Het Karolingische huis
Karel Martel Ψ, 737-741
De stamvader van het Karolingische huis is Karel Martel. Hij beschouwt zichzelf niet als koning over het Merovingische Rijk, maar hij is de enige die de macht in handen heeft. Na de dood van de schijnkoning Theuderik IV in 737 laat Karel Martel de troon zelfs onbezet. Geboren als bastaardzoon van Pippin II ‘de Middelste’ Ψ maakt hij het werk van zijn voorvaderen af.
Karel Martel stuurt zendelingen naar de nieuw veroverde gebieden, waaronder Friesland. Die eerste zendelingen zijn Angelsaksen, die een taal spreken die verwant is aan het Oudsaksisch op het continent, zodat de taalbarrière gering is. Eerst zijn zij in het zuiden actief. De IJsselstreek komt pas later aan bod, met Bonifatius, Willibrord, Lebuïnus en Liudger. De oorzaak van deze late bekering is dat de zendelingen met de Franken optrekken en daardoor door de Saksen die hier wonen niet met veel vertrouwen worden bejegend. Zij heulen immers met de vijand.

Maken de zendelingen op religieus gebied een einde aan de Saksische zelfstandigheid, Karel Martel doet dat op politiek terrein. Met de veroveringen van Friesland, Hessen en Thüringen heeft hij de Saksen omsingeld, zodat zij teruggedreven worden. Hierdoor raken de bewoners van de IJsselstreek, Salland en Twente betrokken bij een reeks ingrijpende veranderingen. Iedere bewoner wordt onderdaan van een gouw — een landschap met een zekere bestuurlijke samenhang — en gelovige van een kerk. Tevens worden zij deelgenoot van een agrarische omwenteling. Niettemin is de strijd tussen de Saksen en Franken hiermee niet beslist.
In 741 verdeelt Karel Martel zijn rijk onder zijn twee zonen, Karlman Ψ en Pippin III ‘de Korte’. Vlak daarna sterft hij en breekt er een opstand uit.
Pippin III ‘de Korte’ Ψ, 741-768
Karlman en Pippin III ‘de Korte’ vinden het verstandig een Merovingische koning, Childerik III, aan te stellen zonder macht. Aan de gebroederlijke regering komt in 747 een einde doordat Karlman het klooster ingaat.
Pas in 751 zet Pippin III de laatste Merovingische koning af om zichzelf tot koning uit te roepen. In datzelfde jaar helpt hij paus Stephanus II de Longobarden te bestrijden, die Rome belegeren. Pippin III verslaat in opeenvolgende veldtochten in 754 en 756 de Longobarden en verwerft de titel Patricius Romanorum, beschermheer van Rome. Wanneer Pippin III de paus grond schenkt rondom Rome, ontstaat de Kerkelijke Staat.
In 753 en 758 onderneemt Pippin III veldtochten tegen de Saksen en in 759 tegen Septimanië. Hij onderwerpt in 768 het zelfstandig geworden hertogdom Aquitanië. Door al deze veldtochten groeit het Frankische Rijk aanzienlijk in oppervlak. Het hoogtepunt is nog niet bereikt; dat komt pas wanneer zijn zoon Karel I ‘de Grote’ aan de macht komt.
Lebuïnus aan de IJssel
Omstreeks 768 meldt de Angelsaksische priester Lebuïnus zich bij het Utrechtse bisdom. Bisschop Gregorius stuurt hem naar de IJsselstreek, het grensgebied tussen het christelijke Frankenrijk en het Saksische achterland. Samen met zijn metgezel Marchelm bouwt Lebuïnus een eerste kapel in Wilp, ten zuiden van Deventer. Kort daarna steekt hij de IJssel over en sticht op een rivierduin een houten kerkje in Deventer, op de plaats waar zich al een kleine nederzetting bevindt.
