Zoeken

Het Heilige Roomse Rijk (1024-1250)

Het Salische, Staufische, en Welfische huis

Koenraad II Ψ, 1024-1039

In 1024 sterft Hendrik II, de laatste keizer uit het Ottoonse huis, zonder mannelijke erfgenaam. De rijksgroten kiezen Koenraad II tot koning — een telg uit het Salisch-Frankische huis, afkomstig uit het hertogdom Franken. Het is een bewuste keuze: de nieuwe dynastie staat niet in de directe bloedlijn van de Ottonen, maar Koenraad weet zich via zijn echtgenote Gisela Ψ, dochter van Herman II, hertog van Zwaben Ψ, toch te verbinden met het vorige koningshuis. Gisela is weduwe van achtereenvolgens Bruno IV van Brunswijk Ψ en Ernst I van Zwaben Ψ — een huwelijksgeschiedenis die haar positie aan het hof zowel versterkt als compliceert. In 1027 wordt Koenraad in Rome tot keizer gekroond.

Voor Oost-Nederland is Koenraads regering van directe betekenis. In 1024 of 1025 verwerft bisschop Adelbold II Ψ van Utrecht de grafelijke rechten over Drenthe, waarmee de basis wordt gelegd voor het latere Sticht — het wereldlijke machtsgebied van de Utrechtse bisschop. Drenthe, tot dan toe bestuurd door lokale graven, komt daarmee onder bisschoppelijk gezag. Het is een vroege toepassing van het zogeheten rijkskerkensysteem: de keizer delegeert wereldlijk bestuur aan bisschoppen, die in tegenstelling tot erfelijke graven geen nageslacht hebben dat aanspraken op het ambt kan maken. Bij elke bisschopswisseling keert de benoemingsmacht terug naar de kroon. Het systeem werkt — zolang de keizer de bisschoppen kan benoemen.

Koenraad II sterft op 4 juni 1039 in Utrecht, vermoedelijk aan jicht. Zijn ingewanden worden bijgezet in de Utrechtse Dom, zijn lichaam per schip via Keulen en Mainz naar de dom van Speyer gebracht — het familiegraf dat de Saliërs tot hun dynastieke monument zullen maken.

Hendrik III Ψ, 1039-1056

Na Koenraad II komt diens zoon Hendrik III aan de beurt. Deze heeft net als zijn grote voorganger Otto I Ψ nogal wat pausen versleten. Op de synode van Sutri (1046) zet Hendrik III in één keer drie rivaliserende pausen af en benoemt een eigen kandidaat: Clemens II. In totaal benoemt hij vier Duitse bisschoppen tot paus. Het is keizerlijke machtspolitiek in optima forma, al zal het onbedoeld de positie van het pausdom versterken — de pausen die Hendrik aanstelt zijn hervormingsgezind en zullen de onafhankelijkheid van de kerk bevorderen die zijn zoon zo duur komt te staan.

Hendrik III is eerst getrouwd met Gunhild Ψ, dochter van Knut I ‘de Grote’ Ψ van Denemarken, die in 1038 overlijdt. Zij schenkt hem een dochter, Beatrix Ψ. Pas in 1043 hertrouwt Hendrik met Agnes Ψ, dochter van Willem V Ψ, hertog van Aquitanië, en Agnes van Mâcon Ψ — een vrouw van Karolingisch bloed. In de eerste jaren van dit huwelijk worden uitsluitend dochters geboren: Adelheid Ψ, Gisela Ψ en Mathilde Ψ. Pas op 11 november 1050 komt de vurig gewenste troonopvolger ter wereld: de latere Hendrik IV. Daarna worden nog een zoon, Koenraad Ψ (later hertog van Beieren), en een dochter, Judith Ψ, geboren.

Voor het Oversticht en de Graafschap is Hendrik III’s regering een scharnierpunt. In 1046 schenkt hij voor de tweede maal grafelijke rechten in Hamaland — het latere graafschap Zutphen — aan het bisdom Utrecht. Daarmee zet hij de Ottoonse lijn voort: lokale graven verliezen macht aan de bisschop, die als rijksvorst namens de keizer bestuurt. Het Oversticht (Salland, Twente, Vollenhove) en Drenthe vallen nu stevig onder bisschoppelijk gezag. Het is een constructie die werkt zolang de keizer de bisschop aanwijst. Die voorwaarde zal niet lang meer standhouden.

