Zoeken

Het schild

Een draagbare plank

Tot de oudste verdedigingswapens behoort het schild. De mens heeft in de oudheid al snel door dat hout een klievende slag tegenhoudt, en wie een plank voor zich uit draagt, schermt zijn lichaam af zonder zelf een wapen te hoeven missen.

Een handgreep aan de achterzijde maakt het geheel hanteerbaar en houdt tegelijk een hand vrij voor de bijl of de speer. Daarmee is het eerste schild geboren.
Krijgslieden passen het wapen dus vroeg toe. In de middeleeuwen, met hun overvloed aan slag- en stootwapens, verdwijnt het schild allerminst. Het concept wordt juist steeds verder verfijnd, telkens in antwoord op een nieuw aanvalswapen of een nieuwe manier van vechten.

Mis- en gebruik van de kwetsbaarheid

Ronde schilden in het strijdgewoel, detail uit het Utrechtse Psalter (omstreeks 830, folio 48v). De tekenaar beeldt de vijanden van de psalmist af als eigentijdse Karolingische krijgers, met ronde schilden en speren; het schild verschijnt hier van opzij, tussen de speerdragers. Bron: Psalterium Latinum / UBU Hs. 32..
Ronde schilden in het strijdgewoel, detail uit het Utrechtse Psalter (omstreeks 830, folio 48v). De tekenaar beeldt de vijanden van de psalmist af als eigentijdse Karolingische krijgers, met ronde schilden en speren; het schild verschijnt hier van opzij, tussen de speerdragers. Bron: Psalterium Latinum / UBU Hs. 32.

Een rechtshandige draagt zijn schild aan de linkerarm, zodat de rechterarm vrij blijft voor het aanvalswapen. De rechterzijde van de strijder ligt daardoor open. Men neemt aan dat men met die kwetsbaarheid rekening houdt bij de aanleg van toegangswegen naar versterkingen: de weg wordt zo gelegd dat de naderende vijand zijn onbeschermde rechterkant naar de muur en de verdediger keert. Bewijs uit de middeleeuwen zelf ontbreekt voor dat ontwerpprincipe, en het berust vooral op latere militair-historische redenering, maar onlogisch is de gedachte niet.

Hardnekkiger nog is de overtuiging dat men wenteltrappen altijd rechtsom liet draaien, opdat de hoger staande, rechtshandige verdediger ruim baan had voor zijn zwaardarm terwijl de aanvaller zijn arm tegen de spil klemde. Die voorstelling laat zich tot in detail navertellen en klinkt overtuigend, maar zij houdt geen stand. Geen enkele middeleeuwse bron noemt zo’n beweegreden, en ongeveer een derde van de bewaard gebleven wenteltrappen draait juist linksom, wat zich met een algemene verdedigingsregel niet laat rijmen. De gedachte blijkt niet middeleeuws maar pas rond 1900 bedacht door de Engelse kunstcriticus en schermer Theodore Andrea Cook, waarna generaties gidsen en schrijvers haar hebben overgenomen. Waarom de meeste trappen wél rechtsom gaan, laat zich eenvoudiger verklaren uit gewoonte, beschikbare ruimte en het gemak van de overwegend rechtshandige bouwlieden. De verdediging van een burcht werd bovendien zelden op de trap beslecht: wie de vijand op zijn wenteltrap aantrof, had de strijd doorgaans al verloren.

Voor- en nadelen

Het schild moet, net als de rest van de uitrusting, zo sterk en tegelijk zo licht mogelijk zijn. Daarom kiest men een taaie houtsoort, dennen- of essenhout, die niet snel splijt. Archeologische vondsten laten zien dat de planken vaak verrassend dun zijn, soms niet meer dan zes tot acht millimeter; het beeld van een log, zwaar schild berust op een misverstand. Het houten blad wordt bekleed met leer en versterkt met ijzeren beslag. Toch kent het schild zijn grenzen. Een met kracht geworpen of gestoten speer dringt diep in of zelfs door het blad, en hindert de drager door het toegevoegde gewicht in zijn bewegingen. Het tweede nadeel is structureel: de drager houdt slechts één hand vrij, zodat de zware tweehandige aanvalswapens afvallen.