De reactie van de Saksen is hevig. Rond 770 steken zij het kerkje in brand. Nadat de rust is teruggekeerd, herbouwt Lebuïnus de kerk. De hagiografie van bisschop Altfried van Hildesheim Ψ, die rond 840 de Vita Liudgeri schrijft, vermeldt dat Lebuïnus zelfs de Saksische volksvergadering bij Marklo aan de Wezer durft te bezoeken, waar hij met de dood wordt bedreigd. In 773 of 774 overlijdt Lebuïnus in Deventer, waar hij in zijn kerkje wordt begraven. Deventer ontwikkelt zich vervolgens tot het missiecentrum voor de kerstening van Salland en delen van Twente. Rondom de kerk ontstaat een kapittelgemeenschap — een college van geestelijken dat de eredienst en het bestuur verzorgt — die het kerkelijk gezag in de wijde omgeving structureert.
Karel I ‘de Grote’ Ψ, 768-814

Na Pippin III ‘de Korte’ nemen in 768 zijn zonen Karel I en Karlman Ψ het bewind over. Karlman sterft al na drie jaar, waardoor Karel I alleen aan de macht komt. Hij maakt een einde aan de Longobardische staat en kroont zich in 774 met hun ijzeren kroon te Pavia.
Karel I bevestigt de schenking van zijn vader aan de paus, zodat de Kerkelijke Staat zijn definitieve vorm krijgt. Tevens ontstaat er een alliantie tussen de paus en de Frankische koning, gericht tegen de Byzantijnen en Longobarden. Hierna richt Karel I ‘de Grote’ gedurende 32 jaar zijn aandacht op de Saksen.
Uiteindelijk onderwerpen de Saksische aanvoerders Alboin en Widukind Ψ zich en laten zij zich dopen. De daaropvolgende overwinningen op Beieren en de Avaren maken Karel I’s rijk zo groot als West-Europa.
Frankisering en gouwindeling
Voordat de strijd tussen de Saksen en Franken door Karel I ‘de Grote’ beslecht wordt, loopt de grens tussen het Frankische Rijk en Saksen ten oosten van de IJssel dwars door de Achterhoek. Mogelijk behoort het latere deel van het bisdom Münster dan tot Saksen. Natuurlijke obstakels, zoals rivieren en moerassen, spelen als grensafbakening een voorname rol.
Pas onder Karel I ‘de Grote’ wordt Saksen definitief aan het Frankische Rijk toegevoegd en daarmee ook de Achterhoek, de Liemers en het Saksische achterland van Salland, Twente en Drenthe. Karel I tekent de bestaande Saksische wetten op en waar deze in gebreke blijven, vult hij ze aan met Frankische wetten. Plaatselijke machthebbers laat hij in hun waarde, maar hij legt hun wel de Frankische machtsstructuur op. Het veroverde gebied wordt onderverdeeld in gouwen, waarin plaatselijke machthebbers worden aangesteld als comes (graaf), die namens Karel I een of meer graafschappen besturen.
In het latere Oost-Nederland zijn verscheidene gouwen herkenbaar. De gouw Salland (Salalant) strekt zich uit rondom Zwolle en de IJssel; in 795 treedt graaf Wracharius Ψ op als graaf van Salalant. Onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van Midden-Salland toont aan dat de gouw aanvankelijk het gebied rondom Zwolle en Dalfsen beslaat en zich geleidelijk uitbreidt naar het noorden en oosten. De gouw Twente (Tuianti) beslaat het gebied ten oosten van de Sallandse Heuvelrug. Langs de IJssel en in de Achterhoek ligt het graafschap Hamaland. Drenthe, grotendeels omgeven door uitgestrekte venen en moerassen, wordt geleidelijk in het Frankische bestel opgenomen, maar het bestuur blijft er langer ingebed in lokale gemeenschappen. Steden kent Drenthe in deze periode niet; het esdorpenlandschap — de kenmerkende combinatie van brinknederzetting, es en heidegrond, die het Drentse platteland tot op heden kenmerkt — vormt er de basis van de samenleving.