Hendrik IV Ψ, 1056-1106

Hendrik IV smeekt markgravin Mathilde van Toscane en abt Hugo van Cluny om bemiddeling bij paus Gregorius VII, januari 1077. Miniatuur uit de Vita Mathildis van Donizo van Canossa, vervaardigd omstreeks 1115 (Vaticaanse Bibliotheek, Cod. Vat. lat. 4922).
Hendrik IV smeekt markgravin Mathilde van Toscane en abt Hugo van Cluny om bemiddeling bij paus Gregorius VII, januari 1077. Miniatuur uit de Vita Mathildis van Donizo van Canossa, vervaardigd omstreeks 1115 (Vaticaanse Bibliotheek, Cod. Vat. lat. 4922).

Het lange bewind van Hendrik IV — vijftig jaar als koning, waarvan tweeëntwintig als keizer — is getekend door de investituurstrijd, de machtsstrijd tussen kroon en pausdom over de benoeming van bisschoppen. Die strijd draait niet om theologie maar om politiek: wie de bisschoppen benoemt, controleert het bestuursapparaat van het rijk.

Hendrik is zes jaar oud wanneer zijn vader sterft. Zijn moeder Agnes treedt op als regentes, maar verliest in 1062 de feitelijke macht wanneer aartsbisschop Anno II van Keulen Ψ de jonge koning ontvoert tijdens de staatsgreep van Kaiserswerth. Hendrik groeit op als speelbal van kerkelijke en wereldlijke machthebbers — een ervaring die zijn latere wantrouwen jegens de rijksgroten helpt verklaren.

De Saksische Opstand van 1073–1075 vormt de eerste grote crisis van zijn bewind. De Salische keizers zijn afkomstig uit het Rijnland en voeren in Saksen een agressief beleid: zij eigenen zich grootgrondbezit toe, laten het besturen door vertrouwelingen uit het zuiden en bouwen kastelen en paltsen (tijdelijke keizerlijke residenties). Zowel de Saksische adel als de vrije boeren verzetten zich tegen deze vreemde overheersing. Hendrik slaat de opstand neer, maar de Saksische oppositie blijft sluimeren en zal hem later opnieuw parten spelen.

In 1075 barst het conflict met paus Gregorius VII los. De paus verbiedt de lekeninvestituur — het recht van wereldlijke heersers om bisschoppen en abten in hun ambt te bevestigen. Dit raakt de kern van het rijkskerkensysteem waarop de Salische macht steunt. Hendrik benoemt desondanks een aartsbisschop in Milaan. De paus doet hem in de ban; Hendrik roept een synode bijeen in Worms die de paus afzet. Het is een patstelling die beide partijen naar het uiterste drijft.

De Duitse vorsten, die hun eigen redenen hebben om een zwakke koning te prefereren, dreigen een tegenkoning te kiezen als Hendrik niet snel van zijn excommunicatie (uitsluiting uit de kerkelijke gemeenschap) wordt ontheven. Hendrik maakt een spectaculaire zet: in januari 1077 trekt hij over de Alpen naar het kasteel Canossa, waar Gregorius verblijft bij markgravin Mathilde van Toscane. Drie dagen wacht hij — naar de overlevering blootsvoets in de sneeuw — op de binnenplaats voordat de paus hem ontvangt en de ban opheft. Het is een meesterzet van politieke berekening, vermomd als boetedoening: de paus kan een berouwvolle zondaar canoniek gezien niet weigeren. De spreekwoordelijke ‘gang naar Canossa’ is geboren.

Het conflict laait daarna opnieuw op. De paus benoemt tegenkoningen: achtereenvolgens Rudolf van Zwaben en Herman van Salm Ψ. Hendrik verovert in 1084 Rome, verdrijft Gregorius en laat tegenpaus Clemens III hem tot keizer kronen. Gregorius sterft een jaar later in ballingschap in Salerno.

Voor het Oversticht en Drenthe heeft de investituurstrijd indirecte maar verstrekkende gevolgen. Zolang de keizer de Utrechtse bisschop benoemt, is het bisdom een verlengstuk van de rijkspolitiek. De bisschoppen die onder Ottoons en vroeg-Salisch bewind worden aangesteld zijn doorgaans loyale rijksambtenaren die het Oversticht namens de kroon besturen. De investituurstrijd ondermijnt dit systeem structureel.