Het ronde (Frankische) schild

Detail uit het Utrechtse Psalter (omstreeks 830, folio 30v). Een krijger met zijn ronde schild in zijaanzicht; de centrale umbo steekt als een halfronde knop naar voren en overdekt het gat waarin de vuist het schild vasthoudt. Het handschrift berust sinds 1716 in Utrecht. Bron; Psalterium Latinum / UBU Hs. 32.
Detail uit het Utrechtse Psalter (omstreeks 830, folio 30v). Een krijger met zijn ronde schild in zijaanzicht; de centrale umbo steekt als een halfronde knop naar voren en overdekt het gat waarin de vuist het schild vasthoudt. Het handschrift berust sinds 1716 in Utrecht. Bron; Psalterium Latinum / UBU Hs. 32.

In de loop van de middeleeuwen blijft men met vorm en materiaal experimenteren, op zoek naar zoveel mogelijk bescherming bij zo weinig mogelijk gewicht. De Franken hanteren vanaf de Romeinse tijd een vrijwel geheel rond schild van hout, bekleed met leer en in het midden voorzien van een ijzeren schildknop. Deze umbo (navel) overdekt het gat in het hart van het schild, waar zich de vuist bevindt die de handgreep omklemt. De Franken versterken het blad met ijzeren banden in stervorm en met nagels. Die nagels zijn oorspronkelijk dwars door het hout geslagen om aan de achterzijde leren riemen vast te zetten en zo het dragen te vergemakkelijken; in latere tijd worden zij tot sierpatroon gerangschikt of in het heraldische teken opgenomen. Voor het draaggemak komt daar een nekriem bij, waarmee de strijder het schild tijdens het marcheren over de schouder hangt.

Twee gewapende mannen met ronde schilden en werpspiesen in het Stuttgarter Psalter (omstreeks 820–830, folio 5v). De zwarte, sterk uitstekende umbo en de conische helm zijn in kleur weergegeven, waar de pentekeningen van het Utrechtse Psalter slechts de omtrek geven. Bron: Stuttgarter Psalter - Cod.bibl.fol.23.
Twee gewapende mannen met ronde schilden en werpspiesen in het Stuttgarter Psalter (omstreeks 820–830, folio 5v). De zwarte, sterk uitstekende umbo en de conische helm zijn in kleur weergegeven, waar de pentekeningen van het Utrechtse Psalter slechts de omtrek geven. Bron: Stuttgarter Psalter – Cod.bibl.fol.23.

Hoe zo’n schild van binnen is opgebouwd, valt af te lezen aan de beeldbronnen. Het Utrechtse Psalter en het Stuttgartse Psalter, beide uit de eerste helft van de negende eeuw, tonen het ronde Karolingische schild met zijn korte handgreep in het midden. Het Utrechtse Psalter, een handschrift dat al eeuwenlang in Utrecht berust, is daarmee een van de naaste beeldgetuigen voor het wapen zoals het ook in de Lage Landen gebruikt zal zijn. Zowel voetvolk als ruiters voeren dit ronde schild; tot in de tiende eeuw blijft het in gebruik.