De frankisering brengt ingrijpende veranderingen in het landschap met zich mee. Archeologisch onderzoek in Centraal-Salland heeft aangetoond dat nederzettingen worden verplaatst of anders ingericht, zoals in Colmschate en Zelhem, ten dienste van een efficiëntere exploitatie van het land. Deventer en Zutphen groeien uit tot bestuurlijke en kerkelijke centra, met koninklijk bezit langs de IJssel. Liudger, opvolger van Lebuïnus, herbouwt de vervallen kerk in Deventer en wordt in 805 de eerste bisschop van Münster. De bisdomgrens tussen Utrecht en Münster, die dwars door de Achterhoek en Salland loopt, weerspiegelt de faseverschillen in de kerstening: het westelijke deel rond de IJssel is eerder Frankisch georiënteerd dan Twente en de oostelijke Achterhoek.
Deze heersende klasse zal door middel van huwelijken spoedig versmelten met de bestaande Frankische adel. Zonder problemen verloopt dit proces niet, want na Karel I valt het Karolingische Rijk al uiteen in meerdere rijken.
Keizerskroning en het Heilige Roomse Rijk

Aan het hof te Aken komt de Latijnse literatuur tot grote bloei. De in Engeland geboren Alcuïn is hiervoor verantwoordelijk. Hij sticht tevens scholen in alle grote steden van het rijk.
Met Kerstmis 800 wordt Karel I tot keizer gekroond door paus Leo III. In de belevingswereld van de middeleeuwse mens bestaat er slechts één keizerrijk — hoewel het Byzantijnse Rijk in het oosten voortbestaat en deze aanspraak betwist. Het zegel van Karel I draagt de tekst Renovatio Romani Imperii, vernieuwing van het Romeinse Rijk. Na zijn kroning wordt dit het Heilige Roomse Rijk, de voertaal is Latijn, en tot in de negentiende eeuw zullen de heersers zich tooien met Imp. Rom. (Imperator Romanorum).
In 808 breekt een oorlog uit met de Deense koning Godfried I van Westfold Ψ, die de Saksen steunt tijdens hun opstand, zodat Noord-Europa ook op de kaart staat. Van de toekomstige invallen der Noormannen zullen de Franken veel last krijgen.
Pas in 811 wordt de vrede met Hemming Ψ, opvolger en neef van Godfried I, gesloten. De noordgrens van het Frankische Rijk wordt vastgelegd bij de rivier de Eider. Wichman I Ψ, grootvader van graaf Wichman (II) van Hamaland Ψ, treedt hierbij op als afgezant van Karel I. Mogelijk treedt ook Meginhard I Ψ als onderhandelaar op.
Karel I ‘de Grote’ trouwt tijdens zijn leven enkele malen en hij heeft bij bijna al zijn echtgenotes kinderen gekregen. Zijn huwelijk met Hildegard Ψ, dochter van graaf Gerold I van Kraichgouw Ψ en Imma van Lahngouw Ψ, brengt de oudste zonen en erfgenamen voort. In 814 overlijdt Karel I, waarna zijn zoon Lodewijk (I) hem als keizer opvolgt.
Lodewijk I ‘de Vrome’ Ψ, 814-840
Keizer Ludovicus of Louis, beter bekend als Lodewijk I ‘de Vrome’, volgt Karel I ‘de Grote’ op. Hij trouwt tweemaal. Eerst in 794 met Irmingard van Haspengouw Ψ, bij wie hij drie zonen krijgt. Op een rijksdag in Aken in 817 verdeelt hij onder zijn zonen het immense Frankische Rijk in drie gelijkwaardige delen. Zijn jongste zoon Lodewijk (II) krijgt Beieren — vandaar zijn later toegekende bijnaam Lodewijk II ‘de Duitser’. De middelste, Pippin Ψ, krijgt Aquitanië. De oudste zoon, Lothar (I) Ψ (Lotharius), wordt mederegent en medekeizer over het gehele rijk.