In 1095 roept paus Urbanus II op tot de Eerste Kruistocht. Tienduizenden trekken naar het Heilige Land; in 1099 wordt Jeruzalem veroverd. Over specifieke deelname uit het Oversticht of de Graafschap aan deze eerste expeditie is weinig overgeleverd.

Hendrik IV sterft in 1106 in Luik, afgezet door zijn eigen zoon.

Hendrik V Ψ, 1106-1125

Hendrik V, de zoon die zijn vader van de troon heeft gestoten, zet aanvankelijk diens politiek voort. Ook hij raakt verwikkeld in conflicten met het pausdom over de investituur. Na jarenlang onderhandelen bereiken Hendrik V en paus Calixtus II in 1122 een compromis: het Concordaat van Worms. De keizer doet afstand van het recht bisschoppen met ring en staf te investeren — de symbolen van het geestelijk ambt. Hij behoudt echter het recht hen vóór hun wijding met de scepter te belenen, het teken van hun wereldlijke rechten en bezittingen. In de praktijk behoudt de keizer in Duitsland aanzienlijke invloed op bisschopsbenoemingen, maar het principe is doorbroken.

Voor het bisdom Utrecht zijn de gevolgen ingrijpend. De keizer kan de Utrechtse bisschop niet langer rechtstreeks benoemen; voortaan kiest het domkapittel een kandidaat, die door de paus wordt bevestigd. In theorie versterkt dit de onafhankelijkheid van de kerk. In de praktijk ontstaat een vacuüm: naburige machthebbers — de graven van Gelre en Holland voorop — oefenen druk uit op het kapittel om hun eigen kandidaten op de bisschopszetel te krijgen. Zij hebben, anders dan de keizer, geen belang bij een sterk en intact bisdom. Integendeel: zij willen bisschoppelijk gebied inpalmen. Het is het begin van een langzame erosie van het bisschoppelijk gezag over het Oversticht die de volgende eeuwen zal kenmerken.

Hendrik V trouwt tweemaal maar krijgt geen kinderen. Met hem sterft het Salische huis uit. De macht verschuift naar Saksen.

Lothar III Ψ, 1125-1137

Na het uitsterven van de Saliërs kiezen de rijksgroten in Mainz bewust niet de Hohenstaufse kandidaat Frederik II van Zwaben Ψ — neef van de overleden Hendrik V — maar Lothar van Supplinburg, hertog van Saksen. Het is een principiële keuze voor het verkiezingsbeginsel boven het erfrecht, en het begin van de langdurige rivaliteit tussen het Welfische en het Staufische kamp die de rijkspolitiek meer dan een eeuw zal beheersen.

Lothar is geen obscure figuur. Door huwelijk met Richenza van Northeim Ψ heeft hij de bezittingen van meerdere Saksische adellijke huizen verenigd en is hij de machtigste vorst in Noord-Duitsland geworden. Als keizer voert hij een actieve politiek van uitbreiding naar het noordoosten: de kerstening en kolonisatie van Slavische gebieden in Pommeren, Holstein en het Elbgebied — het begin van wat latere historici de Ostsiedlung (de oostwaartse kolonisatiebeweging) noemen. Hij verleent de Schauenburgers de graafschappen Holstein en Stormarn en legt daarmee de basis voor de noordelijke expansie die uiteindelijk de Hanze en de Duitse Orde zal voortbrengen.

Lothar sterft in december 1137 op terugreis uit Italië, zonder mannelijke erfgenaam. Zijn schoonzoon Hendrik X ‘de Trotse’ Ψ, hertog van Beieren en Saksen, is de machtigste Welf in het rijk — maar de rijksgroten kiezen de Staufer Koenraad, waarmee de Welf-Staufer-tegenstelling definitief ontbrandt.

Koenraad III Ψ, 1138-1152

Koenraad III is de eerste Hohenstaufen op de troon, maar hij wordt nooit tot keizer gekroond — hij blijft Rooms-Koning. Zijn bewind wordt beheerst door de strijd met de Welfen om de hertogdommen Saksen en Beieren. In 1146 roept paus Eugenius III op tot de Tweede Kruistocht. Het is abt Bernardus van Clairvaux die met zijn prediking de geestdrift aanwakkert. De Franse koning Lodewijk VII Ψ en Koenraad III nemen samen het kruis op en trekken naar het Heilige Land. De onderneming wordt een mislukking op vrijwel alle fronten.