Het vliegerschild

Tegen het einde van de tiende eeuw raakt een andere schildvorm in zwang. Dit type heeft een langgerekte, naar onderen toelopende vorm met een afgeronde bovenkant, en dekt de drager van schouder tot knie. Naar die vorm heet het in de vakliteratuur ook wel vliegerschild. Aanvankelijk gebruiken alleen ruiters het, later ook voetvolk; tot het eind van de twaalfde eeuw blijft het populair. Omdat vooral de Noormannen er gebruik van maken, is de benaming Noormannenschild ingeburgerd geraakt. Net als bij de Noormannenhelm is die naam misplaatst — en de variant ‘Normandisch schild’, die men eveneens aantreft, helpt niet, want ook Normandië heeft het type niet uitgevonden. De Noormannen hebben het schild niet als enigen gevoerd: op het tapijt van Bayeux dragen de Angelsaksische strijders van Harold naast ronde schilden hetzelfde langgerekte model als de Normandiërs van Willem, en zij hebben het dus niet ná 1066 van hun overwinnaars overgenomen. Vrijwel gelijktijdig duikt de vorm buiten Normandië op, onder meer in Spanje en in het Rijk; de oorsprong ligt vermoedelijk verder oostwaarts, in het Byzantijnse gebied.

Detail uit het tapijt van Bayeux (omstreeks 1070). Het randschrift ET GVRÐ FRATRES HAROLDI benoemt de scène waarin de broers van koning Harold sneuvelen; de afgebeelde strijders zijn dus Angelsaksen. Ook zij voeren het langgerekte schild, met een patroon van nagels op het blad, wat laat zien dat dit schildtype allerminst een Normandische vinding was.
Detail uit het tapijt van Bayeux (omstreeks 1070). Het randschrift ET GVRÐ FRATRES HAROLDI benoemt de scène waarin de broers van koning Harold sneuvelen; de afgebeelde strijders zijn dus Angelsaksen. Ook zij voeren het langgerekte schild, met een patroon van nagels op het blad, wat laat zien dat dit schildtype allerminst een Normandische vinding was. Bron: Tapijt van Bayeux.

Veelzeggend is dat van het Noormannenschild geen enkel exemplaar bewaard is gebleven. Wat men over de constructie weet, berust op afbeeldingen en op een handvol latere vondsten elders. Het oudste bewaarde langwerpige schild is dat van ridder Arnold van Brienz Ψ in Zwitserland, uit het einde van de twaalfde eeuw, gemaakt van ongeveer vijftien millimeter dikke planken en aan beide zijden met rauwleer overtrokken. De enige twee opgegraven exemplaren komen uit Szczecin aan de Oostzee, in 2000 gevonden en in 2019 wetenschappelijk beschreven. Het tapijt van Bayeux blijft daarmee de spilbron voor de overgang van het ronde naar het langwerpige schild. Daar valt overigens ook af te lezen dat sommige van deze schilden maar weinig gewelfd zijn: krijgslieden gebruiken ze in een veldscène als tafelblad.

De omvang die het schild voor de ruiter zo bruikbaar maakt, wordt op den duur een last, omdat zij hem in zijn bewegingen hindert. Het blad krijgt daarom in latere tijd een steeds kleiner formaat, terwijl de ruiter tegelijk over andere en betere verdedigingsmiddelen gaat beschikken.

Driehoeksschild

Het schild van landgraaf Koenraad van Thüringen Ψ, omstreeks 1230–1240: hout, aan de voorzijde overtrokken met beschilderd perkament, negentig bij drieënzeventig centimeter. Het toont in blauw een klimmende, rood-wit gedeelde leeuw, met tussen de achterpoten het schild van de Duitse Orde, waarin Koenraad in 1234 was getreden. Ruiterschilden uit de dertiende eeuw zijn uiterst zeldzaam bewaard; dit exemplaar hing na Koenraads dood in 1240 als dodenschild boven zijn graf in de Elisabethkerk te Marburg en bevindt zich nu in het Universiteitsmuseum aldaar.
Het schild van landgraaf Koenraad van Thüringen Ψ, omstreeks 1230–1240: hout, aan de voorzijde overtrokken met beschilderd perkament, negentig bij drieënzeventig centimeter. Het toont in blauw een klimmende, rood-wit gedeelde leeuw, met tussen de achterpoten het schild van de Duitse Orde, waarin Koenraad in 1234 was getreden. Ruiterschilden uit de dertiende eeuw zijn uiterst zeldzaam bewaard; dit exemplaar hing na Koenraads dood in 1240 als dodenschild boven zijn graf in de Elisabethkerk te Marburg en bevindt zich nu in het Universiteitsmuseum aldaar.