Deze regeling valt niet bij iedereen in goede aarde. Bernard Ψ, zoon van Lodewijk I’s broer Pippin van Italië Ψ en koning van de Italiaanse provincies, komt in opstand en wordt verslagen. Lothar I krijgt Italië erbij. Het Frankische Rijk wordt er niet overzichtelijker op.
De tweede maal trouwt Lodewijk I in 819 met Judith Ψ, dochter van Welf van Argengouw Ψ, bij wie hij nog een zoon verwekt: Karel (II) Ψ, die bekend zal worden als ‘de Kale’. In 829 creëert keizer Lodewijk I een nieuw koninkrijk, Alemannië, voor zijn dan zesjarige zoontje. Pippin van Aquitanië Ψ en Lothar I worden boos op deze inbreuk op hun eerste geboorterecht en rukken met hun legers op tegen hun vader. De keizer wordt gesteund door zijn zoon Lodewijk II ‘de Duitser’. De keizer wint en Lothar I is medekeizer af. Hij blijft wel koning van Italië.
Enkele jaren later worden de geschillen tussen de drie oudste zonen bijgelegd. Samen voeren ze oorlog tegen hun vader en jongere halfbroertje. Paus Gregorius treedt op als bemiddelaar, maar zijn gedrag doet de edelen overlopen naar de drie broers, hetgeen ook de bedoeling van de paus is. In de veldslag die volgt, wordt keizer Lodewijk I verslagen en afgezet. Niet voor lang, want de broers zijn het al snel weer oneens en enkele jaren later komt Lodewijk I wederom op de troon.
Pippin van Aquitanië sterft intussen en zijn beide zonen erven niets. Het koninkrijk van Lodewijk II ‘de Duitser’ wordt ingekrompen tot Beieren. De rest van het Frankische Rijk wordt verdeeld tussen Lothar I en Karel II.
In 837 worden onderhandelingen begonnen om het rijksgebied in drie zelfstandige koninkrijken op te delen: West-Franken, Oost-Franken en het Middenrijk. Voordat het akkoord definitief tot een goed einde wordt gebracht, overlijdt in 840 na een turbulent familieleven keizer Lodewijk I ‘de Vrome’.

Lodewijk II ‘de Duitser’ Ψ, 840-876
De Karolingische draad wordt gevolgd naar Oost-Franken, omdat zowel de Graafschap als het Oversticht en Drenthe volgens het verdrag van Verdun uit 843 bij dit koninkrijk horen. De Lotharingse kwestie — het voortdurende geschil over de erfenis van het Middenrijk — zal de volgende decennia de rijkspolitiek domineren.
Lodewijk II volgt zijn vader Lodewijk I op als koning van Beieren. Hij trouwt met Hemma Ψ, een zuster van zijn stiefmoeder Judith. Het paar krijgt zeven kinderen: drie zonen — Karlman Ψ, Lodewijk III ‘de Jongere’ Ψ en Karel III ‘de Dikke’ — en vier dochters. De geschiedenis blijft zich herhalen. Opnieuw strijden de broers onderling en met hun ooms in het Middenrijk en West-Franken om de zeggenschap.
Na de slag bij Fontenoy weet Lodewijk II zijn koninkrijk uit te breiden met Saksen, Oost-Franken, Alemannië en Thüringen. Een enorme gebiedstoename. In 867 weet hij daar ook nog de Elzas aan toe te voegen in ruil voor de erkenning van Lothar II’s bastaardzoon Hugo (II) van Elzas Ψ. Daarna profiteert Lodewijk II van de chaos in het Middenrijk, wanneer Lothar II van Lotharingen Ψ zonder wettige erfgenaam sterft.