Frederik I ‘Barbarossa’ Ψ, 1152-1190

Frederik I 'Barbarossa' op de keizerstroon, geflankeerd door zijn zonen. Miniatuur uit de Historia Welforum, vervaardigd omstreeks 1170–1180 aan een Zuid-Duits scriptorium (Hessische Landesbibliothek Fulda, Cod. D.11).
Frederik I ‘Barbarossa’ op de keizerstroon, geflankeerd door zijn zonen. Miniatuur uit de Historia Welforum, vervaardigd omstreeks 1170–1180 aan een Zuid-Duits scriptorium (Hessische Landesbibliothek Fulda, Cod. D.11).

Met Frederik I ‘Barbarossa’, neef en opvolger van Koenraad III, begint het meest ambitieuze Hohenstaufse keizerschap. Frederik onderneemt meerdere campagnes in Italië om zijn afbrokkelende gezag te herstellen. De Noord-Italiaanse steden, die tijdens de investituurstrijd aanzienlijke zelfstandigheid hebben verworven, verzetten zich tegen de keizerlijke aanspraken. Het pausdom steunt hun weerstand en speelt tegelijkertijd Frederiks binnenlandse tegenstanders — de Welfen — tegen hem uit.

De Rijksdag van Roncaglia (1158)

Op de Rijksdag van Roncaglia bij Piacenza in november 1158 laat Frederik door juristen van de universiteit van Bologna een systematisch overzicht opstellen van de rechten die de keizer toekomen — de zogeheten regalia (koninklijke rechten). Het resultaat, de Constitutio de regalibus, is een schriftelijke vastlegging van rechten die de rijksvorsten in de praktijk al lang uitoefenen maar die nu een formele wettelijke basis krijgen. Tot de opgesomde regalia behoren het recht de heerban (de militaire oproep aan leenmannen) bijeen te roepen, het heffen van tol, het slaan van munten, het recht op boeten en andere opbrengsten van de rechtspraak, de aanstelling van rechters, het recht op onbeheerde en verbeurd verklaarde goederen, op woeste gronden, op grote stromen, beken, wind, heerbanen, veer- en visrechten, en de tienden van nieuw ontgonnen land.

De Constitutio richt zich primair op de Italiaanse steden, maar de regalia-catalogus weerspiegelt rechten die ook in het Oversticht en de Graafschap gelden. Wanneer de Utrechtse bisschop tol heft op de IJssel, recht spreekt op de Spoelder- en Markelerberg, of de heerban oproept in Salland — het zijn stuk voor stuk regalia die uiteindelijk van de kroon zijn afgeleid.

De val van Hendrik ‘de Leeuw’

Frederiks machtigste binnenlandse rivaal is zijn Welfische neef Hendrik XI van Saksen Ψ, bijgenaamd ‘de Leeuw’. Als hertog van Saksen én Beieren beheerst Hendrik ‘de Leeuw’ een enorm machtsblok in het noorden en zuiden van het rijk. Wanneer hij in 1176 weigert Frederik te steunen in Italië, keert het tij. De Duitse vorsten scharen zich achter de keizer; Hendrik wordt in 1180 in de rijksban gedaan en verliest zijn hertogdommen. Het hertogdom Saksen wordt opgesplitst — een machtsverschuiving die de politieke verhoudingen in heel Noord-Duitsland herordent. De aartsbisschop van Keulen krijgt Westfalen, het resterende Saksen gaat naar de Askaniers. Voor het Oversticht betekent de val van ‘de Leeuw’ dat de directe druk van een machtige Saksische hertog op het bisdom Utrecht wegvalt — tijdelijk althans.

De Derde Kruistocht

In 1189, op een leeftijd die de meeste tijdgenoten niet bereiken, verzamelt Frederik een enorm leger voor de Derde Kruistocht. Vanuit de Lage Landen voegen zich onder anderen graaf Philip van Vlaanderen Ψ, graaf Floris III van Holland Ψ en Otto I van Gelre Ψ bij de expeditie. De Gelrese graaf trekt met zijn gevolg naar het oosten — het is een van de vroegste gedocumenteerde deelnames vanuit de Graafschap aan een kruistocht.

