapenrusting geheel verdwijnen, waarna zij van verre met pijlen en speren en van dichtbij met het zwaard worden afgemaakt. De ridder Bernhard van Horstmar verdedigt zich staande op zijn schild tot hij valt. De bisschop zelf wordt bij zijn tonsuur gescalpeerd, wat veronderstelt dat zijn helm er dan al af is. Wie het zwaarst is uitgerust, verliest het eerst.
De ketelhoed
Het meest gedragen hoofddeksel van de dertiende tot de vijftiende eeuw is geen ridderhelm maar de ketelhoed: een ijzeren kap met een brede rand rondom, die slagen van boven afleidt en het gezicht vrijlaat. Hij is goedkoop, past vrijwel iedereen, en beperkt het zicht niet. De stadsrekeningen van Deventer en Zutphen boeken de aanschaf van wapentuig voor de weerbare burgerij onder de gewone stadsuitgaven. Daarmee verschuift het beeld: de helm is dan geen merkteken van een kleine groep meer, maar voorraad in een stedelijk arsenaal. Uit Drenthe is geen exemplaar bekend, wat meer zegt over bodem en bewaarkans dan over gebruik.
De bascinet

Uit de ijzeren kap groeit in de loop van de veertiende eeuw de bascinet. De kap wordt hoger en spitser, en aan zij- en achterkant zo ver verlengd dat wangen en nek worden gedekt. Aan de onderrand hangt een maliënkraag, de camail, die met stiften aan de helm vastzit en keel en schouders beschermt. Een vaste neusband heeft dit type niet; wel bestaat een afneembare band, de bretache, die aan de camail wordt gehaakt.
Tegelijk verandert de grote helm van functie. Metaalkundig onderzoek laat zien dat helmen uit één stuk pas haalbaar worden wanneer platen van twee tot drie kilo beschikbaar komen, laat in de veertiende eeuw. Tegen die tijd is de grote helm al grotendeels teruggedrongen tot het toernooi en het grafmonument. Het Wapenboek Gelre, dat heraut Claes Heynenzoon tussen 1395 en 1402 samenstelt, toont dat verloop bladzijde na bladzijde: de helmen worden naar achteren toe steeds moderner, en dienen er vooral als drager van het helmteken.
Het gezicht blijft intussen open. De oplossing daarvoor zien we bij de laat-middeleeuwse helmen.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Jan van Heelu. Rymkronyk van Jan van Heelu betreffende den slag van Woeringen van het jaer 1288. Uitgegeven door J.F. Willems. Brussel: M. Hayez, 1836 (geraadpleegd 2 augustus 2026).
- Lex Ribuaria 40,11. Uitgegeven door Franz Beyerle en Rudolf Buchner. Monumenta Germaniae Historica, Leges nationum Germanicarum XLII, 5. Hannover: Hahn, 1954.
- De Meyer, G.M., red. De stadsrekeningen van Deventer. 6 dl. Teksten en Documenten. Groningen: Wolters-Noordhoff, 1968–1987.
- Penninc en Pieter Vostaert. De jeeste van Walewein en het schaakbord. Uitgegeven door G.A. van Es. 2 dl. Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1957 (geraadpleegd 2 augustus 2026).
- Quedam narracio de Groninghe, de Thrente, de Covordia et de diversis aliis sub diversis episcopis Traiectensibus / Een verhaal over Groningen, Drente, Coevorden en allerlei andere zaken onder verschillende Utrechtse bisschoppen. Uitgegeven en vertaald door Hans van Rij. Hilversum: Verloren, 1989.
- Wapenboek Gelre. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België, hs. 15652-56. (geraadpleegd 2 augustus 2026).
- Wartena, R., red. De stadsrekeningen van Zutphen 1364–1445/46. Deel I. Zutphen, 1977.
Literatuur
- Coupland, Simon. 1990. “Carolingian Arms and Armor in the Ninth Century.” Viator 21: 29–50.
- Padberg Evenboer, Klaas, en André Stufkens. 2025. Wapenboek Gelre: Status Quaestionis. MVLS-Cahiers 2. Nijmegen: Stichting Maelwael Van Lymborch Studies.
- Philippa, Marlies, Frans Debrabandere, Arend Quak, Tanneke Schoonheim, en Nicoline van der Sijs. 2003–2009. Etymologisch Woordenboek van het Nederlands. Amsterdam: Amsterdam University Press. Lemma ‘bekkeneel‘ (geraadpleegd 2 augustus 2026).
- Pirling, Renate. 1964. “Ein fränkisches Fürstengrab aus Krefeld-Gellep.” Germania 42: 188–216.
- Vogt, Mahand. 2006. Spangenhelme: Baldenheim und verwandte Typen. Kataloge Vor- und Frühgeschichtlicher Altertümer 39. Mainz: Verlag des Römisch-Germanischen Zentralmuseums. Digitale editie Heidelberg: Propylaeum, 2022.
- Williams, Alan. 2004. “Great Helms and Their Development into Helmets.” Gladius 24: 123–134.
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM des Saterdages op Heilige Catharina van Siena dach.