In 858 valt Lodewijk II onverrichterzake het West-Frankische Rijk van Karel II ‘de Kale’ binnen. Het is de eerste van Duits-Franse oorlogen, die in bijna iedere eeuw zullen opduiken. In 864 weet hij in het zuidoosten van zijn rijk eindelijk de Moraviërs te onderwerpen. In 869 laat Lodewijk II zich als koning van Lotharingen huldigen. De Lotharingse kwestie lijkt opgelost te worden met het verdrag van Meerssen in 870. Niets is minder waar. In 876 probeert Karel II ‘de Kale’ opnieuw Lotharingen aan zijn rijk toe te voegen. Lodewijk II is dan te oud om in het strijdperk te treden en zijn zoon Lodewijk III ‘de Jongere’ neemt de honneurs waar. Bij Andernach wordt Karel II verpletterend verslagen. Lotharingen wordt definitief aan het Oost-Frankische Rijk toegevoegd. In datzelfde jaar komt Lodewijk II te overlijden.
Karel III ‘de Dikke’ Ψ, 876-887
De drie zonen van Lodewijk II ‘de Duitser’ worden in 876 koning. Karlman in Beieren, Lodewijk III in Saksen en Karel III in Zwaben. Karel III ‘de Dikke’ profiteert vervolgens van het vroege overlijden van beide broers. Karlman van Beieren overlijdt al in 880, waarbij hij een volwassen bastaardzoon, Arnulf geheten, achterlaat. Arnulf krijgt uit de erfenis het markgraafschap Karinthië toebedeeld. Lodewijk III ‘de Jongere’ overlijdt twee jaar later en laat alleen een dochter na. Karel III heeft het rijk alleen.
In 880 wordt Karel III tot keizer verheven. Tijdens zijn bewind wordt het grootste deel van het Frankische Rijk weer één geheel.
Vikingaanvallen aan de IJssel
Karel III ‘de Dikke’ komt in de problemen wanneer hij uitzichtloze veldtochten naar Bohemen en Italië uitvoert, terwijl Noormannen de Rijn, Schelde, Seine en Maas op- en afvaren. In 882 bereikt de dreiging ook de IJsselstreek. Vikingen varen de IJssel op en vallen zowel Deventer als Zutphen aan. De Frankische rijkskronieken vermelden de aanval, en recent archeologisch onderzoek heeft de schaal van de verwoesting zichtbaar gemaakt. In Deventer brandt de handelsnederzetting — inmiddels uitgegroeid tot een strook van zo’n vijfhonderd meter langs de rivier — tot de grond toe af. In Zutphen richten de aanvallers een slachtpartij aan onder de bevolking. Bij opgravingen op het ‘s-Gravenhof in 1997 zijn de resten van dit drama aangetroffen: verbrande hutten met menselijke skeletten, massaal geslacht vee, en scherven van een gebroken Rijnlandse wijnkruik. Een skelet van een vrouw van rond de 35 jaar toont haksporen van een bijl of zwaard. Een muntje uit York wijst erop dat deze Vikingen vermoedelijk uit Engeland afkomstig zijn.

Na de aanval worden in beide steden verdedigingswerken opgetrokken, die samen de vroegste bekende stadsverdedigingen in Nederland vormen. In Deventer leggen de overlevenden een aarden wal aan van ruim een kilometer lang en drie tot vijf meter hoog; de Stenenwal in de huidige binnenstad is daarvan een zichtbaar overblijfsel. In Zutphen wordt onder leiding van de Hamalandse graaf Eberhard ‘de Saks’ een ringwalburg aangelegd — een ronde versterkte nederzetting met een gracht van ruim twintig meter breed en een wal van zo’n vijf meter hoog. Onderzoek naar deze verdedigingswerken plaatst ze in het kader van de vroegmiddeleeuwse Burgenordnung, het stelsel van burchten dat het Oost-Frankische Rijk tegen Vikingaanvallen moest beschermen. Het Gravenhof in het huidige centrum van Zutphen is het voormalige centrale plein van deze ringwalburg. Aan de overzijde van de IJssel hebben archeologen recentelijk een Vikingenkamp van zo’n twaalf hectare gelokaliseerd, met vondsten van Scandinavische mantelspelden en spelstukken van het bordspel Hnefatafl, die wijzen op een langer verblijf.