Het kruisvaarderleger vertrekt uit De Graafschap, 1189. Graaf Otto I van Gelre voegt zich met zijn gevolg bij de Derde Kruistocht onder keizer Frederik I 'Barbarossa'. De gele vaandels met rode rozen tonen het oude wapen van Gelre ( AI-gegenereerd).
Het kruisvaarderleger vertrekt uit De Graafschap, 1189. Graaf Otto I van Gelre voegt zich met zijn gevolg bij de Derde Kruistocht onder keizer Frederik I ‘Barbarossa’. De gele vaandels met rode rozen tonen het oude wapen van Gelre ( AI-gegenereerd).

 

De onderneming eindigt in een reeks rampen. Frederik verdrinkt op 10 juni 1190 bij de oversteek van de rivier de Salef in Klein-Azië. Met hem verdwijnt de samenbindende kracht van het leger; veel ridders en hun manschappen deserteren. Otto I van Gelre besluit terug te keren. In Antiochië breekt een epidemie uit die Floris III van Holland het leven kost. Filips van de Elzas sterft kort daarna bij het beleg van Akko. De kruistocht gaat voort onder leiding van de Franse en Engelse koningen, maar voor de deelnemers uit de Lage Landen is de balans verwoestend.

Hendrik VI Ψ, 1190-1197

Hendrik VI wordt in 1191 door paus Celestinus III tot keizer gekroond in Rome. De miniatuur is van de hand van Pietro da Eboli, een chroniqueur aan het Hohenstaufse hof in Zuid-Italië.
Hendrik VI wordt in 1191 door paus Celestinus III tot keizer gekroond in Rome. De miniatuur is van de hand van Pietro da Eboli, een chroniqueur aan het Hohenstaufse hof in Zuid-Italië.

Hendrik VI, zoon en opvolger van Frederik I ‘Barbarossa’, trouwt met de Normandisch-Siciliaanse erfgename Constance Ψ, waardoor het koninkrijk Sicilië aan het Hohenstaufse machtsgebied wordt toegevoegd. Het is een dynastieke coup die het rijk enorm uitbreidt maar ook de vijandschap van het pausdom verdiept: de paus zit nu ingeklemd tussen Hohenstaufs Duitsland in het noorden en Hohenstaufs Sicilië in het zuiden. Hendrik sterft in 1197 in Messina, amper tweeëndertig jaar oud. Zijn zoon Frederik is drie jaar.

Philips van Zwaben Ψ, 1198-1208

Met de dood van Hendrik VI barst de strijd om het keizerschap in volle hevigheid los. Twee kampen staan tegenover elkaar: de Hohenstaufen en de Welfen. Philips van Zwaben, jongste zoon van Frederik I ‘Barbarossa’, wordt door het Staufische kamp tot Rooms-Koning gekozen. Vrijwel gelijktijdig kiezen de Welfische vorsten Otto van Poitou, een zoon van de verdreven Hendrik ‘de Leeuw’. Het rijk heeft twee koningen. Het dubbele koningschap verscheurt Duitsland meer dan tien jaar lang.

Paus Innocentius III, een van de machtigste pausen uit de middeleeuwse geschiedenis, manoeuvreert tussen beide partijen. In 1208 wordt Philips vermoord — niet door een politieke tegenstander maar door de Beierse paltsgraaf Otto van Wittelsbach, vermoedelijk uit persoonlijke wraak.

Innocentius roept in 1202 op tot de Vierde Kruistocht, die het Heilige Land als doel heeft. De expeditie loopt echter volledig uit de hand: de kruisvaarders, verwikkeld in Venetiaanse schulden en Byzantijnse troontwisten, plunderen in 1204 Constantinopel — de hoofdstad van het christelijke Oost-Romeinse Rijk. Het is een catastrofe die de relaties tussen het westerse en het oosterse christendom voor eeuwen vergiftigt.

Otto IV Ψ, 1198-1218

Na de moord op Philips ligt voor Otto IV de weg naar de keizerskroon open. In 1209 kroont de paus hem in Rome. Maar Otto verspeelt vrijwel onmiddellijk de pauselijke steun: hij weigert de Kerkelijke Staat te respecteren en valt Sicilië binnen, het erfgoed van de jonge Hohenstaufen-prins Frederik. Innocentius III keert zich nu tegen zijn eigen protegé en schuift Frederik — inmiddels zeventien — naar voren als tegenkandidaat.

De beslissing valt op het slagveld. Op 27 juli 1214 botsen bij Bouvines in Noord-Frankrijk twee grote coalities: Otto IV, verbonden met de Engelse koning Jan zonder Land, tegenover de Franse koning Philip II Augustus Ψ, die Frederik II steunt. Frankrijk overwint. Otto’s macht is gebroken; hij trekt zich terug op zijn bezittingen bij Brunswijk en sterft in 1218 in vergetelheid.