De uiteindelijke, verkleinde uitvoering van het vliegerschild is het driehoeksschild. Dat proces van verkleining wordt pas in de dertiende eeuw afgesloten. In diezelfde tijd verschijnt op het schild het heraldische teken van de ridder. Die wijze van herkenning neemt in de hoge en late middeleeuwen een hoge vlucht, omdat het schild bij uitstek het middel is om stand en afkomst zichtbaar te maken. De Zwaben– en Saksenspiegel duiden de standen dan ook aan als heerschilden: het schild wordt zinnebeeld van de maatschappelijke rangorde zelf.

De targe

Vermoedelijk ontstaat omstreeks het midden van de veertiende eeuw onder ruiters de behoefte aan een nieuw type schild, nu zij de lans onder de arm geklemd voeren. Dit schild raakt bekend onder de naam targe, in Duitsland Tartsche, in Frankrijk petit écu en in Engeland jousting shield. Het opvallendste kenmerk is een sterke uitholling aan de bovenrand, aan de rechterzijde vanuit de drager gezien, waarin deze de lans kan laten rusten. Soms voert men de targe golvend of hol uit, naar gelang men het fraai of nuttig acht.

Paradeschild van hout, overtrokken met gesso en beschilderd, Frans-Vlaams, late vijftiende eeuw. Een geknielde ridder in Italiaans harnas van omstreeks 1470 biedt zich aan zijn dame aan; voor hem liggen een strijdbijl, pantserhandschoenen en een armet, de gesloten helm van de late middeleeuwen. Achter hem staat de dood, met een banderol. Van bescherming is bij zo'n schild geen sprake meer: het dient uitsluitend voor vertoon bij het steekspel of aan het hof. British Museum, inv.nr. 1863,0501.1.
Paradeschild van hout, overtrokken met gesso en beschilderd, Frans-Vlaams, late vijftiende eeuw. Een geknielde ridder in Italiaans harnas van omstreeks 1470 biedt zich aan zijn dame aan; voor hem liggen een strijdbijl, pantserhandschoenen en een armet, de gesloten helm van de late middeleeuwen. Achter hem staat de dood, met een banderol. Van bescherming is bij zo’n schild geen sprake meer: het dient uitsluitend voor vertoon bij het steekspel of aan het hof. Bron: British Museum, inv.nr. 1863,0501.1.

Aan het einde van de middeleeuwen slaat die verhouding tussen fraai en nuttig door naar het eerste. Er ontstaan paradeschilden die voor het slagveld ongeschikt zijn en uitsluitend voor het steekspel of het hofvertoon dienen, bedekt met gesso (een gladde grondlaag van krijt en lijm) en beschilderd met hoofse taferelen. Wat ooit een plank tegen de bijl was, is dan een beeldpaneel geworden.

De pavese

Voor het voetvolk blijven de grote schilden tot het eind van de middeleeuwen onmisbaar. Vanaf de late dertiende tot in de vijftiende eeuw gebruikt men de pavese: een vrijwel rechthoekig, groot schild, waarvan de naam vermoedelijk teruggaat op de Noord-Italiaanse stad Pavia. Naar formaat laten deze schilden zich onderverdelen in de kleine pavese, de grote pavese of standschild, en de stormwand.

De kleine pavese

Dit type wordt het meest gebruikt door voetvolk met stokwapens of kruisbogen. Het schild meet ongeveer 110 bij 50 centimeter.