Er wordt in 885 alleen met Godfried II ‘de Deen’ Ψ afgerekend, niet door inzet van het leger, maar door een aanslag. Bovendien heeft Karel III te kampen met een slechte gezondheid.
In 887 zijn de keurvorsten zijn bewind zat en wordt Karel III gedwongen zijn keizerskroon af te zetten. Hierna gaan het Oost-Frankische en West-Frankische Rijk en Italië ieder huns weegs en kiezen een eigen regent. Arnulf van Karinthië wordt in Oost-Franken tot koning verheven.
Vlak daarna overlijdt Karel III op 13 januari 888. Ook hij laat alleen een bastaardzoon achter, Bernard Ψ geheten. Deze overlijdt al in zijn tienerjaren en kan de dynastie niet voortzetten.
Arnulf van Karinthië Ψ, 887-899
Arnulf van Karinthië is de zoon van Karlman van Beieren en een neef van Karel III ‘de Dikke’. In 887 volgt hij Karel III als koning van Oost-Franken op. Het door Karel III verenigde Frankische Rijk valt definitief uiteen. Arnulf heeft geen ambitie — of misschien ontbreekt het hem aan macht — om in het gehele Frankische Rijk zich als koning te laten erkennen. Arnulf beschouwt zichzelf meer als opvolger van zijn grootvader Lodewijk II ‘de Duitser’. Arnulfs inmenging in het koninkrijk Lotharingen valt dan ook in dit licht te bezien.
In 888 weet hij zijn macht in Lotharingen ten gelde te maken, waar hij in 895 zijn bastaardzoon Zwentibold op de troon zet. In 892 weet Arnulf de Vikingen in Leuven te verslaan, na aanvankelijk een nederlaag bij Meerssen te hebben geleden. De Vikingen opereren hierbij als landleger — mogelijk als gevolg van de burgenbouw aan de grote rivieren, waaronder de ringwalburgen van Deventer en Zutphen, hebben zij hun boten verlaten.
Arnulf weet spoedig de zelfverklaarde koningen Berengar I in Italië Ψ, Odo in West-Franken Ψ en Rudolf I in Hoog-Bourgondië Ψ met een leenverhouding — een band tussen heer en leenman, gebaseerd op wederzijdse trouw en verplichtingen — aan zich te binden. Vervolgens weet hij in 894 de Italiaanse troon te veroveren, waarna hij met een tweede veldtocht in 896 Rome verovert en als keizer wordt erkend.
Ook Arnulf kent opvolgingsproblemen. In 889 vraagt hij op een rijkslanddag in Forchheim de verzamelde rijksgroten zijn beide bastaardzonen, Zwentibold en Ratold Ψ, als eventuele opvolgers in Oost-Franken te erkennen. Het komt tot een compromis: erkenning volgt, maar de verzamelde heren wensen wel mee te regeren.
In de vete tussen de Babenbergers en Konradijnen kiest Arnulf partij voor de Konradijnen. Hij gaat een huwelijk aan met de achttien jaar jongere Konradijnse Oda Ψ, dochter van graaf Berengar van Hessengouw Ψ. Bij haar krijgt Arnulf alsnog de vurig gewenste opvolger: Lodewijk (IV) ‘het Kind’. Toch komt de dynastie in problemen wanneer Arnulf zes jaar later overlijdt en zijn wettige erfopvolger minderjarig achterblijft.
Lodewijk IV ‘het Kind’ Ψ, 900-911
Op zesjarige leeftijd wordt Lodewijk IV ‘het Kind’ op 4 februari 900 tot koning van Oost-Franken gekroond. In maart wordt hij tot koning van Lotharingen gekroond, ten faveure van Zwentibold. Het moge duidelijk zijn dat Lodewijk IV een speelbal is van de machtige adellijke families, de Konradijnen voorop.