Frederik II Ψ, 1212-1250

Frederik II, door zijn tijdgenoten Stupor Mundi genoemd — 'de verwondering van de wereld'. Als Federico I van Sicilië resideert hij bij voorkeur in Palermo, ver van de Duitse vorstenhoven die hem nooit helemaal vertrouwen. De Arte Venandi cum Avibus (De kunst van het jagen met vogels), Valkenboek, is een 13e-eeuws geïllumineerd Latijns manuscript geschreven door keizer Frederik II (ca. 1245).
Frederik II, door zijn tijdgenoten Stupor Mundi genoemd — ‘de verwondering van de wereld’. Als Federico I van Sicilië resideert hij bij voorkeur in Palermo, ver van de Duitse vorstenhoven die hem nooit helemaal vertrouwen.
De Arte Venandi cum Avibus (De kunst van het jagen met vogels), Valkenboek, is een 13e-eeuws geïllumineerd Latijns manuscript geschreven door keizer Frederik II (ca. 1245).

Frederik II is de zoon van Hendrik VI en Constance van Sicilië. Als Federico I van Sicilië resideert hij het liefst in Palermo, het eiland dat hij van zijn moeder heeft geërfd. Zijn tijdgenoten noemen hem Stupor Mundi — de verwondering van de wereld. De bijnaam past bij een heerser die Arabisch spreekt, een menagerie met exotische dieren onderhoudt, en wetenschappelijk onderzoek laat verrichten aan zijn hof in een tijd waarin de meeste vorsten hun naam nauwelijks kunnen schrijven.

Frederik staat minder afwijzend tegenover moslims dan andere westerse vorsten, vermoedelijk ingegeven door de mengcultuur van Arabische, Normandische, Griekse en Latijnse elementen die zijn eiland kleurt. Wanneer hij onder pauselijke druk in 1228 op kruistocht trekt, slaagt hij erin Jeruzalem niet door het zwaard maar door onderhandelingen te verwerven — een diplomatieke prestatie die hem in Europa eerder argwaan dan bewondering oplevert. De paus doet hem tijdens zijn afwezigheid in de ban.

Aanloop naar het Grote Interregnum

Het conflict tussen Frederik II en het pausdom bereikt in de jaren 1240 een hoogtepunt. Paus Innocentius IV, door Frederik uit Rome verdreven, wijkt uit naar Lyon. Daar doet hij de keizer in 1245 opnieuw in de ban en ontheft alle rijksvorsten van hun eden. De keizerlijke troon wankelt. In Duitsland kiezen pausgezinde vorsten tegenkoningen: Hendrik Raspe Ψ , landgraaf van Thüringen, en na diens dood Willem van Holland Ψ.

Frederik sterft in december 1250 in Apulië. Zijn dood markeert het feitelijke einde van het centrale keizerlijke gezag. De tijd van het Grote Interregnum breekt aan — een periode van meer dan twintig jaar waarin het Heilige Roomse Rijk geen effectief centraal bestuur kent. Voor Oost-Nederland heeft het Interregnum verstrekkende gevolgen. Zonder keizerlijk tegenwicht versnelt de territoriale machtspolitiek van de regionale vorsten. De graven — en straks hertogen — van Gelre, de bisschoppen van Utrecht en de opkomende steden langs de IJssel opereren steeds zelfstandiger. De tijd van de landsheren is aangebroken.

Bronnenlijst

Literatuur

  • Boshof, Egon, Die Salier, Kohlhammer, Stuttgart, 2000.
  • Schneidmüller, Bernd, en Stefan Weinfurter (red.), Die deutschen Herrscher des Mittelalters: Historische Portraits von Heinrich I. bis Maximilian I., C.H. Beck, München, 2003.
  • Schneidmüller, Bernd, Die Welfen. Herrschaft und Erinnerung (819–1252), Kohlhammer (Urban-Taschenbücher 465), Stuttgart, 2000.
  • Weinfurter, Stefan, Herrschaft und Reich der Salier: Grundlinien einer Umbruchzeit, Thorbecke, Sigmaringen, 1992.

Online bronnen

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MCM ende XCVIII des Sonnedages nae sunte Gregorius de Groote dach, dat was op ten zesden dach der maent van Septembris.