De grote pavese of standschild

Standschild uit het arsenaal van de stad Erfurt, 1385–1387. Hout, overtrokken met leer, voorzien van een gladde grondlaag van krijt en lijm en vervolgens beschilderd; het meet 176 bij 82 centimeter en weegt bijna 23 kilo. Zo'n gevaarte draagt men niet, men zet het neer: op de grond geplaatst vormt het samen met andere een wand waarachter schutters en voetvolk dekking zoeken. Het wapen van Erfurt is gecombineerd met dat van de onderhorige plaatsen Vieselbach, Kapellendorf en Vargula, wat het schild scherp dateert: Vargula komt in 1385 onder Erfurts gezag en het wapen wordt in 1387 opnieuw uitgebreid. De gaten in het oppervlak zijn inslagen van kruisboogbouten en kogels. Metropolitan Museum of Art, inv.nr. 22.148.
Standschild uit het arsenaal van de stad Erfurt, 1385–1387. Hout, overtrokken met leer, voorzien van een gladde grondlaag van krijt en lijm en vervolgens beschilderd; het meet 176 bij 82 centimeter en weegt bijna 23 kilo. Zo’n gevaarte draagt men niet, men zet het neer: op de grond geplaatst vormt het samen met andere een wand waarachter schutters en voetvolk dekking zoeken. Het wapen van Erfurt is gecombineerd met dat van de onderhorige plaatsen Vieselbach, Kapellendorf en Vargula, wat het schild scherp dateert: Vargula komt in 1385 onder Erfurts gezag en het wapen wordt in 1387 opnieuw uitgebreid. De gaten in het oppervlak zijn inslagen van kruisboogbouten en kogels. Bron: Metropolitan Museum of Art, inv.nr. 22.148.

De grote pavese of standschild rust bij gebruik op de grond en biedt door zijn formaat, ongeveer 150 bij 65 centimeter, meer dekking. Vooral schutters gebruiken dit schild, maar ook ander voetvolk zoekt er beschutting achter. De kruisboogschutter heeft die dekking hard nodig: het spannen en laden van zijn wapen kost tijd, en achter de op de grond geplaatste pavese kan hij dat betrekkelijk veilig doen.

De stormwand

De stormwand meet ongeveer 195 bij ruim 90 centimeter. Daardoor is hij geschikt om dekking te bieden bij het naderen van een vijandelijke linie of een burcht. Dicht opeen geplaatst vormen deze schilden een ondoordringbare wand tegen pijlen en ander licht projectiel.

Het schild verdwijnt en komt terug

Met de opkomst van het vuurwapen bieden de schilden vanaf het begin van de zestiende eeuw geen werkelijke bescherming meer, en verdwijnen zij uit beeld. Pas in onze tijd rust men oproerpolitie opnieuw met een licht schild uit, en is de cirkel, evenals dat nieuwe schild, weer rond.

Bronnen

Literatuur

  • Dowen, Keith, Lech Marek, Sławomir Słowiński, Anna Uciechowska-Gawron, en Elżbieta Myśkow. “Two Twelfth-Century Kite Shields from Szczecin, Poland.” Arms & Armour 16, nr. 2 (2019): 125–157.
  • Keen, Maurice, red. Medieval Warfare: A History. Oxford: Oxford University Press, 1999.
  • Nicolle, David. Medieval Warfare Source Book. 2 delen. London: Arms & Armour Press, 1995–1996.
  • Oakeshott, Ewart. The Archaeology of Weapons: Arms and Armour from Prehistory to the Age of Chivalry. London: Lutterworth Press, 1960.
  • Prestwich, Michael. Armies and Warfare in the Middle Ages: The English Experience. New Haven: Yale University Press, 1996.
  • Ryder, Charles. The Spiral Stair or Vice: Its Origins, Role and Meaning in Medieval Stone Castles. Proefschrift, University of Liverpool, 2011.
  • Sloot, R.B.F. van der. Middeleeuws wapentuig. Bussum: Van Dishoeck, 1964.

Gegeven in den jair ons Heren, doen men screeff MM des Donredages nae sunte Willibrords dach, dat was op ten tienden dach der maent van Novembri.