Veel kans om zich als heerser te ontplooien is Lodewijk IV niet vergund. Hij wordt maar achttien jaar oud, zodat zijn bijnaam ‘het Kind’ voor de hand ligt.
Lodewijk IV is de laatste Duitse koning uit het huis van Karel I ‘de Grote’. De Konradijn Koenraad (I) Ψ treedt als koning naar voren, maar na hem zal het Saksische huis zijn opwachting maken. Het Karolingische Rijk is ten einde, het Heilige Roomse Rijk wacht. Maar het Karolingische bloed zal nog lang een rol spelen in de Europese adelshuizen. En in het Oversticht wacht een verdere machtsverschuiving: wanneer keizer Hendrik IV in 1086 de gouwen Salland, Twente, Vollenhove en Drenthe overdraagt aan het bisdom Utrecht, komt het gehele gebied onder bisschoppelijk gezag. De kiem van het Oversticht als bestuurlijke eenheid is daarmee gelegd.
Bronnen
Primaire bronnen en edities
- Annales Fuldenses, in: R. Rau (Hrsg.), Quellen zur karolingischen Reichsgeschichte, dl. 3, Darmstadt, 1960, pp. 19–177.
- Altfried van Hildesheim, Vita Liudgeri, ed. W. Diekamp, Die Vitae Sancti Liudgeri, Münster, 1881.
Literatuur
- M.H. Bartels & M. Groothedde, ‘Deventer and Zutphen, medieval Burgenordnung in the eastern Netherlands?’, in: B. Ludowici et al. (Hrsg.), Neue Studien zur Sachsenforschung, Band 1, Hannover, 2010, pp. 238–254. Online beschikbaar via Academia.edu.
- M. Groothedde, ‘Zutphen, Königshof und kaiserliche Pfalz’, in: Burgen und Schlösser in den Niederlanden und in Nordwestdeutschland (Forschungen zu Burgen und Schlössern, Band 8), München/Berlin, 2004, pp. 49–58.
- E. Hlawitschka, Lotharingien und das Reich an der Schwelle der deutschen Geschichte, Schriften der Monumenta Germaniae historica, Band 21, Anton Hiersemann, Stuttgart, 1968, pp. 26–64.
- E. Hlawitschka, Lotharingien und das Reich, 1968, pp. 65–84.
- H. Slechte, Geschiedenis van Deventer, 2 dln., Walburg Pers, Zutphen, 2010.
- Th. Spek, Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie, dissertatie Wageningen, Utrecht, 2004.
- Th. Spek, H. van der Velde, B. Terlouw & H. Hannink, Raalte in de prehistorie en de middeleeuwen. Het landschap van Midden-Salland en haar bewoners, Stichting Matrijs, Utrecht, 2018.
- L. van der Tuuk, Noormannen in de Lage Landen. Handelaren, huurlingen en heersers, Omniboek, Utrecht, 2015.
- H.M. van der Velde, Wonen in een grensgebied. Een langetermijngeschiedenis van het Oost-Nederlandse cultuurlandschap (500 v.Chr.–1300 na Chr.), Nederlandse Archeologische Rapporten 40, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, 2011. Online beschikbaar via VU Research Portal.
- H.M. van der Velde (red.), Germanen, Franken en Saksen in Salland. Archeologisch en landschappelijk onderzoek, ADC-Monografie 1, Amersfoort, 2007.
- K. van Vliet, In kringen van kanunniken. Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695–1227, Walburg Pers, Zutphen, 2002.
Online bronnen
- Mittelalterliche Genealogie im Deutschen Reich bis zum Ende der Staufer, Karl-Heinz Schreiber (geraadpleegd maart 2026).
- Genealogie der Franken, Karl-Heinz Schreiber (geraadpleegd maart 2026).
Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Dingxdages op Heilige Lodewijk dach, dat was op ten vijfden ende twintigsten dach der maent van Augusti.